Einde inhoudsopgave
De uitleg van Anglo-Amerikaanse Boilerplate-bedingen in Nederlandse contracten (O&R nr. 121) 2020/3.2.1
3.2.1 Ermes/Haviltex: Haviltex-norm
mr. drs. J.W.A. Dousi, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J.W.A. Dousi
- JCDI
JCDI:ADS198213:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie verder par. 4.3.7.
Zie bijvoorbeeld P. Scholten, ‘Uitlegging van testamenten’, WPNR 1909/2058: “Woorden zijn op zichzelf nooit duidelijk”.
Zie bijvoorbeeld Justice O.W. Holmes in Towne v. Eisner, 245 U.S. 418 (1918): “A word is not a crystal, transparent and unchanged, it is the skin of a living thought and may vary greatly in colour and content according to the circumstances and the time in which it is used.”
Noot Brunner bij HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 (Ermes c.s./Haviltex).
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 (Ermes c.s./Haviltex). Zie ook Tjittes 2018, p. 262; Schelhaas 2017, par. 15; Valk 2016, par. 2.1.2.3.
Zie bv. HR 1 december 2000, ECLI:NL:HR:2000, NJ 2001/196 (Bruin/NVC). De rechter mag niet een bewijsaanbod passeren bij gebrek aan belang, omdat hij op grond van de tekst de betekenis van een beding al kan vaststellen, als een contractspartij gemotiveerd stelt dat partijen een gemeenschappelijke subjectieve partijbedoeling hebben die van de letterlijke uitleg van het beding afwijkt en van die afwijkende betekenis bewijs aanbiedt. HR 10 augustus 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1562, NJ 1989/825 (Boekhorst/ Ikazia), HR 10 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1669, NJ 1995/550 (Vlooienmarkt/De Kring), HR 29 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA1484, NJ 1999/823 (Ekkersrijt/De Rooij) en HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9430, NJ 2001/199 (Steinbusch/ Van Alphen).
Zie Tjittes 2018, p. 264.
52. Het Oud Burgerlijk Wetboek bevatte een afdeling gewijd aan de ’uitlegging der overeenkomst’. Art. 1378 bepaalde: “Indien de bewoordingen eener overeenkomst duidelijk zijn, mag men daarvan door uitlegging niet afwijken.” Deze regel vertoont een sterke overeenkomst met de plain meaning rule uit het Anglo-Amerikaanse recht.1 In beide gevallen gaat men uit van het idee dat woorden op zichzelf duidelijk kunnen zijn en schrijft de regel voor dat er, als de woorden van een beding duidelijk zijn, geen aanvullende bronnen buiten de tekst gebruikt mogen worden om betekenis te geven aan het beding. Zowel in het Nederlandse2 als het Anglo-Amerikaanse3 recht is deze regel echter aan kritiek onderhevig (geweest). Met de komst van het ‘nieuwe’ Burgerlijk Wetboek werd de uitlegafdeling geschrapt en is de uitleg van overeenkomsten geheel aan de rechtspraak en de rechtswetenschap overgelaten.4
53. In het Haviltex-arrest oordeelde de Hoge Raad dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet beantwoord kan worden op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract.
Hoewel de taalkundige uitleg van datgene dat zwart op wit in het contract staat wel een element is bij de uitleg, is dat niet het enige element.5 De uitleg van een contract is in beginsel een zoektocht naar de bedoelingen en verwachtingen van de partijen in de gegeven omstandigheden:
“[voor] de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van [partijen] is geregeld (…) komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.”6
De rechter mag de uiteenzettingen van partijen over de aan een beding in de overeenkomst toe te kennen betekenis daarom niet afdoen met een verwijzing naar de woordenboekenbetekenis van de gebruikte woorden. Een gemeenschappelijke subjectieve partijbedoeling gaat voor de objectieve betekenis van een beding, ook wanneer deze subjectieve bedoeling strijdig is met de bewoordingen van het beding.7
Daarbij moet worden opgemerkt dat het bij het achterhalen van een gemeenschappelijke partijbedoeling in eerste instantie gaat om een uitleg van de gemeenschappelijke partij-wil zoals die zich heeft geopenbaard door uitwendige verklaringen en gedragingen, waaronder de tekst van de overeenkomst. Het gaat dus niet zo zeer om de schier onmogelijke zoektocht naar de interne wil van partijen.8
Men kan de Haviltex-norm, en de nadruk op de partijbedoeling in plaats van op de tekst van het contract, niet goed begrijpen zonder te weten op welke manier het contract tot stand was gekomen dat aanleiding gaf tot het Haviltex-arrest. Het betrof een overeenkomst tussen Haviltex en Ermes, twee middenstanders die hadden onderhandeld over de koop van een snijmachine. Zij stelden hiervoor een eenvoudig contract op zonder de hulp van juristen. Onder die omstandigheden zal de rechter veel gewicht toekennen aan de betekenis die de partijen zelf aan de tekst van het contract toekennen, ook als deze subjectieve partijbedoeling niet duidelijk uit de tekst van het contract blijkt. Dat kan ook, omdat beide partijen immers zelf de onderhandelingen hebben gedaan en weten, of behoren te weten, wat de bedoeling van de afspraak was ten tijde van het maken daarvan. Dit geldt echter niet voor alle contracten. Binnen de algemeen geformuleerde Haviltex-norm heeft de Hoge Raad daarom enkele ‘gevalstypen’ onderscheiden met daarbij een nader toegespitste uitlegmaatstaf.