Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.5.1:4.5.1 Inleiding
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.5.1
4.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946188:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk wordt de regeling van klachtdelicten vanuit verschillende invalshoeken belicht om inzicht te krijgen in de vorm, inhoud en functie van de regeling van klachtdelicten. De vierde en laatste invalshoek ziet op de vraag hoe de regeling van klachtdelicten zich verhoudt tot het hoorrecht dat is neergelegd art. 167a Sv. Dit hoorrecht is bij een aantal zedendelicten ingevoerd ter vervanging van het klachtrecht. Dit geeft aanleiding om de overeenkomsten en verschillen tussen beide rechtsfiguren nader te bestuderen.
Daarbij zal eerst aandacht uitgaan naar het in art. 165a Sv vervatte hoorrecht dat onderdeel is van de regeling van klachtdelicten en dat als inspiratie diende bij de invoering van art. 167a Sv. Bezien wordt hoe eerstgenoemd hoorrecht zich verhoudt tot het hoorrecht inzake zedenfeiten. Vervolgens wordt ingegaan op het onderscheid tussen het recht voor minderjarigen om ter zake bepaalde zedenfeiten te worden gehoord en het recht om de vervolging door het indienen van een klacht mogelijk te maken. Daarbij staat de vraag centraal in hoeverre beide rechtsfiguren dezelfde functie vervullen en of het hoorrecht een alternatief voor het klachtrecht inhoudt dat (op onderdelen) beter beantwoordt aan de functie die het klachtvereiste is toebedeeld. Ook wordt aandacht besteed aan de vraag of de uiteenlopende wijze waarop beide rechtsfiguren wetssystematisch zijn ingebed op goede gronden is gestoeld. De regeling van klachtdelicten is immers hoofdzakelijk verankerd in het materiële strafrecht, terwijl het hoorrecht voor zedendelicten tot het strafprocesrecht behoort.