Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/2.2.3
2.2.3 Het verkopersprivilege
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90879:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Trostorff 1861, p. 22; Feenstra 1949, p. 3; Asser-Mijnssen & Van Velten 3-III 1986, nr. 50 e.v.; Fikkers WPNR 1988/5867, p. 188.
Land 1902, p. 299, 312.
Jansen 1999, p. 18; Jansen, AA 2014, p. 519. De Hoge Raad heeft deze mogelijkheid erkend in de arresten van 25 januari 1929, NJ1929, p. 616 en HR 21 juni 1929, NJ1929, p. 1096. Zie hierover uitgebreid Van Hoof 2015, p. 249-256.
HR 6 maart 1970, NJ 1970/433 (Pluvier).
HR 6 maart 1970, NJ 1970/433 (Pluvier).
Van Mierlo 1988, p. 129-133.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 867. Zie hierover Van Mierlo, WPNR 1984/5696, p. 276.
In het BW (oud) was nog een derde rechtsfiguur te vinden die een voorrangspositie bood voor de kredietverstrekkende leverancier: het verkopersprivilege. In paragraaf 2.2.1.2 kwam deze rechtsfiguur al kort aan de orde. Met dit voorrecht had de leverancier voorrang bij de verdeling van de executieopbrengst van de door hem geleverde en onbetaald gebleven zaak tot de hoogte van zijn koopprijsvordering.1 Omdat door zijn prestatie de boedel was vergroot, achtte de wetgever het billijk dat zijn koopprijsvordering eerder werd voldaan dan andere vorderingen uit de opbrengst van de geleverde zaak, zodat bij het faillissement van de koper de leverancier zo min mogelijk schade zou lijden.2
Het verkopersprivilege gold ten aanzien van de zaken die zich ten tijde van de executie in het vermogen van de koper bevonden, zo bepaalde art. 1185 lid 3 en 1190 BW (oud). Dit leek in de praktijk te betekenen dat het voorrecht weinig waard was. Onder het tot 1 januari 1992 geldende BW werd namelijk door geldkredietverstrekkers, in het bijzonder banken, veel gebruik gemaakt van de eigendomsoverdracht tot zekerheid met een levering cp.3 Deze praktijk hield kort gezegd in dat de kredietnemer al zijn huidige en toekomstige zaken en vorderingen overdroeg aan de bank ten titel van zekerheid.
De Hoge Raad besliste in het Pluvier-arrest echter dat het voorrecht niet verviel ten gunste van de fiduciaire overdracht tot zekerheid met een levering cp.4 Hij relativeerde deze fiduciaire overdracht ten opzichte van het verkopersprivilege, omdat:
“[H]et immers redelijk is, het belang van een door een zekerheidsoverdracht beschermde geldschieter bij de uitoefening van zijn verhaalsrechten op bepaalde in die overdracht betrokken zaken te laten wijken voor het belang van de verkoper van deze zaken bij de uitoefening van diens voorrecht, daar de door fiduciaire zekerheid beschermde geldschieter geen recht op de betreffende zaken zou hebben kunnen doen gelden, als zij niet door de verkoper waren geleverd.”5
De nauwe band tussen de vordering van de leverancier en (de opbrengst van) de geleverde zaak waaraan het verkopersprivilege verbonden is, rechtvaardigt volgens de Hoge Raad de handhaving ten opzichte van de fiduciaire eigenaar.6 Door de levering op krediet kan de koper de zaak verwerven. Op de leverancier rust het betalingsrisico met betrekking tot dit onderpand. Het is billijk om de leverancier voorrang te geven bij het nemen van verhaal op deze zaak. Daarnaast leidt deze prestatie van de leverancier tot een vergroting van het verhaalsvermogen van de schuldenaar.
In het huidige BW is het verkopersprivilege geschrapt. De wetgever achtte het niet meer passend in het stelsel van de wet. Hij heeft echter niet beoogd om geen voorrangspositie meer toe te kennen aan de kredietverstrekkende leverancier. Hij meent juist dat het huidige BW voldoende andere rechtsfiguren biedt die een voorrangspositie toekennen aan de leverancier, zoals het recht van reclame en het eigendomsvoorbehoud.7