Rb. Groningen, 21-10-2009, nr. 92092 / HA ZA 07-165
ECLI:NL:RBGRO:2009:BK4768
- Instantie
Rechtbank Groningen
- Datum
21-10-2009
- Magistraten
Mr. I. Tubben
- Zaaknummer
92092 / HA ZA 07-165
- LJN
BK4768
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGRO:2009:BK4768, Uitspraak, Rechtbank Groningen, 21‑10‑2009
Uitspraak 21‑10‑2009
Mr. I. Tubben
Partij(en)
Vonnis van 21 oktober 2009
in de zaak van
de naamloze vennootschap
ORINOCO N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres tot verificatie,
advocaat mr. D.J.R.M. Braakenburg,
tegen
- 1.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MAAS LASTECHNIEK B.V.,
gevestigd te Hoogezand,
gedaagde,
in rechte niet verschenen,
- 2.
MR. P.J. FOUSERT & MR. W.A. ENTZINGER q.q.,
gevestigd te Groningen,
gedaagde,
advocaat mr. K. de Vries.
Partijen zullen hierna Orinoco N.V. de curatoren en Maas Lastechniek B.V. c.s. genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
het tussenvonnis van 30 januari 2008
- —
het proces-verbaal van comparitie van 15 april 2008
- —
de akte na comparitie van de curatoren d.d. 16 juli 2008
- —
de antwoordakte van Orinoco.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1
Op 12 augustus 2002 is tussen Maas Shipyard Waterhuizen (hierna MSW) en Orinoco een bouwcontract gesloten voor een motortankschip, met als opleveringsdatum 1 oktober 2003 voor de prijs van EUR 3.821.000,00. In artikel 5 van de overeenkomst is een boetebeding opgenomen van EUR 1.200,00 per dag ingeval van vertraging van de oplevering vanaf 1 oktober 2003 tot de oplevering van het schip.
2.2
Orinoco heeft in het kader van deze overeenkomst vier maal een kort geding tegen MSW gevoerd. Tijdens het kort geding van 9 november 2004 zijn MSW en Orinoco — onder meer — overeengekomen dat MSW bij niet tijdige oplevering een boete verschuldigd wordt van EUR 5.000,00 per dag vanaf 15 januari 2005 tot datum oplevering.
2.3
Bij vonnis van 15 maart 2005 is MSW failliet verklaard, met benoeming van mrs. W.A. Entzinger en P.J. Fousert tot curatoren. Op de faillissementsdatum was het schip nog niet opgeleverd. Orinoco heeft het schip op 22 maart 2005 van de werf van MSW laten wegslepen en elders laten voltooien.
2.4
Orinoco heeft in genoemd faillissement de volgende vorderingen ter verificatie ingediend:
a | boete 15 januari 2005 tot 15 maart 2005 | EUR | 300.000,00 |
b | boete 16 maart 2005 tot 23 maart 2005 | EUR | 35.000,00 |
c | proceskosten | EUR | 5.471,93 |
d | boete 1 oktober 2003 tot 15 januari 2005 | EUR | 567.000,00 |
e | niet/te weinig geleverd | EUR | 268.500,00 |
f | boete 23 maart 2005 tot 12 augustus 2005 | EUR | 705.000,00 |
2.5
De vorderingen onder a en c zijn door de curatoren erkend en geplaatst op de lijst van voorlopig erkende concurrente vorderingen. De overige vorderingen (b, d, e en f) zijn door de curatoren betwist en geplaatst op de lijst van voorlopig betwiste concurrente vorderingen.
2.6
Blijkens het proces-verbaal van de verificatievergadering, gehouden op 2 januari 2007, hebben de curatoren de betwisting van de vorderingen b, d, e en f gehandhaafd. Ter verificatievergadering zijn de vorderingen tevens betwist door een van de schuldeisers, te weten: Maas Lastechniek. De rechter-commissaris heeft partijen voor renvooi naar de rechtbank verwezen.
2.7
Maas Lastechniek is in deze procedure niet verschenen. Zij wordt daarmee geacht de betwisting te hebben laten varen.
3. Het geschil
Standpunt Orinoco
3.1.1
Orinoco vordert dat zij als concurrente schuldeiser in het faillissement van MSW wordt erkend tot een bedrag van EUR 2.080.759,45 ter zake de vorderingen genoemd onder a tot en met e. Zij heeft in de onderhavige procedure de onder e genoemde vordering vermeerderd tot EUR 468.278,52.
3.1.2
Orinoco legt aan haar vorderingen ten grondslag dat MSW jegens haar toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst van 12 augustus 2002. Zij heeft het schip dat MSW had behoren te bouwen nimmer door MSW opgeleverd gekregen. Uiteindelijk is het schip opgeleverd (door een derde) op 12 augustus 2005. Uit de niet nakoming vloeien vorderingen voort, die geverifieerd dienen te worden.
3.1.3
De vorderingen onder a en c zijn erkend en kunnen worden toegewezen.
3.1.4
De vordering onder d ziet op de boete die is verbeurd op basis van artikel 5 van de overeenkomst van 12 augustus 2002. Er ligt een afspraak tussen partijen dat partijen bij geschillen kiezen voor arbitrage of bindend advies. Dit voorstel is echter niet uitgewerkt. Aangezien de curatoren geen beroep op onbevoegdheid hebben gedaan, is de rechtbank is bevoegd van deze vordering kennis te nemen.
3.1.5
De vordering onder e ziet op de meerkosten. In totaal moest door derden voor een bedrag van EUR 468.287,52 aan werkzaamheden worden uitgevoerd, voordat het schip gereed was.
3.1.6.
De vorderingen onder b en f vloeien voort uit de op 9 november 2004 overeengekomen boete. Nadat de curatoren omstreeks 22 maart 2005 hadden meegedeeld dat zij het schip niet konden afbouwen, heeft Orinoco het schip onder zich genomen.
Op 12 augustus 2005 is het schip door derden opgeleverd. Dit houdt in dat na datum faillissement 141 dagen aan het schip is gewerkt om het te laten voldoen aan het bouwcontract. De boete van EUR 5.000,00 per dag is gedurende die periode verbeurd. In casu is artikel 130 Faillissementswet van toepassing. Er is sprake van een vordering onder een opschortende voorwaarde, die geverifieerd kan worden voor haar waarde op het moment van faillietverklaring. Op de faillissementsdatum was te begroten hoe lang het zou duren voordat het schip af zou zijn en derhalve ook de omvang van de vordering. De hoogte van de vordering is niet onredelijk gelet op de duur van de vertraging. Orinoco heeft immers in die periode geen vrachtopbrengst kunnen realiseren.
Standpunt curatoren
3.2.1
De vorderingen a en c waren reeds opgenomen op de lijst van voorlopig erkende concurrente schuldvorderingen. Orinoco dient ter zake niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3.2.2
Op de vordering onder d dient op grond van artikel 10 van AO1 te worden beslist door arbitrage of bindend advies.
3.2.3
De vordering onder e was ter verificatie ingediend tot een bedrag van EUR 268.500,00 en is in deze procedure verhoogd tot EUR 468.287,52. Een dergelijke verhoging is gelet op de aard van de (renvooi)procedure niet toegestaan. Voorts is de vordering onvoldoende onderbouwd.
3.2.4
De vorderingen onder b en f betreffen boetes over de periode van 16 maart 2005 tot en met 12 augustus 2005. De gevorderde boetebedragen dateren na datum faillissement van MSW. Er zijn meerdere redenen waarom deze vorderingen niet voor verificatie in aanmerking komen. In de eerste plaats is het een grondbeginsel van faillissementsrecht dat per faillissementsdatum de positie van crediteuren wordt gefixeerd. Nadien verschenen boetes komen derhalve niet in aanmerking voor verificatie. In de tweede plaats is het boetebeding een vordering onder opschortende voorwaarde. Ex artikel 130 lid 2 Fw wordt een vordering onder opschortende voorwaarde voor het gehele bedrag toegelaten tot verificatie. Op de faillissementsdatum was al duidelijk was dat het schip niet kon worden afgebouwd. De boete zou tot in lengte van dagen worden verbeurd. Deze schuldeiser zou in een veel betere positie komen te verkeren dan overige schuldeisers. Dit zou het aan de faillissementswet ten grondslag liggende beginsel van gelijkheid van de schuldeisers doorbreken.
Subsidiair dient te worden gekeken naar de bedoeling en strekking van het boetebeding. Totdat het schip door MSW zou worden opgeleverd zou een boete worden verbeurd. Op faillissementsdatum of in ieder geval per datum dat het schip door Orinoco is weggesleept kon door MSW niet meer worden nagekomen en was de overeenkomst feitelijk ontbonden. Vanaf dat moment kon Orinoco geen beroep meer doen op het vervallen van de boete. Het schip werd door haar elders afgebouwd buiten het zicht van de curatoren, dat deze afbouw 141 dagen heeft moeten duren is onwaarschijnlijk.
Meer subsidiair zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat na faillissementsdatum vervallen boetes door zouden lopen in een faillissementssituatie ten koste van de overige crediteuren, die hun eventuele uitkering zien verwateren terwijl de boete in geen verhouding staat tot de daadwerkelijk geleden vertragingsschade.
4. De beoordeling
4.1
Op 15 april 2008 heeft in deze zaak een comparitie plaatsgevonden. Tijdens deze comparitie is tussen partijen, onder voorbehoud van goedkeuring van de rechter-commissaris, overeenstemming bereikt over de vorderingen a, c, d en e, zoals aangegeven in het van de comparitie opgemaakte proces-verbaal. De rechter-commissaris heeft zijn goedkeuring gehecht aan de bereikte overeenstemming. Dit leidt tot de volgende beoordeling.
Vorderingen a en c
De vorderingen onder a en c waren door de curatoren reeds op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen geplaatst. Orinoco heeft geen belang bij haar vordering ter zake. Die vordering zal worden afgewezen.
Vorderingen d en e
Partijen zijn ter comparitie overeengekomen dat de vordering onder d wordt erkend tot EUR 283.500,00 en de vordering onder e (tegen finale kwijting over en weer) tot EUR 86.187,52. De rechtbank zal in het dictum vastleggen dat de vorderingen onder d en e tot genoemde bedragen in het faillissement van MSW dienen te worden erkend.
Vorderingen b en f
4.2
Het geschil spitst zich toe op de vorderingen onder b en f. Dit betreft boetes die voortvloeien uit de overeenkomst van 9 november 2004 over de periode 16 maart 2005 tot 12 augustus 2005. Aan de orde is een boetebeding als bedoeld in artikel 6:91 BW, inhoudende dat de schuldenaar, voor elke dag dat hij in de nakoming van zijn verbintenis toerekenbaar tekortschiet, gehouden is een geldsom aan de wederpartij te voldoen. In dit geval is het toerekenbaar tekortschieten geconstateerd vóór datum faillissement en is na datum van het faillissement niet alsnog gepresteerd. In casu is nakoming van het boetebeding gevorderd en kon dat worden gedaan, omdat aan de vereisten van artikel 6:93 BW is voldaan.
De vraag ligt voor of elke dag dat ná datum faillissement niet wordt gepresteerd, een opschortende voorwaarde wordt vervuld, met als consequentie dat op de voet van artikel 130 Fw de vordering van de contante waarde van ‘alle’ nog te verbeuren boetes dient te worden bepaald. De rechtbank oordeelt — daartoe bevoegd zijnde op grond van artikel 25 Rv (ambtshalve aanvulling van rechtsgronden) — dat het wat betreft te verbeuren boetes niet gaat om vorderingen onder opschortende voorwaarde, maar om toekomstige vorderingen.
Een opschortende voorwaarde leidt tot een reeds bestaande, zij het ‘sluimerende’ verbintenis. Een boetebeding roept echter (slechts) een of meer toekomstige vorderingen in het leven; zij is geen voorwaardelijk vorderingsrecht dat reeds ontstaat op het moment dat het contract wordt gesloten. In de bewoordingen van HR 5 januari 1990, NJ 1990, 325 is de vordering van de schuldeiser afhankelijk van de wanprestatie van de debiteur ten aanzien van de nakoming van de contractuele verplichting waarop de boete is gesteld, welke vordering eerst dóór de wanprestatie ontstaat.
Bij een boetebeding als het onderhavige moet elke dag opnieuw worden vastgesteld of de debiteur andermaal niet is nagekomen, met als consequentie dat de toekomstige vordering voor die dag converteert in een opeisbare vordering. Na datum van faillissement aldus ontstane vorderingen op de schuldenaar vallen evenwel buiten de boedel, zoals artikel 24 Fw bepaalt; dat betekent dat boetes die op de dag van het faillissement en alle dagen daarna zijn vervallen, niet voor verificatie in aanmerking komen.
Gezien het voorgaande zal het gevorderde onder b en f worden afgewezen.
4.3
Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Orinoco worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de curatoren worden begroot op:
vast recht | EUR | 251,00 | |
salaris advocaat | 11.238,50 | (3,5 punten × EUR 3.211,00) | |
Totaal | EUR | 11.489,50 |
5. De beslissing
De rechtbank
5.1
bepaalt dat Orinoco met betrekking tot vordering d tot een bedrag van EUR 283.500,00 als concurrent schuldeiser in het faillissement dient te worden erkend;
5.2
bepaalt dat Orinoco met betrekking tot vordering e tot een bedrag van EUR 86.187,52 als concurrent schuldeiser in het faillissement dient te worden erkend;
5.3
wijst het gevorderde met betrekking tot a, b, c en f af ;
5.4
veroordeelt Orinoco in de proceskosten, aan de zijde van de curatoren begroot op EUR 11.489,50 aan verschotten en aan salaris;
5.5
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. Tubben en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2009.