Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/I.4.2.1:I.4.2.1 Overzicht
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/I.4.2.1
I.4.2.1 Overzicht
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460175:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het eerste onderdeel van de hoofdvraag valt uiteen in drie deelvragen:
Welke soorten normen zijn relevant voor de milieubelastende activiteiten van ondernemingen?
Onder welke voorwaarden overtreedt een leidinggevende in bedrijfscontext een milieunorm?
Onder welke voorwaarden kan een leidinggevende worden gesanctioneerd wegens een milieuovertreding?
Deze drie deelvragen komen overeen met de drie stappen die moeten worden gezet voor de vaststelling van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Dit geldt voor ieder rechtsgebied, daarom zal ik zowel in het strafrechtelijke, bestuursrechtelijke als in het privaatrechtelijke hoofdstuk deze vragen beantwoorden.
Deelvraag 1 tot en met 3 zijn descriptief/interpretatief van aard. Descriptief, want de beantwoording ervan vraagt om het beschrijven van de stand van het recht aan de hand van wetgeving, jurisprudentie, parlementaire geschiedenis en juridische literatuur. Interpretatief, omdat de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden nog geen uitgekristalliseerd rechtsgebied is – en dan is nadere interpretatie nodig. Soms bestaan er in de literatuur of jurisprudentie verschillende opvattingen naast elkaar of vergt een bepaald leerstuk nadere concretisering. Met gebruik van de verschillende rechtswetenschappelijke interpretatiemethoden tracht ik dan een oplossing te vinden met een passende dogmatische onderbouwing. Kortom, het eerste onderdeel van mijn onderzoeksvraag vergt klassiek juridisch-dogmatisch onderzoek. Hieronder in paragraaf I.4.2.2-I.4.2.4 werk ik per deelvraag kort uit hoe ik tot mijn antwoord kom en ga ik nader in op de methodologie.
Zoals eerder gezegd breng ik niet alleen de vereisten voor strafrechtelijke, bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke milieuaansprakelijkheid in kaart, maar beoordeel ik ook of er aanleiding bestaat om leidinggevenden aanvullende bescherming te bieden tegen deze aansprakelijkheid. Met ‘aanvullende bescherming’ bedoel ik een uitzonderingspositie voor de bestuurder waarbij een hogere aansprakelijkheidsdrempel wordt toegepast naast of in plaats van de gewone aansprakelijkheidsregels, bijvoorbeeld in de vorm van een gekwalificeerd opzetvereiste of een aanvullende verwijtbaarheidstoets. De evaluatieve component van de hoofdvraag valt uiteen in twee deelvragen:
Welke argumenten bestaan er vóór- en tegen de aanvullende bescherming van leidinggevenden tegen persoonlijke aansprakelijkheid?
Kunnen de gebezigde argumenten rechtvaardigen dat leidinggevenden aanvullend worden beschermd tegen milieuaansprakelijkheid?
Deze deelvragen hebben een verklarend/evaluatief karakter. Aan de hand van de argumenten uit de literatuur en jurisprudentie met betrekking tot de aansprakelijkheid van bestuurders of andere leidinggevenden probeer ik te verklaren waarom in de bestudeerde rechtsgebieden (g)een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime wordt toegepast (of waarom daartoe wordt opgeroepen). Vervolgens zal ik na een afweging van de vóór- en tegenargumenten me erover uitlaten of de aanvullende bescherming van leidinggevenden tegen (milieu)aansprakelijkheid gerechtvaardigd is. In paragraaf I.4.2.5-I.4.2.6 licht ik de deelvragen verder toe.
Hoewel ik in ieder hoofdstuk dezelfde deelvragen stel, roept de beantwoording ervan in ieder rechtsgebied weer nieuwe, uiteenlopende vragen op. Zoals ik hierna nader toelicht in paragraaf I.7, heeft ieder hoofdstuk dan ook zijn eigen benadering en eigen accenten. Zo ligt in het privaatrechtelijke hoofdstuk de nadruk op de vraag welk aansprakelijkheidsregime van toepassing is bij de milieuaansprakelijkheid van bestuurders, draait het strafrechtelijke hoofdstuk om het uitdiepen van algemene daderschapsleerstukken en de toepassing daarvan in milieukwesties, en staat het bestuursrechtelijke hoofdstuk in het teken van de overgang naar een nieuw overtredersbegrip en de adressering van een aantal belangrijke bestuursrechtelijke milieuvoorschriften. In de inleidingen van deze drie hoofdstukken sta ik stil bij de vertaalslag van de deelvragen naar de inhoud van het betreffende hoofdstuk.