HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:210.
HR, 04-06-2019, nr. 18/01088
ECLI:NL:HR:2019:837
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-06-2019
- Zaaknummer
18/01088
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:837, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 04‑06‑2019; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:168
ECLI:NL:PHR:2019:168, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑04‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:837
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑08‑2018
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2019-0254
JERF Actueel 2019/171
JERF Actueel 2019/127
Uitspraak 04‑06‑2019
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedragen onder inmiddels overleden echtgenoot van klaagster t.z.v. verdenking van witwassen, terwijl klaagster (erfgename van gewezen verdachte) stelt dat geldbedragen haar in eigendom toebehoren. Welk strafvorderlijk belang bestaat bij voortduring beslag gelet op overlijden van gewezen verdachte? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:19 m.b.t. toepasselijke maatstaf wanneer ander dan beslagene, stellende dat inbeslaggenomen voorwerpen haar in eigendom toebehoren, zich bij Hof beklaagt over voortduring van beslag en uitblijven van last tot teruggave aan haar. Hof heeft met zijn oordeel dat "- gelet op de inhoud van het dossier over de verdachte herkomst van het geld en de ongeloofwaardige verklaringen van de gewezen verdachte daarover - [er] nog steeds een strafvorderlijk belang [is] dat het geld niet wordt teruggegeven" klaarblijkelijk tot uitdrukking gebracht dat belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van inbeslaggenomen geldbedragen. Dat oordeel is, mede gelet op ’s Hofs vaststelling dat in strafzaak tegen echtgenoot van klaagster OM n-o is verklaard in vervolging van verdachte i.v.m. overlijden van echtgenoot, zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met ECLI:NL:HR:2015:210 (strafzaak tegen echtgenoot van klaagster).
Partij(en)
4 juni 2019
Strafkamer
nr. S 18/01088 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 4 december 2017, nummer AVNR 000737-17, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar het GerechtshofArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel keert zich tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift.
2.2.
Het Hof heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en heeft daartoe het volgende overwogen:
"Het hof heeft gezien het (...) ingekomen klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klaagster] ,
(...)
als erfgename van de gewezen verdachte:
[verdachte] ,
(...)
hierna te noemen klaagster,
(...), strekkende tot teruggave van een tweetal geldbedragen, te weten € 51.720,-- en $ 30.250,--, welke geldbedragen deel uitmaken van het onder[verdachte] gelegde beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering.
(...)
1. In de strafzaak tegen verdachte [verdachte] is op 24 augustus 2010 op Schiphol beslag gelegd op een tweetal geldbedragen, te weten van € 51.720,--
en $ 30.250,--.
(...)
3. Het hof is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat klaagster kan worden aangemerkt als erfgename van [verdachte] .
(...)
5. [verdachte] is op 13 december 2010 door de rechtbank Haarlem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest en het inbeslaggenomen geld is verbeurd verklaard. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. Bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 27 maart 2013 is het vonnis van de rechtbank vernietigd en is verdachte [verdachte] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden en 2 (twee) weken en is het in beslag genomen, nog niet teruggegeven geld verbeurd verklaard. Tegen het arrest van het hof is beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2015 is het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd in verband met de nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep en teruggewezen naar het hof om opnieuw te berechten en af te doen. Bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 27 februari 2017 is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging in verband met het overlijden van verdachte [verdachte] .
(...)
7. Ondanks de omstandigheid dat het openbaar ministerie in de strafzaak niet-ontvankelijk is verklaard in zijn strafvervolging en daarmee een onherroepelijke einde aan de zaak is gekomen, is er - gelet op de inhoud van het dossier over de verdachte herkomst van het geld en de ongeloofwaardige verklaringen van de gewezen verdachte daarover - nog steeds een strafvorderlijk belang dat het geld niet wordt teruggegeven. Het hof zal dan ook het klaagschrift ongegrond verklaren."
2.3.
Het Hof heeft vastgesteld dat onder de gewezen verdachte [verdachte] op grond van art. 94 Sv beslag is gelegd op de in het klaagschrift genoemde geldbedragen die volgens de klaagster aan haar in eigendom toebehoren, omdat zij erfgename van de gewezen verdachte is. In deze zaak doet zich dus het geval voor dat een ander dan de beslagene, stellende dat de inbeslaggenomen voorwerpen haar in eigendom toebehoren, zich bij het Hof beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan haar. In een zodanig geval dient de rechter
( a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee,
( b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de klager indien deze redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. (Vgl. HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:19, rov. 2.3.) Het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave wanneer het inbeslaggenomen voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen.
2.4.
Het Hof heeft met zijn oordeel dat "- gelet op de inhoud van het dossier over de verdachte herkomst van het geld en de ongeloofwaardige verklaringen van de gewezen verdachte daarover - [er] nog steeds een strafvorderlijk belang [is] dat het geld niet wordt teruggegeven" klaarblijkelijk tot uitdrukking gebracht dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen. Dat oordeel is, mede gelet op de vaststelling van het Hof dat in de strafzaak tegen [verdachte] het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de verdachte in verband met het overlijden van die [verdachte], zonder nadere motivering niet begrijpelijk.
2.5.
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2019.
Conclusie 09‑04‑2019
Inhoudsindicatie
Cag over beklag ex art. 552a door erfgenaam van overleden verdachte. Vraag of nog strafvorderlijk belang bij voortduren van het beslag aanwezig is nadat de strafzaak tegen de verdachte is geëindigd in niet-ontvankelijkheid van het OM.
Nr. 18/01088 B Zitting: 9 april 2019 | Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [klaagster] |
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 4 december 2017 het door de klaagster ingediende klaagschrift, strekkende tot teruggave van een tweetal geldbedragen van € 51.720,- en $ 30.250,-, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat de ongegrondverklaring van het beklag onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed, nu niet duidelijk is welk strafvorderlijk belang bestaat bij voortduring het beslag op de geldbedragen gelet op het overlijden van de gewezen verdachte.
3.1. Uit de gedingstukken blijkt de volgende voorgeschiedenis van deze beklagzaak. [verdachte] is op 13 december 2010 door de rechtbank Haarlem veroordeeld tot 5 maanden gevangenisstraf, met verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen geldbedragen. In hoger beroep heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, op 27 maart 2013 het strafvonnis vernietigd en de gewezen verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en 2 weken en – eveneens – verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geld. Tegen het arrest van het hof is cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 3 februari 2015 het bestreden arrest vernietigd vanwege een verzuim met betrekking tot de betekening van de appeldagvaarding en de strafzaak teruggewezen.1.Voordat het gerechtshof zich opnieuw ten gronde kon uitspreken over de zaak, is de verdachte overleden. Om die reden heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem op 27 februari 2017 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging.
3.2. Klaagster was getrouwd met de gewezen verdachte en is zijn erfgename. Zij heeft op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift ingediend die strekt tot teruggave van de bij de gewezen verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 51.720,- en $ 30.250,-.
3.3. Het proces-verbaal van de behandeling van de raadkamer houdt het volgende in:
“De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:
Tegen mijn cliënt, [verdachte] , heeft hier bij het hof een strafzaak gediend. Hij is inmiddels overleden. Het openbaar ministerie is in verband hiermee niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging, De echtgenote van [verdachte] , te weten [klaagster] , heeft zich als klaagster tot uw hof gewend met een verzoek om teruggave van onder [verdachte] op Schiphol inbeslaggenomen geldbedragen. Ik heb enkele stukken - zoals onder meer aktes - aan het hof doen toekomen die aantonen dat de zij als erfgename valt aan te merken. Ik verzoek het hof dan ook om [klaagster] als erfgename van [verdachte] aan te merken.
In de strafzaak tegen [verdachte] zijn destijds door de verdediging bewijsstukken aangedragen om zijn onschuld aan te tonen. Er is toen tevens aan de rechter-commissaris verzocht om een tweetal getuigen te horen over de herkomst van het inbeslaggenomen geld. Daaraan is geen gevolg gegeven.
De echtgenote, [klaagster] , is tijdens het opsporingsonderzoek wel naar Nederland gekomen en heeft in september 2010 tegenover de verbalisanten van de FIOD een verklaring afgelegd. Zij heeft onder meer verklaard over het inbeslaggenomen geld. Zij heeft destijds daarover onder meer verklaard dat haar man vaker met grote sommen geld reisde en geld wisselde voor bepaalde doeleinden.
De strafzaak is - nadat er een cassatie beroep tegen de veroordeling van [verdachte] ingesteld - door de Hoge Raad naar het hof Arnhem-Leeuwarden teruggewezen om op het bestaande hoger beroep te berechten en af te doen. Het openbaar ministerie is door het hof bij arrest van 27 februari 2017 niet-ontvankelijk verklaard in verband met het overlijden van [verdachte] .
De advocaat-generaal deelt mee, zakelijk weergegeven:
Ik zal mij refereren aan het oordeel van het hof met betrekking tot het aanmerken van klaagster als erfgename van [verdachte] . Mijn ambtgenoot heeft in deze beklagprocedure een advies uitgebracht. Ik blijf bij dat advies. In deze zaak was sprake van een veroordelend vonnis van de rechtbank. Het vonnis was uitvoerig gemotiveerd. Door een tussentijds overlijden van [verdachte] is de zaak uiteindelijk - na een omweg via de Hoge Raad - niet ter berechting bij het hof terechtgekomen. Het standpunt van het openbaar ministerie blijft dat er in de strafzaak voldoende bewijs voorhanden was en dat - gelet op de inhoud van het dossier - er nog steeds een strafvorderlijk belang aanwezig is om het inbeslaggenomen geld niet terug te geven. Het ingediende beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:
Op zich is het wel juist dat de verklaring die [verdachte] destijds op Schiphol heeft afgelegd op een stroeve wijze tot stand is gekomen. Op de vraag hoeveel geld hij bij zich had heeft hij toen enigszins wisselend verklaard. Daar staat tegenover dat zijn echtgenote consistent heeft verklaard over de herkomst van het geld. Er bestaat geen link met witwaspraktijken De getuigen die de verdediging in de strafzaak wilde horen zijn afgewezen.
De gehele rechtsgang in de zaak heeft veel tijd in beslaggenomen, mede doordat het meermalen mis is gegaan met de oproepingen van [verdachte] . [verdachte] is in de tussentijd noodlottig overleden. Hij heeft de hoger beroep instantie gemist en heeft zich niet kunnen verweren en is met in staat geweest om zijn onschuld aan het hem tenlastegelegde aan te tonen.”
3.4. De bestreden beschikking van het hof luidt, voor zover van belang, als volgt:
“7. Ondanks de omstandigheid dat het openbaar ministerie in de strafzaak niet-ontvankelijk is verklaard in zijn strafvervolging en daarmee een onherroepelijke einde aan de zaak is gekomen, is er - gelet op de inhoud van het dossier over de verdachte herkomst van het geld en de ongeloofwaardige verklaringen van de gewezen verdachte daarover - nog steeds een strafvorderlijk belang dat het geld niet wordt teruggegeven. Het hof zal dan ook het klaagschrift ongegrond verklaren.”
3.5. Het hof heeft aldus het beklag ongegrond verklaard en daaraan ten grondslag gelegd dat er gelet op de inhoud van het dossier over de verdachte herkomst van het geld en de ongeloofwaardige verklaringen van de gewezen verdachte daarover, nog steeds een strafvorderlijk belang is dat het geld niet wordt teruggegeven. Door de steller van het middel wordt geklaagd dat het hof daarmee niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het nog steeds een strafvorderlijk belang aanwezig acht. Daarbij wordt gewezen op de onmogelijkheid om het geld verbeurd te verklaren of het geld aan het verkeer te onttrekken.
3.6. Het overlijden van een persoon die betrokken is in strafrechtelijke procedures, leidt ertoe dat er een punt achter deze procedures wordt gezet. Ook de executie van de straffen en maatregelen komen hiermee in beginsel tot een einde. Wel blijft het recht tot tenuitvoerlegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in stand.2.Wat betreft het recht tot strafvordering bepaalt art. 69 Sv dat dit recht vervalt door de dood van de verdachte. Voor de beslagprocedure zijn geen specifieke regelingen getroffen indien een klager overlijdt. De Hoge Raad neemt om die reden aan dat het beklag door het overlijden wordt geacht te zijn vervallen.3.
3.7. Bij de beoordeling van een beklag tegen een beslag als bedoeld in art. art. 94 Sv geldt als maatstaf of het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet.4.Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. In dit artikel worden het belang van de waarheidsvinding genoemd5.en het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich ook tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
3.8. In zijn beschikking heeft het hof geoordeeld dat er nog steeds een strafvorderlijk belang is om het in beslag genomen geld niet terug te geven. Welk in art. 94 Sv belang gediend is bij het beslag, wordt echter niet verduidelijkt. Ook de toelichting van de advocaat-generaal in de raadkamer geeft hieromtrent geen uitsluitsel. Het hof verwijst enkel naar de verdachte herkomst van het geld en de ongeloofwaardige verklaringen die de gewezen verdachte hierover heeft gegeven, maar daarmee is een strafvorderlijk belang nog niet gegeven. Als het hof het oog had op de waarheidsvinding, behoeft dit nadere motivering aangezien de strafzaak tegen de gewezen verdachte tot een einde is gekomen door diens overlijden en uit de beschikking niet blijkt dat er anderen betrokken waren bij het ten laste gelegde witwassen.6.Verbeurdverklaring van de in beslag genomen geldbedragen is daarnaast niet meer mogelijk. Een verbeurdverklaring als bijkomende (vermogens)straf kan namelijk enkel worden uitgesproken bij veroordeling ter zake van een strafbaar feit, hetgeen vanwege het overlijden niet meer mogelijk is.7.Het overlijden van de verdachte staat er daarentegen niet aan in de weg voor het Openbaar Ministerie om een vordering tot onttrekking aan het verkeer zoals bedoeld in art. 36b lid 1 aanhef, sub 4 Sr in te dienen, waarop een afzonderlijke rechterlijke beschikking wordt gegeven.8.Geld als wettig betaalmiddel is volgens de Hoge Raad echter, ongeacht de herkomst en/of de bestemming ervan en ongeacht aan wie het toebehoort, niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.9.Een dergelijk strafvorderlijk belang is met het beslag op het geld dan ook niet gediend. Dan rest de mogelijkheid dat het beslag op het geldbedrag rust om wederrechtelijk voordeel aan te tonen. Nog los van de omstandigheid dat witwassen niet automatisch meebrengt dat de betrokkene ook daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, brengt het overlijden van de verdachte mee dat het recht tot strafvordering is komen vervallen.10.Ook dit in art. 94 Sv genoemde belang komt derhalve niet in beeld.
3.9. Gelet op het voorgaande behoeft het nadere motivering waarom het hof van oordeel is dat er nog steeds een strafvorderlijk belang aanwezig is om het inbeslaggenomen geld niet terug te geven. Dat het Openbaar Ministerie vanwege de mogelijk dubieuze herkomst van het geld dit niet wil teruggeven aan de erfgename is op zichzelf begrijpelijk, maar het in stand houden van het beslag zonder dat duidelijk is welk strafvorderlijk doel daarmee beoogd wordt, is daarvoor niet de geëigende route.
3.10. Daarbij merk ik ten overvloede op dat een gegrondverklaring van het klaagschrift niet automatisch betekent dat het geld ook in handen komt van de erfgename. Indien geoordeeld wordt dat voor het beslag geen goede grond meer is, staat dit niet eraan in de weg dat het beslag door een tweede beslag wordt gevolgd ten laste van de klaagster.11.Daarvoor zal er wel een (nieuw) strafvorderlijk belang moeten zijn. Een dergelijk belang kan bijvoorbeeld zijn gelegen in een – nieuwe – verdenking van witwassen. Aanvaarding van de nalatenschap door een erfgenaam kan namelijk het voorhanden hebben in de zin van art. 420bis lid 2 Sr (witwassen) opleveren, zo blijkt uit HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712, NJ 2006/612 m.nt. Borgers (rov. 8.4). Wel brengt volgens de Hoge Raad redelijke wetsuitleg mee dat het voorhanden hebben van die goederen door de erfgenaam niet steeds zal kunnen worden gekwalificeerd als witwassen in de zin van art. 420bis Sr. De Hoge Raad heeft hierover overwogen:
“Dit geval kan zich in het bijzonder voordoen indien een erfgenaam die reeds bij de aanvaarding weet dat de nalatenschap een of meer goederen bevat die afkomstig zijn uit enig misdrijf, niet het oogmerk heeft de feitelijke zeggenschap daarover te gaan uitoefenen. Het ontbreken van dat oogmerk zou daaruit kunnen blijken dat de erfgenaam - al dan niet door tussenkomst van de notaris - onverwijld heeft gemeld aan de politie of de officier van justitie dat de nalatenschap zodanige goederen omvat en tevens die goederen ter beschikking heeft gesteld en gehouden van de Staat. Hetzelfde geldt indien de wetenschap omtrent de herkomst van de nalatenschap eerst is opgekomen na de aanvaarding van de nalatenschap en de erfgenaam daarna insgelijks heeft gehandeld.”
3.11. Wat daar ook van zij, het oordeel van het hof dat er nog steeds een strafvorderlijk belang is dat het geld niet wordt teruggeven, acht ik onvoldoende met redenen omkleed. Het middel slaagt dan ook.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑04‑2019
HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:899.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.8. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord, dient de rechter de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Dit kan ook een andere zaak betreffen dan de klager. Vgl. HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2496.
Ook uit de behandeling van de strafzaak in cassatie blijkt niet van enige betrokkenheid van anderen. Zie HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:210.
HR 6 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4430, NJ 2002/173. Zie ook Kamerstukken II 1954/55, 4 034, nr. 3, p. 11.
Zie HR 8 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7626, NJ 2007/437, rov. 3.5.1 en HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712, rov. 9.2.
HR 17 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0760, DD 1997/303.
Vgl. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3564, NJ 2008/113.
Beroepschrift 22‑08‑2018
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
Geeft eerbiedig te kennen:
Mevrouw [rekwirante], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1962, hierna: rekwirante in cassatie, woonplaats kiezende te 1054 JL Amsterdam, Overtoom 323, ten kantore van mr. drs. O.O. van der Lee, als erfgename van de gewezen verdachte [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1958;
Rekwirante deed op 18 december 2017 beroep in cassatie aantekenen tegen de beslissing ex artikel 552a Sv van het gerechtshof Arnhem Leeuwarden, locatie Arnhem, van 4 december 2018, onder parketnummer 21-002659-15 en AV-nummer 000737-17, welk cassatieberoep bij Uw Raad bekend is onder nummer S 18/01088 B.
Rekwirant draagt het volgende middel van cassatie voor:
Middel I
Het recht is geschonden en/of vormen zijn verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder moet het ervoor worden gehouden dat de beslissing van het Hof tot ongegrondverklaring van het beklag onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen omkleed, nu niet duidelijk is op welke gronden het Hof meent dat nog steeds een strafvorderlijk belang bestaat bij continuering van de in beslag genomen gelden, nu verbeurdverklaring, gezien de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de strafzaak vanwege het overlijden van de gewezen verdachte, noch onttrekking aan het verkeer mogelijk is.
Toelichting:
Onder de gewezen verdachte is op grond van artikel 94 Sv op 24 augustus 2010 een geldbedrag in beslag genomen ter hoogte van € 51.720,- en $ 30.250,-.
Bij vonnis van de rechtbank Haarlem is de gewezen verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf en zijn de inbeslaggenomen gelden verbeurdverklaard. De gewezen verdachte is hiervan in beroep gekomen en zijn zaak is vervolgens in afwezigheid van de verdachte behandeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem. Dit leidde tot het arrest van 27 maart 2013, waarbij eveneens is veroordeeld tot gevangenisstraf en de inbeslaggenomen gelden verbeurd zijn verklaard. Uw Hoge Raad heeft dit arrest niet in stand gelaten en vernietigde dit bij uw arrest van 3 februari 2015, vanwege het feit dat sprake was van een onrechtmatigheid bij de dagvaarding hoger beroep. De zaak is vervolgens teruggewezen naar het Hof Arnhem-Leeuwarden. Voordat deze de zaak opnieuw kon behandelen is echter de gewezen verdachte komen te overlijden en als gevolg hiervan is het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard in de strafvervolging.
Vervolgens heeft rekwirante in cassatie, als erfgename, uit hoofde van artikel 552a Sv verzocht om teruggaaf van de gelden.
Dit verzoek is afgewezen bij beslissing van 4 december 2017. Het hof overweegt in dit kader het volgende:
Ondanks de omstandigheid dat het openbaar ministerie in de strafzaak niet-ontvankelijk is verklaard in zijn strafvervolging en daarmee een onherroepelijke einde aan de zaak is gekomen, is er -gelet op de inhoud van het dossier over de verdachte herkomst van het geld en de ongeloofwaardige verklaring van de gewezen verdachte daarover — nog steeds een strafvorderlijk belang dat het niet wordt teruggeven. Het hof zal dan ook het klaagschrift ongegrond verldaren.
Het hof maakt daarmee niet inzichtelijk waarom zij nog steeds een strafvorderlijk belang aanwezig acht. Dit klemt temeer nu sprake is van een beslag uit hoofde van artikel 94 Sv en het strafvorderlijk belang met de niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte niet langer aanwezig kan worden geacht in de waarheidsvinding of om wederrechtelijk voordeel aan te tonen. Voorts kan dit strafvorderlijke belang ook niet gelegen zijn in een mogelijke verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. Verbeurdverklaring kan immers eerst aan de orde komen bij veroordeling wegens enig strafbaar feit (artikel 33 Sr). Daar van is geen sprake en kan ook geen sprake meer zijn na de niet-ontvankelijk van het openbaar ministerie. Onttrekking aan het verkeer is ook niet aan de orde, nu de inbeslaggenomen voorwerpen gelden zijn. Gelden betreffen immers voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijze te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard in strijd is met de wet of het algemeen belang. Rekwirante in cassatie verwijst in dit kader naar uw arrest van 8 maart 2005, NJ 2007, 437, waarin uw raad hierover oordeelde.
Dit betekent dat de beslissing onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen omkleed.
Dit schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. drs. O.O. van der Lee, advocaat te (1054 JL) Amsterdam, aldaar kantoorhoudend aan de Overtoom 323, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant in cassatie.
Amsterdam, 22 augustus 2018
O.O. van der Lee