Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.3.6.2
3.3.6.2 Levering constituto possessorio (art. 3:90 lid 2 BW)
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS473183:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:90 lid 1 BW.
Onder ‘ouder recht’ in de zin van art. 3:90 lid 2 BW worden begrepen de eigendom van de zaak en beperkte rechten daarop, aldus MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 385. Het is de vraag of ook voorrechten op de zaak hieronder vallen. In bevestigende zin: MvA II Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 219; en NvV 2 Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1236. In ontkennende zin: MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 385-386. Het ligt m.i. niet voor de hand om de regeling zo ruim uit te leggen. In vergelijkbare zin: Reehuis 2004/57. Het algemeen voorrecht van de ontvanger ex art. 21 Iw is in ieder geval geen ‘ouder recht’ in de zin van art. 3:90 lid 2 BW. Zie HR 20 februari 2009, JOR 2009/120, m.nt. C. Rijckenberg, NJ 2009/376, m.nt. A.I.M. van Mierlo (Ontvanger/De Jong).
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 384. Vgl. de art. 3:111, 3:113 lid 2 en 3:117 lid 2 BW waaraan dezelfde gedachte ten grondslag ligt.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 382.
Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p, 386.
70. De levering van roerende zaken, niet-registergoederen, geschiedt door bezitsverschaffing.1 Het bezit van de zaak kan mede worden verschaft door middel van een constitutum possessorium, dat wil zeggen een tweezijdige verklaring waarbij de vervreemder die de zaak bezit haar krachtens een bij de levering gemaakt beding voortaan voor de verkrijger gaat houden.2 De levering constituto possessorio is aldus een geldige wijze om overdracht van een roerende zaak te bewerkstelligen. Niettemin wordt de werking van een levering c.p. beperkt door art. 3:90 lid 2 BW: blijft de zaak na de levering in handen van de vervreemder, dan werkt de levering tegenover een derde die een ouder recht op de zaak heeft, eerst vanaf het tijdstip dat de zaak in handen van de verkrijger is gekomen, tenzij de oudere gerechtigde met vervreemding heeft ingestemd.3 De ratio van deze regeling is de gedachte dat men een recht op een zaak die zich onder een ander bevindt, niet te gemakkelijk en niet-waarneembaar aan een derde moet kunnen verliezen.4
De relativering van de werking van het constitutum possessorium staat niet in de weg aan de overgang van de eigendom naar de verkrijger.5 De zaak wordt verkregen door de verkrijger en maakt onderdeel uit van zijn vermogen. De levering van de zaak is geldig, doch zij kan niet worden tegengeworpen aan de oudere gerechtigde. Derden die hun rechten op de zaak ontlenen aan de verkrijger kunnen aldus de gevolgen van de relativering ondervinden. De oudere gerechtigde kan immers, zolang de relativering voortduurt, zijn rechten op de zaak vervolgen. Zo kan de verkrijger van de zaak ten opzichte van de oudere gerechtigde geen beroep doen op bescherming tegen (beperkte) beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder ex art. 3:86 BW.6