Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/59.5
59.5 De inzet van de amicus curiae
prof. mr. J.C.A. de Poorter, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. J.C.A. de Poorter
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 393, tweede lid, Rv resp. 27gc, tweede lid, AWR.
Per 3 juli 2018 ligt dit wetsvoorstel ter consultatie voor. Zie https://www.internetconsultatie.nl/instituutmijnbouwschadegroningen.
ABRvS 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1449 en ABRvS 16 maart 2018, ECLI:NL: RVS:2018:903. In de derde zaak was op het moment van afronding van deze bijdrage nog geen uitspraak gedaan. Wel is in die zaak reeds een conclusie genomen door staatsraad advocaat-generaal Widdershoven op 22 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3557.
Het evaluatieonderzoek uitgevoerd door een onderzoeksgroep van Tilburg Law School onder leiding van ondergetekende naar de inzet van de amicus curiae door de Raad van State is op het moment van afronding van deze bijdrage nog niet gepubliceerd: J.C.A. de Poorter, L.A. van Heusden en C.J. de Lange, De amicus curiae geëvalueerd. Over de eerste indrukken van de inzet van de amicus curiae in procedures voor de Afdeling bestuursrechtspraak, Den Haag: Raad van State 2018. Zie tevens J.C.A. de Poorter en L.A. van Heusden, De amicus curiae in procedures voor de ABRvS (preadvies voor Nederlandse Vereniging voor Procesrecht), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2018 (evenmin verschenen bij afronding van deze bijdrage).
Het vroegtijdig identificeren, structureren, coördineren en clusteren van op elkaar lijkende zaken is één manier om het bovenindividuele perspectief in procedures voor de hoogste bestuursrechters te betrekken. Een andere manier om dat te doen is om ‘derden’ onder omstandigheden de gelegenheid te bieden om ‘in te spreken’. Zoals de wetgever bij het tot stand brengen van nieuwe wetgeving gebruik maakt van (internet)consultaties, zo zijn op dit moment ook rechters mondjesmaat ervaring aan het opdoen met de consultatie van derden. In de Awb kennen we al langere tijd artikel 8:45a dat de Europese Commissie en de Autoriteit Consument en Markt de mogelijkheid biedt schriftelijke en mondelinge opmerkingen te maken in procedures over de toepassing van het communautaire mededingingsrecht. En in het kader van de prejudiciële procedure voor de Hoge Raad hebben nu ook de civiele en de belastingkamer van de Hoge Raad de bevoegdheid om anderen dan partijen de gelegenheid te bieden schriftelijke inlichtingen te verstrekken.1 Inmiddels is in artikel 18 van het voorstel voor een Wet Instituut mijnbouwschade Groningen ook een mogelijkheid voor de ABRvS opgenomen om de amicus curiae in te schakelen in het kader van de in artikel 17 van dat voorstel voorziene prejudiciële procedure.2 De ABRvS heeft overigens recent in een drietal zaken reeds zogenaamde ‘meedenkers’ ingeschakeld.3 Zij deed dat op grondslag van artikel 8:45 Awb dat de rechter de bevoegdheid geeft om anderen dan partijen te verzoeken schriftelijk inlichtingen te geven.
De consultatie van deze derden door de rechter dient een tweeledig doel. Het gaat er enerzijds om de transparantie en daarmee de legitimiteit van het proces van rechtsvorming te vergroten en anderzijds bij te dragen aan de kwaliteit van de rechtsontwikkeling. Als betrokkenen vroegtijdig de gelegenheid krijgen om mee te denken, leidt dat mogelijk tot de vorming van recht dat nog beter is toegesneden op de praktijk waarin het uiteindelijk zijn effect moet hebben. De tweeledige doelstelling – bevordering van kwaliteit en legitimiteit – bepaalt ook de hoedanigheid van de amicus. De amicus is geen procespartij met bijbehorende procedurele rechten, maar hij is evenmin een onafhankelijk deskundige. De omstandigheid dat de amicus niet uitsluitend wordt ingeschakeld om voor te lichten over de macro-gevolgen van de uitspraak, maar ook tot doel heeft om de legitimiteit van de rechterlijke uitspraak te versterken, maakt dat de inlichtingen niet noodzakelijkerwijs vanuit een onafhankelijke en onpartijdige positie dienen te worden verstrekt. Vaak zal het gaan om individuen of organisaties die juist op enigerlei wijze belang hebben bij de gevolgen die de beslissing in de voorliggende zaak heeft voor volgende, toekomstige zaken.
De eerste ervaringen met de amicus curiae lijken tot tevredenheid te stemmen. Over een aantal, met name processuele aspecten zijn we echter nog niet uitgedacht. Dat betreft bijvoorbeeld de wijze van uitnodigen: moet dat gebeuren door middel van een openbare consultatie of door het gericht aanzoeken van één of enkele amici. Ik meen dat het belang van het versterken van de legitimiteit van de rechterlijke rechtsvorming ertoe zou moeten leiden dat openbare consultatie het uitgangspunt is en dat je daarnaast altijd bepaalde personen in het bijzonder kunt uitnodigen van wie je zeker een reactie wilt. Een ander aspect betreft de openbaarheid van de amici brieven. Ik zou er voor zijn om de door amici verstrekte inlichtingen integraal te publiceren op de site. Dit draagt bij aan de transparantie van het proces van rechtsvorming – de samenleving heeft het recht te weten op wat voor soort informatie de rechter zich baseert – en het werpt mogelijk ook een drempel op tegen al te eenzijdige of zo men wil: partijdige voorlichting door de amici.4
Deze processuele aspecten kunnen heel wel in de praktijk van de ABRvS worden opgelost. Om een beter zicht te krijgen op de werking van het instrument lijkt het mij aangewezen dat het experiment met de amicus curiae een vervolg verdient.