Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/75
75 Internationale aspecten
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS455808:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Het Haags Bewijsverdrag 1970 (Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en handelszaken van 18 maart 1970, Trb. 1979, 38; Uitvoeringswet van 11 december 1980, Stb. 1980, 653) is tussen Nederland en een groot aantal niet-lidstaten van toepassing, waaronder de Verenigde Staten. Het Bewijsverdrag kent verkrijging van bewijs via rogatoire commissies (art. 1-4 Bewijsverdrag) en door diplomatieke of consulaire ambtenaren en door commissarissen (art. 15-22 Bewijsverdrag). Het voorlopig getuigenverhoor valt onder de reikwijdte van het Bewijsverdrag, omdat het Bewijsverdrag in art. 1 lid 2 bepaalt dat het te verkrijgen bewijs moet “dienen tot gebruik in een reeds aanhangige of in een toekomstige procedure”. Asser Procesrecht/Asser 3 2013/21; Pitlo/Rutgers/Krans 2014, nr. 135; Rutgers (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 186, aant. 6A. Als geen internationale regels van toepassing zijn, gelden de Nederlandse rechtsmachtregels. Voor het voorlopig getuigenverhoor geldt art. 3 Rv, omdat dat artikel volgens de wetgever van toepassing is op verzoekschriftprocedures waarop titel 1.3 Rv van toepassing is. PG Herziening Rv 2002, p. 89; Rb. Rotterdam 27 mei 2008, ECLI:NL:RBROT:2008: BD7456.
Verdrag van 30 oktober 2007, PbEU 2007, L 339 (Verdrag van Lugano).
De vraag naar de rechtsmacht is alleen aan de orde als een zaak internationale aspecten kent, bijvoorbeeld als partijen in verschillende landen wonen. Voor de praktijk is vooral van belang of op basis van regelgeving van de Europese Unie een voorlopig getuigenverhoor kan worden gehouden in Nederland of in een andere lidstaat. Dit hoofdstuk beperkt zich dan ook tot die vraag.1 Hetgeen in deze paragraaf wordt opgemerkt over de EEX-Vo (Ibis) geldt ook voor het vrijwel gelijkluidende EVEX, dat geldt tussen enerzijds de Europese Unie en anderzijds Noorwegen, IJsland en Zwitserland.2