Rechtsgevolgen van stille cessie
Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.3.4:10.3.4 Art. 3:94 lid 3 tweede zin BW
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.3.4
10.3.4 Art. 3:94 lid 3 tweede zin BW
Documentgegevens:
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590686:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
571. Bij de stille cessie kan de schuldenaar tot het moment van mededeling alle verweren tegen zijn oude schuldeiser inroepen op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW. Art. 6:145 BW blijft buiten beschouwing, zolang geen mededeling wordt gedaan aan de schuldenaar. Wordt mededeling gedaan aan de schuldenaar, dan kan de overgang van de vordering aan de schuldenaar worden tegengeworpen. Vanaf dat moment kan de schuldenaar zich zijnerzijds beroepen op de bescherming van art. 6:145 BW. De stille cessie laat derhalve de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet zoals die bestaan op het moment van mededeling: na mededeling kan de schuldenaar zijn op dat moment bestaande verweren jegens de cedent op grond van art. 3:94 lid 3 jo 6:145 BW voortaan inroepen jegens de cessionaris. Dat is voor de schuldenaar voordelig, omdat daardoor niet (alleen) de verweermiddelen die bestaan op het moment van overgang onder de bescherming van art. 6:145 BW vallen, maar (ook) de verweermiddelen die bestaan op het (latere) moment van mededeling.
Uit de twee voorgaande paragrafen volgt dat als de vordering overgaat anders dan door stille cessie, en door de nieuwe schuldeiser aan de oude schuldeiser een privatieve last tot inning wordt verleend, de overgang van de vordering en de uitoefening van de vordering door een ander dan de schuldeiser de (bestaande) verweermiddelen van de schuldenaar ook onverlet laten. De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW heeft ten aanzien van de op het moment van de stille cessie bestaande verweermiddelen in zoverre geen bijzondere betekenis. De toegevoegde waarde heeft betrekking op de verweermiddelen die ontstaan in de periode tussen de stille cessie en de mededeling. Op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW vallen ook deze verweermiddelen onder het bereik van art. 6:145 BW.
Op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW behoudt de schuldenaar tot het moment van mededeling ook zijn verweermiddelen, die hij anders op het moment van overgang zou verliezen. Bijvoorbeeld, is de schuldenaar met de schuldeiser een beding overeengekomen op grond waarvan bij de overgang van de vordering bepaalde verweermiddelen van de schuldenaar worden beperkt of uitgesloten (vgl. art. 6:236 aanhef en sub f BW), dan worden deze verweermiddelen op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW pas beperkt of uitgesloten op het moment van mededeling. Ook kan de stille cessionaris pas op het moment van mededeling een beroep doen op art. 3:36 BW. Van het redelijke vertrouwen bij de stille cessionaris dat nodig is voor het beroep op art. 3:36 BW, dient sprake te zijn op het moment van mededeling. Dit volgt uit de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW.1 Ook in dit opzicht geniet de schuldenaar bij een stille cessie meer bescherming dan hij zou hebben genoten bij een gewone overgang van de vordering gecombineerd met een privatieve last tot inning aan de oude schuldeiser. De schuldenaar zou in dat geval immers reeds op het moment van overgang zijn verweermiddelen krachtens het beding of door het beroep van de nieuwe schuldeiser op art. 3:36 BW verliezen. Doet de schuldenaar geen beroep op de beschermingsbepaling van art. 3:94 lid 3 BW, dan zijn de rechtsgevolgen van de stille cessie dezelfde als bij een gewone cessie met een privatieve last tot inning aan de oude schuldeiser.