Hof Arnhem-Leeuwarden, 13-07-2021, nr. 19/01120
ECLI:NL:GHARL:2021:6733
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
13-07-2021
- Zaaknummer
19/01120
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2021:6733, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 13‑07‑2021; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3022, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:GHARL:2021:790, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 26‑01‑2021; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3022
ECLI:NL:GHARL:2020:9074, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 03‑11‑2020; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3022
- Vindplaatsen
NLF 2021/1568
Viditax (FutD) 2021072303
FutD 2021-2341
FutD 2021-0417
Viditax (FutD) 2021020520
NLF 2020/2588
FutD 2020-3370
Viditax (FutD) 2020111318
Uitspraak 13‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Informatiebeschikking. Vragen met betrekking tot buitenlandse banktegoeden.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers 19/01120
uitspraakdatum: 13 juli 2021
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 juli 2019, nummer AWB 18/1548,
ECLI:NL:RBGEL:2019:3022, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Met dagtekening 16 november 2016 heeft de Inspecteur ten aanzien van belanghebbende een informatiebeschikking gegeven als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) voor op te leggen (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2003 tot en met 2014 (hierna: de informatiebeschikking).
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en belanghebbende een termijn gesteld van zes weken om alsnog de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de daarin verzochte informatie te verstrekken.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Bij tussenuitspraak van 3 november 2020 heeft de vierde meervoudige belastingkamer van het Hof als volgt beslist en iedere verdere beslissing aangehouden:
“De Inspecteur dient het ‘Memo Project Duitse Informatie ( [de bank] )’ als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen (zie overweging 4.11). Wanneer de Inspecteur daarbij een beroep doet op beperkte kennisneming, zal zowel een ‘geschoonde’ versie van dit memo als een ‘ongeschoonde’ versie ervan moeten worden overgelegd. De ‘geschoonde’ versie zal aan belanghebbende worden verstrekt, de ‘ongeschoonde’ versie niet. Het verzoek tot beperkte kennisneming van dit memo zal op een tweede zitting op 13 januari 2021 worden behandeld.
Met betrekking tot het memo Verhuld Vermogen is beperkte kennisneming als door de Inspecteur verzocht gerechtvaardigd, behoudens met betrekking tot de passages als vermeld in overweging 4.20. Met inachtneming daarvan dient de Inspecteur een nieuwe ‘geschoonde’ versie van het memo Verhuld vermogen aan het Hof over te leggen. Na ontvangst daarvan en doorzending aan belanghebbende, zal aan belanghebbende toestemming worden gevraagd als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb. Deze toestemming zal worden gevraagd nadat het Hof een beslissing heeft genomen over het verzoek tot beperkte kennisneming van het ‘Memo Project Duitse Informatie ( [de bank] )’. In het geval de beslissing van het Hof daartoe aanleiding geeft, zal het Hof aan belanghebbende immers wederom toestemming als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb moeten vragen. Bij het niet verlenen van bedoelde toestemming door belanghebbende zal de zaak naar een andere meervoudige kamer van het Hof worden verwezen ter verdere behandeling. Door toestemming voor (mogelijk) beide memo’s gelijktijdig te vragen beoogt het Hof de rechtsgang zo efficiënt mogelijk te laten verlopen.”
1.6.
De Inspecteur heeft aan deze tussenuitspraak voldaan en daarnaast aanvullende stukken ingebracht.
1.7.
Bij tussenuitspraak van 26 januari 2021 heeft de vierde meervoudige belastingkamer van het Hof bepaald dat beperkte kennisneming van het memo Project Duitse informatie ( [de bank] ) als door de Inspecteur is bepleit, gerechtvaardigd is en, wegens weigering van toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de zaak verwezen naar een andere meervoudige belastingkamer van het Hof ter verdere behandeling van de zaak.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021. Namens belanghebbende is verschenen zijn advocaat mr. [naam1] , bijgestaan door diens kantoorgenoot mr. [naam2] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [naam3] en mr. [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
2. Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende, geboren [geboortedatum] 1954, is gehuwd met [naam5] , geboren [geboortedatum] 1957. Hij is woonachtig in [Z] .
2.2.
Op 23 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Central Liaison Office (hierna: BD/CLO) in een groepsverzoek informatie opgevraagd bij de Zwitserse belastingdienst over rekeninghouders bij [de bank] (hierna: [de bank] ). De Zwitserse belastingdienst heeft op 22 september 2015 in het Bundesblatt een officiële aankondiging over het informatieverzoek gepubliceerd. BD/CLO heeft in december 2015 een usb-stick ontvangen met daarop 490 dossiers met gegevens betreffende Nederlandse bankrekeninghouders bij [de bank] (hierna: de usb-stick). Deze gegevens zijn afkomstig van [de bank] zelf. Het Zwitserse Bundesgericht heeft bepaald dat Zwitserland de gevraagde informatie met Nederland mocht delen.
2.3.
Een van de bestanden op de usb-stick betreft het dossier [nummer1] . De inhoud van dat dossier luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Account | |
Accountnumber | [nummer2] |
(…) | |
AccountBalanceOn2013-02-01 | CHF 185815.00 |
AccountBalanceOn2014-01-01 | CHF 197083.00 |
AccountBalanceOn2014-12-31 | n/a |
Person_1 | |
FirstName | [X] |
LastName | [X] |
DateOfBirth | 1954 [geboortedatum] |
(…) | |
DomicilieAdressLine4 | [adres] |
DomicilieAdressLine5 | [Z] |
DomicilieAdressLine6 | [Z] |
Person_ 2 | |
FirstName | [naam5] |
LastName | [naam5] |
DateOfBirth | 1957 [geboortedatum] |
(…) | |
DomicilieAdressLine4 | [adres] |
DomicilieAdressLine5 | [Z] |
DomicilieAdressLine6 | [Z] ” |
2.4.
Bij brief van 9 februari 2016 (hierna: het informatieverzoek) heeft de Inspecteur belanghebbende ermee geconfronteerd dat uit ter beschikking staande informatie naar voren komt dat belanghebbende (en/of zijn (fiscale) partner) houder is (geweest) van een bij [de bank] aangehouden bankrekening met nummer [nummer2] . Belanghebbende is verzocht om vragen te beantwoorden die in de bijlage “Verklaring vermogen in het buitenland” zijn gesteld en de daarin genoemde gegevens te verstrekken, waaronder – onder meer – een openingsverklaring, jaaroverzichten en bankafschriften. Daarbij is belanghebbende gewezen op de verplichtingen op grond van artikel 47, eerste lid, en artikel 49 van de AWR.
2.5.
Bij brief van 21 maart 2016 heeft belanghebbendes gemachtigde op het informatieverzoek gereageerd. Hierin is aangegeven dat aan het verzoek geen gehoor kan worden gegeven, tenzij de Inspecteur op voorhand kan garanderen dat eventuele informatie niet voor bestraffingsdoeleinden zal worden gebruikt.
2.6.
In de periode maart tot en met september 2016 hebben partijen over en weer gecorrespondeerd over het informatieverzoek. De Inspecteur heeft de hiervoor bedoelde garantie niet willen geven. Aan (herhaalde) verzoeken om aan het informatieverzoek te voldoen, heeft belanghebbende geen gehoor gegeven.
2.7.
Op 16 november 2016 heeft de Inspecteur de onderhavige informatiebeschikking gegeven, waartegen belanghebbende bezwaar heeft gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar is het bezwaar tegen de informatiebeschikking afgewezen, waartegen belanghebbende beroep heeft ingesteld bij de Rechtbank.
2.8.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en belanghebbende een termijn gesteld om alsnog de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de daarin verzochte informatie te verstrekken.
3. Geschil
3.1.
In geschil is het antwoord op de vraag of de informatiebeschikking terecht is gegeven.
3.2.
Die vraag wordt door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend beantwoord. Voor hetgeen partijen ter onderbouwing van hun standpunten hebben aangevoerd, wordt verwezen naar de van hen afkomstige stukken en de processen-verbaal van de zittingen.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur en van de informatiebeschikking, dan wel tot handhaving van die beschikking met daarbij de restrictie dat de te verstrekken informatie niet voor bestraffingsdoeleinden mag worden gebruikt. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4. Beoordeling van het geschil
Vooraf
4.1.
De vijfde belastingkamer ziet geen aanleiding om terug te komen van hetgeen de vierde belastingkamer heeft overwogen en beslist omtrent de op de zaak betrekking hebbende stukken en de beperkte kennisneming van een deel ervan (zie overweging 1.5 en 1.7), waarbij ‑ volledigheidshalve - wordt opgemerkt dat de vijfde belastingkamer geen kennis heeft genomen van de ongeschoonde versies van de stukken waarvan de vierde belastingkamer de beperkte kennisneming gerechtvaardigd heeft geacht.
Ontbreken interne afstemming
4.2.
Belanghebbende heeft zich beroepen op een passage in het memo Aandachtspunten projecten Vermogen in het Buitenland (ViB-projecten) (hierna: het Memo) waarin staat dat een informatiebeschikking pas mag worden gegeven nadat dit is afgestemd met de Vaco Formeel Recht c.q. de VTA Formeel Recht. Niet gebleken is dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een dergelijke afstemming. Anders dan belanghebbende meent, heeft het ontbreken van een dergelijke afstemming echter niet de vernietiging van de informatiebeschikking tot gevolg. De passage beschrijft slechts de (interne) werkwijze binnen de Belastingdienst. Afstemming met de Vaco Formeel Recht c.q. de VTA Formeel Recht is geen (wettelijk) vereiste voor het geven van de informatiebeschikking (vergelijk HR 11 juni 2021, ECLI:NL:2021:778).
Uitstel voor het doen van aangifte IB 2003?
4.3.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de informatiebeschikking moet worden vernietigd voor zover die ziet op het jaar 2003, omdat ten tijde van het geven van de informatiebeschikking de bevoegdheid tot navorderen over het jaar 2003 reeds was vervallen door verloop van de navorderingstermijn. Volgens belanghebbende wordt die termijn in dit geval niet verlengd met de duur van uitstel voor het doen van aangifte (artikel 16, derde lid, AWR), omdat belanghebbende niet om uitstel heeft verzocht en uitstel ook niet kenbaar is verleend.
4.4.
Volgens de Inspecteur was ten tijde van het geven van de informatiebeschikking de bevoegdheid tot navorderen over het jaar 2003 nog niet vervallen, aangezien de navorderingstermijn in dit geval moet worden verlengd vanwege op verzoek verleend uitstel voor het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2003. Ter onderbouwing hiervan zijn prints overgelegd uit de systemen van de Belastingdienst.
4.5.
De Inspecteur dient, tegenover de betwisting door belanghebbende, aannemelijk te maken dat om uitstel voor het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2003 is verzocht en dat dat uitstel kenbaar is verleend (HR 18 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2484, HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BI9261 en HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3350). Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur hierin geslaagd.
4.6.
De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de (toenmalige) gemachtigde van belanghebbende gebruik maakte van de uitstelregeling voor belastingconsulenten (de zogenoemde becon-regeling). De Inspecteur heeft een print overgelegd uit de systemen van de Belastingdienst betreffende (de indiening van) de aangifte IB/PVV 2003 van belanghebbende, waaruit volgt dat in het kader van die regeling (onder beconnummer [nummer3] ) op 4 maart 2004 is verzocht om uitstel voor het doen van de aangifte IB/PVV 2003 en dat uitstel is verleend tot 1 april 2005. Volgens die print is de aangifte van belanghebbende door de Belastingdienst ontvangen op 14 maart 2005. Voor het onderhavige jaar is niet gebleken van een blokkade voor belanghebbende of diens (toenmalige) gemachtigde, op grond waarvan een uitstelverzoek zou kunnen zijn geweigerd. Omtrent een herinnering of aanmaning voor het doen van de aangifte IB/PVV 2003 is voorts niets vermeld of anderszins gebleken, terwijl dat wel voor de hand had gelegen als geen uitstel zou zijn verleend. De reguliere termijn voor het doen van aangifte was toen immers geruime tijd verstreken. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat belanghebbende voor het jaar 2003 was opgenomen in de becon-regeling van de (toenmalige) gemachtigde, dat in dat kader (mede) namens belanghebbende om uitstel is verzocht voor het doen van de aangifte IB/PVV 2003 en dat dat uitstel dienovereenkomstig is verleend tot 1 april 2005.
4.7.
Het Hof acht verder aannemelijk dat de (toenmalige) gemachtigde van belanghebbende als diens vertegenwoordiger hierover bericht heeft ontvangen. Dat bericht krijgt een belastingconsulent door toezending van een inleverschema voor de in de becon-regeling opgenomen aangiften waaraan de belastingconsulent zich diende te houden, zo heeft de Inspecteur ter zitting toegelicht. Als de (toenmalige) gemachtigde een dergelijk schema niet zou hebben gekregen, dan zou hij daarop zonder meer actie hebben ondernomen gelet op het belang ervan voor zijn aangiftepraktijk. Van enige actie in dat verband is niet gebleken. Steun voor het oordeel dat het uitstel aan de (toenmalige) gemachtigde kenbaar is gemaakt vindt het Hof in de omstandigheid dat in belanghebbendes geval ook daadwerkelijk gebruik is gemaakt van het verleende uitstel en de aangifte IB/PVV 2003 kort voor het einde van de uitsteltermijn is ingediend. Overigens is ook niet gebleken dat de (toenmalige) gemachtigde zich niet aan een inleverschema heeft gehouden. Anders dan belanghebbende meent, is voor de kenbaarheid van het verleende uitstel niet vereist dat belanghebbende hiervan, naast zijn (toenmalige) gemachtigde, afzonderlijk in kennis wordt gesteld.
4.8.
Aangezien aannemelijk is dat voor het doen van aangifte IB/PVV 2003 op verzoek en kenbaar uitstel is verleend tot 1 april 2005, wordt de termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag in dit geval verlengd met de duur van uitstel voor het doen van aangifte. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat in dat geval ten tijde van het geven van de informatiebeschikking de navorderingstermijn voor het jaar 2003 nog niet was verstreken.
Nemo tenetur-beginsel
4.9.
Het Hof stelt voorop dat belanghebbende, nadat hij daartoe meerdere malen in de gelegenheid is gesteld en op de mogelijke gevolgen daarvan is gewezen, heeft geweigerd aan het informatieverzoek te voldoen.
4.10.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij zonder garantie van de Inspecteur dat de gevraagde informatie niet voor bestraffingsdoeleinden wordt gebruikt, niet verplicht was de door de Inspecteur gestelde vragen te beantwoorden en de gevraagde gegevens te verstrekken, aangezien het Memo diverse verwijzingen naar het opleggen van boetes c.q. boete overwegingen bevat waardoor het evident is dat in het onderhavige geval een boete zal worden opgelegd (criminal charge). De ervaring leert ook dat dit altijd het geval is, aldus belanghebbende.
4.11.
Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Daarin onderscheidt de informatiebeschikking zich van de dwangsommen die aan de orde waren in het arrest van HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Dat neemt echter niet weg dat een dergelijke restrictie uit het EVRM voortvloeit. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist (HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144).
4.12.
Het is derhalve niet vereist dat de Inspecteur bij zijn informatiebeschikking een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Belanghebbende moet desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Zou wilsafhankelijke informatie aan de Inspecteur worden verstrekt en zou de Inspecteur dat materiaal gebruiken voor de fiscale beboeting, dan dient de belastingrechter bij zijn oordeel over die boete te bepalen welke gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of op de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikkingen hoeven ook niet wegens strijd met het nemo tenetur-beginsel te worden vernietigd.
4.13.
Naar het oordeel van het Hof wordt hiermee voldaan aan de waarborgen die volgen uit de jurisprudentie van het EHRM waarop belanghebbende zich heeft beroepen. Het arrest HvJ EU 2 februari 2021, ECLI:EU:C:2021:84, is in lijn met deze jurisprudentie van het EHRM en werpt hier geen ander licht op. Dat belanghebbende in de jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) een andere lijn meent te ontwaren dan de (bestendige) lijn die belastingkamer van de Hoge Raad volgt, doet hieraan evenmin af. Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake. Het standpunt dat de gemachtigde bepleit in de zaak De Legé vs. The Netherlands, no. 58342/15, geeft het Hof geen aanleiding om van het oordeel van de belastingkamer van de Hoge Raad af te wijken.
Bankstukken wilsafhankelijk? (2003 t/m 2010)
4.14.
Belanghebbende stelt dat de bankstukken voor de jaren 2003 tot en met 2010 kwalificeren als wilsafhankelijk materiaal, omdat de Inspecteur over die jaren zelf noch via de Zwitserse autoriteiten toegang heeft tot de bankinformatie. De informatiebeschikking moet om die reden worden vernietigd voor de jaren 2003 tot en met 2010, aldus belanghebbende.
4.15.
Het betoog van belanghebbende faalt reeds omdat voor de toetsing van de rechtmatigheid van een informatiebeschikking niet van belang is of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal (zie 4.11 en 4.12).
Evenredigheidsbeginsel (2011 t/m 2014)
4.16.
Belanghebbende stelt zich ten slotte op het standpunt dat het evenredigheidsbeginsel meebrengt dat de Inspecteur voor de jaren 2011 tot en met 2014 bankstukken langs andere weg dan via belanghebbende moet zien te bemachtigen. De informatiebeschikking moet om die reden worden vernietigd voor de jaren 2011 tot en met 2014, aldus belanghebbende.
4.17.
Het Hof stelt voorop dat de Inspecteur bij de uitoefening van de hem op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheid is gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Een met toepassing van artikel 52a AWR in samenhang met artikel 47 AWR vastgestelde beschikking kan niet in stand blijven indien de Inspecteur, gelet op de omstandigheden van het geval, redelijkerwijs niet heeft kunnen oordelen dat sprake was van evenredigheid tussen het doel en de gevolgen van het aangewende middel (HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:697).
4.18.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur het evenredigheidsbeginsel als hiervoor bedoeld niet geschonden. Belanghebbende heeft, ondanks een concrete aanwijzing voor het bestaan van een buitenlandse bankrekening op zijn naam, de in het informatieverzoek gevraagde inlichtingen en gegevens niet ongeclausuleerd willen verstrekken. Belanghebbende heeft zijn medewerking afhankelijk gemaakt van door de Inspecteur vooraf te verstrekken garanties omtrent het gebruik van de te verstrekken inlichtingen en gegevens, wat neerkomt op een weigering om te voldoen aan de wettelijke verplichting van artikel 47 van de AWR. De gegeven informatiebeschikking betreft in wezen slechts de vaststelling dat aan die verplichting niet is voldaan (HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:821). Dat bankstukken in de optiek van de Inspecteur kwalificeren als wilsonafhankelijk materiaal, betekent niet dat die stukken niet bij belanghebbende zelf mogen worden opgevraagd maar op een andere wijze door de Inspecteur - buiten belanghebbende om - moeten worden verkregen. Dat de Inspecteur uiteindelijk via een internationaal rechtshulpverzoek alsnog de beschikking heeft gekregen over een deel van de gevraagde bankstukken (vanaf het jaar 2011), maakt dat niet anders in aanmerking nemende dat daarvóór de nationale mogelijkheden om die informatie te verkrijgen moeten worden beproefd (uitputtingsbeginsel). Belanghebbende ziet bovendien eraan voorbij dat de informatiebeschikking betrekking heeft op meer inlichtingen en gegevens dan bankstukken alleen. Onder al deze feiten en omstandigheden kan niet worden gezegd dat de belangen van belanghebbende door het geven van de informatiebeschikking onevenredig zijn getroffen.
4.19.
Gelet op al het voorgaande was belanghebbende gehouden de in het informatieverzoek gevraagde inlichtingen en gegevens te verstrekken. Nu belanghebbende heeft geweigerd hieraan gevolg te geven, is de informatiebeschikking terecht gegeven.
Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5. Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. P.L.M. van Gorkom en mr. W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2021.
De griffier, De voorzitter,
(P.W.L. van den Bersselaar) (V.F.R. Woeltjes)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 13 juli 2021.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Uitspraak 26‑01‑2021
Inhoudsindicatie
Informatiebeschikking. Tussenuitspraak. Verzoek tot beperkte kennisneming.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer 19/01120
uitspraakdatum: 26 januari 2021
Tweede tussenuitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
in het hoger beroep van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2019, nummer AWB 18/1548, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur)
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De Inspecteur heeft op de voet van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijkbelastingen (hierna: AWR) ten aanzien van belanghebbende met dagtekening 16 november 2016 een informatiebeschikking vastgesteld.
1.2.
Het tegen deze beschikking door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het eerste onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2020 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B] alsmede – namens de Inspecteur – mr. [C] en [D] .
1.6.
Op 3 november 2020 heeft het Hof een (eerste) tussenuitspraak gedaan. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur nadere stukken overgelegd.
1.7.
Het tweede onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 13 januari 2021 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B] alsmede – namens de Inspecteur – mr. [C] en [D] .
1.8.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.
2. De vaststaande feiten
2.1.
Op 23 juli 2015 heeft de Belastingdienst in het kader van een groepsverzoek informatie opgevraagd bij de Zwitserse fiscale autoriteiten over rekeninghouders bij de Zwitserse bank UBS. In december 2016 heeft de Belastingdienst deze informatie op een usb-stick ontvangen van de Zwitserse autoriteiten.
2.2.
Op een van de bestanden op de usb-stick is de naam [X] vermeld, geboren [in] 1954, wonende te [Z] en houder van een rekening met nummer [00000] . Het saldo op deze rekening bedroeg op 1 februari 2013 CHF 185.815 en op 1 januari 2014 CHF 197.083.
2.3.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van deze informatie belanghebbende op de voet van artikel 47 AWR verzocht informatie te verstrekken over deze bankrekening. Belanghebbende heeft geen gevolg gegeven aan dit verzoek.
2.4.
Daarom heeft de Inspecteur met dagtekening 16 november 2016 de onderhavige, met betrekking tot op te leggen belastingaanslagen IB/PVV over de jaren 2003 tot en met 2014, informatiebeschikking aan belanghebbende gegeven. Tegen deze informatiebeschikking heeft belanghebbende vergeefs bezwaar aangetekend.
2.5.
Het door belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.
2.6.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft in hoger beroep onder meer een uit 89 pagina’s bestaand memo ‘Aandachtspunten projecten Verhuld Vermogen’ overgelegd (versie 7 van 14 februari 2020; hierna: memo Verhuld Vermogen). Daarin zijn met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verschillende passages ‘geschoond’. Aan het Hof heeft de Inspecteur ook een ‘ongeschoonde’ versie van het memo Verhuld Vermogen verstrekt. Die versie is niet aan belanghebbende verstrekt.
2.7.
Op 3 november 2020 heeft het Hof een tussenuitspraak gedaan. Daarin is, kort gezegd, als volgt beslist:
“De slotsom van deze tussenbeslissing is als volgt.
De Inspecteur dient het ‘Memo Project Duitse Informatie (UBS)’ als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen (zie overweging 4.11). Wanneer de Inspecteur daarbij een beroep doet op beperkte kennisneming, zal zowel een ‘geschoonde’ versie van dit memo als een ‘ongeschoonde’ versie ervan moeten worden overgelegd. De ‘geschoonde’ versie zal aan belanghebbende worden verstrekt, de ‘ongeschoonde’ versie niet. Het verzoek tot beperkte kennisneming van dit memo zal op een tweede zitting op 13 januari 2021 worden behandeld.
Met betrekking tot het memo Verhuld Vermogen is beperkte kennisneming als door de Inspecteur verzocht gerechtvaardigd, behoudens met betrekking tot de passages als vermeld in overweging 4.20. Met inachtneming daarvan dient de Inspecteur een nieuwe ‘geschoonde’ versie van het memo Verhuld vermogen aan het Hof over te leggen. Na ontvangst daarvan en doorzending aan belanghebbende, zal aan belanghebbende toestemming worden gevraagd als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb. Deze toestemming zal worden gevraagd nadat het Hof een beslissing heeft genomen over het verzoek tot beperkte kennisneming van het ‘Memo Project Duitse Informatie (UBS)’. In het geval de beslissing van het Hof daartoe aanleiding geeft, zal het Hof aan belanghebbende immers wederom toestemming als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb moeten vragen. Bij het niet verlenen van bedoelde toestemming door belanghebbende zal de zaak naar een andere meervoudige kamer van het Hof worden verwezen ter verdere behandeling. Door toestemming voor (mogelijk) beide memo’s gelijktijdig te vragen beoogt het Hof de rechtsgang zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. (…)”.
2.8
Bij brief van 26 november 2020, ingekomen bij het Hof op 30 november 2020, heeft de Inspecteur nadere stukken overgelegd, onder meer bestaande uit:
A. een nieuwe versie van het memo ‘Verhuld Vermogen’, waarin uitvoering is gegeven aan de tussenuitspraak van het Hof van 3 november 2020;
B. een ‘geschoonde’ versie van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’, bestaande uit 13 projectstukken (die meerdere pagina’s beslaan), met een begeleidende brief van drie bladzijden;
C. een uit drie bladzijden bestaande brief met vijf – uit meerdere pagina’s bestaande – bijlagen, digitaal ondertekend op 15 respectievelijk 20 oktober 2020 en afkomstig van de Zwitserse autoriteiten die betrekking hebben op door de Belastingdienst op 26 september 2018 aan de Zwitserse autoriteiten gestelde vragen. In die documenten zijn enige passages onleesbaar gemaakt;
D. een aanvulling, bestaande uit drie pagina’s, op de stukken die de Inspecteur in de procedure bij de Rechtbank heeft overgelegd. Ook in die stukken zijn enige passages onleesbaar gemaakt.
2.9
Deze stukken zijn aan belanghebbende verstrekt.
2.10
De Inspecteur heeft voorts een ‘ongeschoonde’ versie van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ aan het Hof verstrekt. Die stukken zijn niet aan belanghebbende verstrekt.
3. Het geschil
In hoger beroep is in geschil of de onderhavige informatiebeschikking terecht is vastgesteld. Partijen houdt onder meer verdeeld of gewichtige redenen bestaan die een beperkte kennisneming van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ rechtvaardigen. Het Hof zal in deze tweede tussenuitspraak die vraag beantwoorden.
Niet in geschil is dat de Inspecteur met het hiervoor in 2.8 onder A genoemde stuk op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak van het Hof van 3 november 2020. Voorts is niet in geschil, naar belanghebbende ter zitting desgevraagd heeft verklaard, dat de in 2.8 onder C en D genoemde stukken op de zaak betrekking hebbende stukken vormen en dat de daarin onleesbaar gemaakte passages akkoord zijn bevonden door belanghebbende.
4. Beoordeling van het geschil
Juridisch kader
4.1.
Voor het juridische kader dat in deze procedure geldt, verwijst het Hof naar zijn overwegingen in 4.1 tot en met 4.9, 4.15 en 4.17 en 4.18 van zijn tussenuitspraak van 3 november 2020.
Beperkte kennisneming
4.2.
De Inspecteur heeft in hoger beroep (alsnog) het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ als een op de zaak betrekking hebbend stuk overgelegd. Daarin heeft hij verschillende passages onleesbaar gemaakt met een beroep op beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, lid 1, Awb. Volgens de Inspecteur rechtvaardigen gewichtige redenen de beperkte kennisneming van dat memo. Belanghebbende heeft zich hiertegen gemotiveerd verzet. Ter zitting heeft het Hof het volledige memo met partijen doorgenomen, waarbij het Hof zelf de ‘geschoonde’ versie heeft vergeleken met de ‘ongeschoonde’ versie ervan.
4.3.
Op verschillende pagina’s van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ zijn namen, telefoonnummers en e-mailadressen van belastingambtenaren om redenen van privacy onleesbaar gemaakt. Daarbij zijn door de Inspecteur NN-nummers vermeld die corresponderen met een door de Inspecteur bij de ongeschoonde versie van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ overgelegde lijst met namen van belastingambtenaren. Daardoor zijn deze ambtenaren volgens de Inspecteur wel individualiseerbaar. Voorts zijn op verschillende pagina’s van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ de gegevens van buitenlandse ambtenaren en de persoonsgegevens van derden om redenen van privacy onleesbaar gemaakt. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard hiermee niet te kunnen instemmen. Naar het oordeel van het Hof weegt het beschermen van de privacy van deze groepen van personen in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens.
4.4.
Voorts zijn in het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ op verschillende pagina’s passages door de Inspecteur onleesbaar gemaakt met als argumenten, kort gezegd, ‘het belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en controle- en/of behandelstrategie, waaronder bergrepen een effectieve en efficiënte interne werkwijze en het voorkomen van calculerend en/of anticiperend gedrag van belastingplichtigen’. Volgens belanghebbende vormen deze argumenten geen deugdelijke grond om beperkte kennisneming van deze passages te rechtvaardigen. Naar het oordeel van het Hof vormen de door de Inspecteur genoemde argumenten daarentegen wel een deugdelijke grond voor beperkte kennisneming van die passages en wegen zij aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende in deze zaak bij kennisneming van die gegevens.
Slotsom
Met betrekking tot het ‘Memo Project Duitse Informatie (UBS)’ is beperkte kennisneming als door de Inspecteur bepleit, gerechtvaardigd. De door de Inspecteur overgelegde en aan belanghebbende verstrekte ‘geschoonde’ versie van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ kan in deze procedure door de beugel.
Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij met betrekking tot het memo ‘Verhuld vermogen’ geen toestemming verleent als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb. Dit betekent dat de zaak voor inhoudelijke behandeling ervan moet worden verwezen naar een andere belastingkamer van het Hof. De ‘ongeschoonde’ versies van het memo ‘Verhuld vermogen’ en het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ worden niet aan die andere belastingkamer ter beschikking gesteld. Die stukken worden afzonderlijk bewaard.
Proceskosten
Een beslissing met betrekking tot de proceskosten zal worden genomen in de einduitspraak van deze procedure.
5. Tussenbeslissing
Het Hof:
- -
bepaalt dat beperkte kennisneming van het memo ‘Project Duitse informatie (UBS)’ als door de Inspecteur is bepleit, gerechtvaardigd is,
- -
verwijst de zaak ter verdere behandeling ervan naar een andere meervoudige belastingkamer van het Hof.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. I. Linssen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De tussenbeslissing is op 26 januari 2021 in het openbaar uitgesproken.
De griffier De voorzitter,
(E.D. Postema) | (R. den Ouden) |
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 januari 2021.
Tegen deze tussenuitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitspraak 03‑11‑2020
Inhoudsindicatie
Informatiebeschikking. Tussenuitspraak. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Verzoek tot beperkte kennisneming.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer 19/01120
uitspraakdatum: 3 november 2020
Tussenuitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
in het hoger beroep van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2019, nummer AWB 18/1548, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur)
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De Inspecteur heeft op de voet van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijkbelastingen (hierna: AWR) ten aanzien van belanghebbende met dagtekening 16 november 2016 een informatiebeschikking vastgesteld.
1.2.
Het tegen deze beschikking door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het (eerste) onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2020 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B] alsmede – namens de Inspecteur – mr. [C] en [D] .
2. De vaststaande feiten
2.1.
Op 23 juli 2015 heeft de Belastingdienst in het kader van een groepsverzoek informatie opgevraagd bij de Zwitserse fiscale autoriteiten over rekeninghouders bij de Zwitserse bank [E] . In december 2016 heeft de Belastingdienst deze informatie op een usb-stick ontvangen van de Zwitserse autoriteiten.
2.2.
Op een van de bestanden op de usb-stick is de naam [X] vermeld, geboren [in] 1954, wonende te [Z] en houder van een rekening met nummer [00000] . Het saldo op deze rekening bedroeg op 1 februari 2013 CHF 185.815 en op 1 januari 2014 CHF 197.083.
2.3.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van deze informatie belanghebbende op de voet van artikel 47 AWR verzocht informatie te verstrekken over deze bankrekening. Belanghebbende heeft geen gevolg gegeven aan dit verzoek.
2.4.
Daarom heeft de Inspecteur met dagtekening 16 november 2016 de onderhavige, met betrekking tot op te leggen belastingaanslagen IB/PVV over de jaren 2003 tot en met 2014, informatiebeschikking aan belanghebbende gegeven. Tegen deze informatiebeschikking heeft belanghebbende vergeefs bezwaar aangetekend.
2.5.
Het door belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.
2.6.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft in hoger beroep onder meer een uit 89 pagina’s bestaand memo ‘Aandachtspunten projecten Verhuld Vermogen’ overgelegd (versie 7 van 14 februari 2020; hierna: memo Verhuld Vermogen). Daarin zijn met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verschillende passages ‘geschoond’. Aan het Hof heeft de Inspecteur ook een ‘ongeschoonde’ versie van het memo Verhuld Vermogen verstrekt. Die versie is niet aan belanghebbende verstrekt.
3. Het geschil
In hoger beroep is in geschil of de onderhavige informatiebeschikking terecht is vastgesteld. Partijen houdt onder meer verdeeld of: (1) door de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd en (2) of gewichtige redenen bestaan die een beperkte kennisneming van het memo Verhuld Vermogen rechtvaardigen. Het Hof zal in deze tussenuitspraak die twee vragen beantwoorden.
4. Beoordeling van het geschil
Op de zaak betrekking hebbende stukken; juridisch kader
4.1.
Op grond van artikel 8:42, eerste lid, Awb is een inspecteur gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de belastingrechter te zenden.
4.2.
Artikel 8:42, eerste lid, Awb strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in (hoger) beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden (HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672).
4.3.
Met op de zaak betrekking hebbende stukken die de inspecteur op grond van artikel 8:42 Awb dient over te leggen, is gedoeld op alle stukken die de inspecteur ter beschikking hebben gestaan en die van belang kunnen zijn bij de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Hiertoe behoren derhalve ook stukken die bij diens besluitvorming een rol hebben gespeeld maar die door hem uiteindelijk niet zijn gebruikt ter onderbouwing c.q. motivering van zijn beslissing (HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672). Deze verplichting geldt ook indien het desbetreffende stuk is opgesteld door een ambtenaar die behoort tot een ander organisatieonderdeel van de Belastingdienst en (in beginsel) evenzeer indien de inspecteur inmiddels niet meer beschikt over het desbetreffende stuk. De verplichting voor de inspecteur stukken op grond van artikel 8:42 Awb over te leggen, is niet afhankelijk van de vraag of belanghebbende enig (positief of negatief) belang heeft bij die stukken (HR 23 mei 2014, nr. 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182).
4.4.
De omstandigheid dat een belanghebbende zelf beschikt over (een afschrift van) een stuk dat van belang kan zijn voor de besluitvorming in een zaak, brengt niet mee dat de inspecteur is ontslagen van de verplichting (een afschrift van) dat stuk als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen (HR 20 maart 2009, nr. 42.232, ECLI:NL:HR:2009:BH6420 en HR 17 augustus 2018, nr. 17/00879, ECLI:NL:HR:2018:1319).
4.5.
Tot de door de inspecteur over te leggen stukken behoren niet stukken die zich bevinden onder derden (bijvoorbeeld het OM) en die niet aan hem zijn verstrekt, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan (HR 12 juli 2013, nr. 11/04625, ECLI:NL:HR:2013:29).
4.6.
Een redelijke, met de hiervoor in 4.2 omschreven strekking van artikel 8:42, eerste lid, Awb strokende uitleg van die bepaling brengt mee dat de daarin opgenomen verplichting tot overlegging van stukken zich ook uitstrekt tot stukken die pas in de loop van het beroep of hoger beroep ter beschikking van de inspecteur zijn gekomen. Indien dergelijke stukken ter beschikking van de inspecteur komen na afloop van de in artikel 8:42 Awb bedoelde termijn, dient hij deze alsnog onverwijld aan de rechter toe te zenden (HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672).
4.7.
Behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak (HR 25 april 2008, nr. 43.448, ECLI:NL:HR:2008:BA3823).
4.8.
De beoordeling of de inhoud van het betreffende stuk voor de besluitvorming in de zaak van belang is (geweest), kan niet geschieden zonder kennisneming van de inhoud van dat stuk. Dit neemt niet weg dat de rechter onder omstandigheden ook zonder kennisneming van het desbetreffende stuk kan beslissen dat dit stuk niet van enig belang voor de besluitvorming kan zijn (geweest) (HR 15 november 2013, nr. 12/00606, ECLI:NL:HR:2013:1129 en HR 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874).
4.9.
Als een stuk passages bevat die op de zaak betrekking hebben, is dit stuk als geheel een op de zaak betrekking hebbend stuk. De verplichting om dit stuk over te leggen, ziet daardoor niet slechts op de voor de beoordeling van de zaak relevante passages (HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672).
Beoordeling
4.10.
Belanghebbende heeft in zijn hogerberoepschrift betoogd dat de Inspecteur heeft verzuimd alle op de zaak betrekking hebbende stukken in deze procedure over te leggen. Volgens belanghebbende ontbreken: (1) het ‘Memo Project Duitse Informatie ( [E] )’, (2) interne afstemmingstukken (waaronder e-mails) tussen ambtenaren van de Belastingdienst, (3) het memo ‘Governance programma vermogen in het Buitenland’, (4) het memo ‘Mediaberichtgeving [E] ’ op Connectpeople, (5) aan vta’s [Hof: vaktechnische aanspreekpunten] beschikbaar gestelde richtlijnen inzake het weigeren van een gemachtigde en (6) de ‘notitie 22’ waarin onder meer handvatten zijn opgenomen inzake de matiging van een boete bij een vaststellingsovereenkomst. Volgens belanghebbende zijn deze stukken van belang omdat daarmee gecontroleerd kan worden of de Inspecteur het interne beleid heeft nageleefd en of belanghebbende vertrouwen kan ontlenen aan dat beleid.
4.11.
Met betrekking tot het ‘Memo Project Duitse Informatie ( [E] )’ heeft de Inspecteur ter zitting desgevraagd verklaard dat hij omwille van praktische redenen zich niet langer verzet tegen de opvatting van belanghebbende dat sprake is van een op de zaak betrekking hebbend stuk. Hij zal het ‘Memo Project Duitse Informatie ( [E] )’ alsnog als een op de zaak betrekking hebbend stuk overleggen. Dit zal echter, aldus de Inspecteur, met een beroep op artikel 8:29 Awb geschieden in ‘geschoonde’ vorm.
4.12.
Met betrekking tot de ‘interne afstemmingsstukken’ heeft belanghebbende gesteld dat bij hem de indruk bestaat dat er interne afstemmingsstukken zijn die door de Inspecteur zijn achtergehouden. De Inspecteur heeft daartegenover gesteld dat er, naast de in deze procedure overgelegde stukken, geen interne afstemmingsstukken zijn. Daarbij heeft de Inspecteur verwezen naar het bij de Rechtbank overgelegde logboek. Met zijn stelling heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet aan zijn stelplicht voldaan. De stelling van belanghebbende bevat immers onvoldoende motivering voor de conclusie dat de door hem bedoelde afstemmingstukken bestaan, laat staan dat zij op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Ten overvloede zij nog opgemerkt dat het Hof zelf geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden voor de conclusie dat aannemelijk is geworden dat de door belanghebbende bedoelde afstemmingstukken bestaan.
4.13.
Met betrekking tot het memo ‘Governance programma vermogen in het Buitenland’ heeft belanghebbende gesteld dat dit memo ten onrechte door de Inspecteur is achtergehouden. De Inspecteur heeft daartegenover gesteld dat dit memo geen op de zaak betrekking hebbend stuk is in deze belastingprocedure inzake de informatiebeschikking. Het memo, dat overigens maar vier pagina’s telt, is opgesteld, aldus de Inspecteur, vanwege de nieuwe, sinds 2017 geldende Topstructuur bij de Belastingdienst. Er is sprake van een regeling van bevoegdheden van diverse segmenten binnen de Belastingdienst, aldus nog steeds de Inspecteur. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende volstrekt onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom het genoemde memo in deze procedure inzake de informatiebeschikking een op de zaak betrekking hebbend stuk is. Het had op de weg van belanghebbende gelegen, te meer nu belanghebbende zelf – naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld – over het memo beschikt, om zijn stelling dat het memo ‘Governance programma vermogen in het Buitenland’ in deze procedure een op de zaak betrekking hebbend stuk is, nader te motiveren. Nu hij dat echter heeft nagelaten, moet worden geconcludeerd dat belanghebbende ook met betrekking tot dit memo niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
4.14.
Met betrekking tot, kort gezegd, het memo ‘Mediaberichtgeving [E] ’, de richtlijnen inzake het weigeren van een gemachtigde en de ‘notitie 22’, heeft belanghebbende - na daarover door het Hof te zijn bevraagd - ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat hij zijn stelling dat deze stukken in deze procedure op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, intrekt.
Beperkte kennisneming
4.15.
Partijen die verplicht zijn stukken over te leggen kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de stukken (artikel 8: 29, eerste lid, Awb; hierna: beperkte kennisneming).
4.16.
De Inspecteur heeft in hoger beroep het memo Verhuld Vermogen als een op de zaak betrekking hebbend stuk overgelegd. Daarin heeft hij verschillende passages ‘zwartgemaakt’ met een beroep op beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, Awb. Volgens de Inspecteur rechtvaardigen gewichtige redenen de beperkte kennisneming van dat memo. Belanghebbende heeft zich hiertegen gemotiveerd verzet.
4.17.
Bij de beantwoording van de vraag of de Inspecteur zich met betrekking tot de ‘zwartgemaakte’ passages in het memo Verhuld vermogen terecht beroept op beperkte kennisneming, dient het volgende te worden vooropgesteld. Uitgangspunt in een bestuursrechtelijke procedure, en dus ook in een belastingprocedure, is dat beide partijen en de rechter onbeperkt kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarop zijn evenwel uitzonderingen mogelijk (vgl. ook Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 10 juni 2020, nr. 202001087/2/A3 en 202001097/2/A3, ECLI:NL:RVS:2020:1367, overweging 2).
4.18.
Bij de beoordeling van de vraag of op het uitgangspunt van onbeperkte kennisneming van alle stukken uit het dossier een inbreuk kan worden gemaakt, dient zeer grote terughoudendheid te worden betracht. Als regel geldt in dat verband dat slechts wanneer de door een inspecteur voor de beperkte kennisneming aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van een belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken, sprake is van gewichtige redenen die beperkte kennisneming rechtvaardigen. Die regel behoeft in een geval als hier evenwel nuancering. Ook bij de beoordeling van een verzoek tot beperkte kennisneming mag niet uit het oog worden verloren welk(e) primair(e) besluit(en) in (hoger) beroep wordt (worden) aangevochten en waarop de rechtsstrijd van partijen betrekking heeft. De in artikel 8:42 Awb neergelegde verplichting tot het overleggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft immers ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden (HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672). Wanneer het overgelegde, op de zaak betrekking hebbende stuk een individuele zaak overstijgend memo betreft, zoals hier, kunnen daarin passages voorkomen die geen enkel verband houden met het (de) door een belanghebbende in de belastingprocedure aangevochten besluit(en) en derhalve evenmin met de rechtsstrijd van partijen. Weliswaar vormt dat stuk als geheel een op de zaak betrekking hebbend stuk (HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672), maar bij de beoordeling van het verzoek om beperkte kennisneming legt het antwoord op de vraag of de desbetreffende ‘zwartgemaakte’ passages enig raakvlak hebben of kunnen hebben met het (de) in de (hoger)beroepsprocedure bestreden besluit(en) en de rechtsstrijd van partijen naar het oordeel van het Hof uiteraard een zwaar gewicht in de schaal van de belangenafweging. Bij een ontkennende beantwoording van die vraag, is de betekenis van de ‘zwartgemaakte’ passages van het stuk voor de rechter in de hoofdzaak en de procespositie van belanghebbende niet van belang. De belanghebbende aan wie die passages worden onthouden door de beperkte kennisneming wordt alsdan niet wezenlijk in zijn procesvoering belemmerd (vgl. overweging 8 van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juni 2020, nr. 202001087/2/A3 en 202001097/2/A3, ECLI:NL:RVS:2020:1367). Tot slot zij nog opgemerkt dat de omstandigheid dat op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB) bepaalde stukken niet openbaar hoeven te worden gemaakt, niet betekent dat daarmee ook beperkte kennisneming gerechtvaardigd is.
Toetsing beperkte kennisneming
4.19.
Vooropgesteld wordt dat, gelet op hetgeen hiervoor in 4.18 is overwogen, de verwijzing door de Inspecteur naar de WOB niet als toereikend wordt beschouwd om beperkte kennisneming van het memo Verhuld Vermogen in het onderhavige dossier te rechtvaardigen.
4.20.
Ter zitting heeft de Inspecteur, na daarover door het Hof te zijn bevraagd, verklaard dat de ‘zwartgemaakte’ passages in de inhoudsopgave op pagina 3 onder het kopje 8.9.1, op pagina 4 onder het kopje 9.6.1, op pagina 35, op pagina 40 en op pagina 45 alsnog kunnen worden vrijgegeven.
4.21.
Op de pagina’s 12, 19, 22, 23, 39 van het memo Verhuld Vermogen zijn namen, telefoonnummers en email-adressen van belastingambtenaren om redenen van privacy ‘zwartgemaakt’. Daarbij zijn door de Inspecteur NN-nummers vermeld die corresponderen met een door de Inspecteur bij de ongeschoonde versie van het memo Verhuld Vermogen overgelegde lijst met namen van belastingambtenaren. Daardoor zijn deze ambtenaren volgens de Inspecteur wel individualiseerbaar. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard hiermee te kunnen instemmen, mits de Inspecteur de uitdrukkelijke toezegging doet dat deze personen desgevraagd als getuige worden meegebracht naar de zitting. Die toezegging heeft de Inspecteur niet gedaan. Naar het oordeel van het Hof weegt, ook zonder bedoelde toezegging, het beschermen van de privacy van deze belastingambtenaren in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens.
4.22.
Op de pagina’s 10, 16, 17, 20, 21, 23, 24, 27, 30, 31, 37, 38, 39, 57 zijn passages door de Inspecteur ‘zwartgemaakt’ met als argumenten (onder meer) het belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en controle- en/of behandelstrategie, waaronder bergrepen een effectieve en efficiënte interne werkwijze en het voorkomen van calculerend en/of anticiperend gedrag van belastingplichtigen en voorts ‘persoonlijke opvattingen/vrije meningsvorming/juridische advisering en afstemming’. Volgens belanghebbende vormen deze argumenten geen deugdelijke grond om beperkte kennisneming van deze passages te rechtvaardigen. Naar het oordeel van het Hof vormen de door de Inspecteur genoemde argumenten een deugdelijke grond voor beperkte kennisneming van die passages en wegen zij aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende in deze zaak bij kennisneming van die gegevens. Dat geldt dan ook voor de daarmee verband houdende ‘zwartgemaakte’ passages in de inhoudsopgave.
4.23.
Hoofdstuk 14 van het memo heeft betrekking op de invordering. Op de pagina’s 79, 80, 81, 82, 83, 84, 86, 87, 88 en 89 zijn verschillende passages ‘zwartgemaakt’. In aanmerking genomen dat de onderhavige procedure ziet op de rechtmatigheid van een informatiebeschikking, kunnen die passages geen relevantie hebben voor het geschil dat partijen in deze procedure verdeeld houdt, en hebben ze dat ook niet (zie overweging 4.18). In dat licht bezien, acht het Hof het belang van de Inspecteur bij beperkte kennisneming aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Dat geldt dan ook voor de daarmee verband houdende ‘zwartgemaakte’ passage in de inhoudsopgave.
Slotsom
De slotsom van deze tussenbeslissing is als volgt.
De Inspecteur dient het ‘Memo Project Duitse Informatie ( [E] )’ als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen (zie overweging 4.11). Wanneer de Inspecteur daarbij een beroep doet op beperkte kennisneming, zal zowel een ‘geschoonde’ versie van dit memo als een ‘ongeschoonde’ versie ervan moeten worden overgelegd. De ‘geschoonde’ versie zal aan belanghebbende worden verstrekt, de ‘ongeschoonde’ versie niet. Het verzoek tot beperkte kennisneming van dit memo zal op een tweede zitting op 13 januari 2021 worden behandeld.
Met betrekking tot het memo Verhuld Vermogen is beperkte kennisneming als door de Inspecteur verzocht gerechtvaardigd, behoudens met betrekking tot de passages als vermeld in overweging 4.20. Met inachtneming daarvan dient de Inspecteur een nieuwe ‘geschoonde’ versie van het memo Verhuld vermogen aan het Hof over te leggen. Na ontvangst daarvan en doorzending aan belanghebbende, zal aan belanghebbende toestemming worden gevraagd als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb. Deze toestemming zal worden gevraagd nadat het Hof een beslissing heeft genomen over het verzoek tot beperkte kennisneming van het ‘Memo Project Duitse Informatie ( [E] )’. In het geval de beslissing van het Hof daartoe aanleiding geeft, zal het Hof aan belanghebbende immers wederom toestemming als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb moeten vragen. Bij het niet verlenen van bedoelde toestemming door belanghebbende zal de zaak naar een andere meervoudige kamer van het Hof worden verwezen ter verdere behandeling. Door toestemming voor (mogelijk) beide memo’s gelijktijdig te vragen beoogt het Hof de rechtsgang zo efficiënt mogelijk te laten verlopen.
Proceskosten
Een beslissing met betrekking tot de proceskosten zal worden genomen in de einduitspraak van deze procedure.
5. Tussenbeslissing
Het Hof beslist als hiervóór onder ‘slotsom’ is vermeld en houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. I. Linssen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De tussenbeslissing is op 3 november 2020 in het openbaar uitgesproken.
De griffier De voorzitter,
(E.D. Postema) | (R. den Ouden) |
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op
Tegen deze tussenuitspraak staat geen rechtsmiddel open.