Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/9.1:9.1 Art. 6:162 BW
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/9.1
9.1 Art. 6:162 BW
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS349750:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen), r.o. 3.5.
Zie ook: Westenbroek 2015b.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De basis voor externe bestuurdersaansprakelijkheid is art. 6:162 BW, dat als volgt luidt:
Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.”
De in art. 6:162 BW geformuleerde gedragsnorm is, net zoals bij art. 2:9 BW, zonder twijfel een open norm: de bestuurder handelt onrechtmatig wanneer hij zelf (dus niet de rechtspersoon waarvan hij bestuurder is) inbreuk maakt op een recht of doet of nalaat in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De door de wetgever in art. 6:162 BW opgenomen beslissingsregel (zie over deze term par. 2.3.7) luidt dat als een rechtssubject, zoals een bestuurder, zelf onrechtmatig heeft gehandeld, hetgeen hem kan worden toegerekend, hij verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
De door de wetgever gestelde open norm is in de rechtspraak ingevuld en verfijnd, ook op het gebied van externe bestuurdersaansprakelijkheid. Als men kijkt naar de geschiedenis van de jurisprudentie over externe bestuurdersaansprakelijkheid, dan blijkt dat deze jurisprudentie in de periode tussen 1927 en 1997 steeds was gebaseerd op de ongeclausuleerde toepassing van dit art. 6:162 BW en dat een aantal duidelijk rechtsverfijnende arresten is gewezen. Kenmerkend voor deze jurisprudentie is dat deze normscheppend was en dat maatschappelijke betamelijkheidsnormen zijn geconcretiseerd. De Hoge Raad heeft toen duidelijk aan rechtsvormende rechtsvinding gedaan door rechtsverfijning (zie over deze term par. 2.4.9). De maatschappelijke betamelijkheidstoets van art. 6:162 BW werd ingekleurd aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval. In de periode tussen 1997 en 2005 heeft de Hoge Raad vervolgens een aantal arresten gewezen waarin de voornoemde jurisprudentie terugkomt. De Hoge Raad heeft daarbij echter een aantal keer (in wisselende samenstelling) gebruikgemaakt van de termen ‘voldoende’, ‘ernstig’, ‘persoonlijk’ en ‘verwijt’. Het gebruik van deze terminologie lijkt een rol te hebben gespeeld bij de introductie van de ernstigverwijtmaatstaf in het leerstuk van externe bestuurdersaansprakelijkheid in het arrest Ontvanger/Roelofsen1 uit 2006. In de periode tussen 2006 en heden heeft de Hoge Raad een aantal arresten gewezen waarin deze introductie nader werd onderbouwd. Om een goed beeld te krijgen van de hiervoor bedoelde rechtspraak en de wijze waarop de ernstigverwijtmaatstaf in 2006 in het leerstuk van externe bestuurdersaansprakelijkheid is geïntroduceerd, zal ik in dit hoofdstuk uitsluitend ingaan op de relevante overwegingen uit deze arresten zonder deze uitvoerig te becommentariëren.2 Ik zal deze arresten in hoofdstuk 10 vervolgens aan een rechtstheoretische analyse onderwerpen.