De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.6.2:4.6.2 Rechtszekerheid en enquéterecht
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.6.2
4.6.2 Rechtszekerheid en enquéterecht
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364824:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tussen de rechtszekerheid en de redelijkheid en billijkheid bestaat een zeker spanningsveld. Hoewel kan worden volgehouden dat partijen niet verbaasd kunnen zijn over de toepassing van de redelijkheid en billijkheid omdat deze nu eenmaal onderdeel is van de deelrechtsorde, is de realiteit anders. Om hun rechten en plichten te bepalen zijn partijen geneigd om af te gaan op de geschreven regels van de wet, statuten, reglementen en op hen toepasselijke overeenkomsten. Op grond van deze regels zullen zij concluderen dat zij bevoegd zijn om een bepaalde beslissing te nemen en zij zullen er niet altijd op bedacht (hoeven te) zijn dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid in een concreet geval een ogenschijnlijk aanvullende regel stelt omtrent de uitoefening van die bevoegdheden, of dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid een geschreven regel tijdelijk uitsluit. Dat geldt te meer, omdat verschillend gedacht kan worden over wat de redelijkheid en billijkheid in een concreet geval vordert.
Dit spanningsveld tussen rechtszekerheid en redelijkheid en billijkheid wordt (deels) opgelost in het onderscheid dat Timmerman1 ontwaart tussen de rechtspraak van de Hoge Raad over enerzijds de structuur van de vennootschap en anderzijds over de gedragsnormen. Als het gaat om de structuur stelt de Hoge Raad de rechtszekerheid voorop. Aan de hand van de uitleg van de letterlijke tekst van de desbetreffende regels wordt bepaald aan wie welke bevoegdheid toekomt. De Hoge Raad is terughoudend bij het afwijken van deze bevoegdheden, alsmede bij het onderwerpen van bevoegdheden aan ongeschreven medezeggenschapsbevoegdheden. Binnen de grenzen van deze bevoegdheden dienen gedragsnormen in acht te worden genomen en daarbij is juist veel ruimte voor het toepassen van de redelijkheid en billijkheid in de zin dat de concrete invulling van deze gedragsnormen sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Daarop kunnen de betrokken partijen bedacht zijn, omdat art. 2:8 lid 1 BW hen nu eenmaal verplicht om zich te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.
Het interessante is nu dat in de enquéteprocedure, waarin het draait om de beoordeling van gedrag,2 de structuur van de vennootschap kan worden veranderd. Overtreding van gedragsnormen, kan leiden tot het wijzigen van bevoegdheden, of de personen die deze kunnen uitoefenen.3 Aldus bezien doorkruist het enquéterecht de zekerheid die justitiabelen volgens Timmerman kunnen ontlenen aan de structuur van de vennootschap.
Tegelijkertijd bevordert de enquéteprocedure juist de rechtszekerheid. Als bij wijze van (onmiddellijke) voorziening een bevoegdheid tijdelijk buiten toepassing blijft, dan is dat voor iedereen duidelijk. In het kader van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is dat niet altijd het geval.4 Tevens kan de enquéteprocedure worden gebruik om de naleving van de regels van de deelrechtsorde af te dwingen. Personen die zich te weinig gelegen laten liggen aan deze regels kunnen bijvoorbeeld buiten spel worden gezet.