Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.6.7
3.6.7 De iura tollendi
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645015:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 827 OBW: “De spiegels, schilderijen en andere sieraden, welke de vruchtgebruiker heeft aangebragt, kunnen door hem of zijne erfgenamen worden terug genomen, mits de plaatsen in haren vorigen staat worden hersteld.”
Diephuis VI (1886), p. 262; Land II (1901), p. 382. Zie daarentegen Opzoomer, die stelde dat de vruchtgebruiker niet meer mocht afscheiden dan wat in de wet werd opgesomd: Opzoomer IV (1879), p. 103 e.v.; Zo waarschijnlijk ook Biegman-Hartogh (1971), p. 44.
Biegman-Hartogh (1971), p. 44. Hetzelfde gold in het Duitse recht. Ook daar werden de afscheidingsrechten gebruikt om een eigenaar te beschermen tegen de “opgedrongen” verrijking.
HR 30 oktober 1914; ECLI:NL:HR:1914:10.
Daarnaast kende de wet enkele bepalingen waarin een niet-eigenaar gerechtigd was om bestanddelen van een zaak af te scheiden die hij zelf heeft aangebracht. Zo mocht een vruchtgebruiker “spiegels, schilderijen en andere sieraden” verwijderen van de zaak die hij in vruchtgebruik had gekregen (art. 827 OBW).1 Door Diephuis en Land werd aangenomen dat de vruchtgebruiker niet alleen de in de wet opgesomde zaken, maar alle door hem toegevoegde zaken mocht afscheiden.2 Voorwaarde was wel dat hij de in vruchtgebruik gegeven zaak in de oude toestand moest herstellen. Dit hield in dat deze zaak zich in dezelfde staat moest bevinden zoals zij was voordat het recht van vruchtgebruik werd gevestigd. Het feit dat de erfgenamen van de vruchtgebruiker de toegevoegde zaken konden wegnemen, gaf aan dat het recht op afscheiding ook bestond na het eindigen van het recht van vruchtgebruik, aangezien dat laatste recht ophield te bestaan bij de dood van de vruchtgebruiker. Niet alleen de vruchtgebruiker, maar ook de opstalgerechtigde, de (erf)pachter, de huurder (art. 1603 OBW) en de bezitter, zowel te goeder als te kwader trouw (art. 636 OBW), hadden een afscheidingsrecht. Deze iura tollendi moesten voorkomen dat iemand ongegrond verarmd bleef, nadat hij verbeteringen had aangebracht aan een zaak van een ander. De afscheidingsrechten doorbraken de natrekkingsregels dus niet. Ze waren juist in het leven geroepen voor de gevallen waarin de afscheidingsgerechtigde zijn eigendomsrecht had verloren door natrekking. Anderzijds lag aan deze rechten de gedachte ten grondslag dat de verrijkte, dat wil zeggen degene wiens zaak door de verbetering meer waard was geworden, niet gedwongen kon worden om een vergoeding te betalen waar hij niet om had gevraagd, de zogenaamde “opgedrongen” verrijking.3
De “verarmings-/verrijkingskenmerken” werden verwoord door A-G Ledeboer in zijn conclusie in 1914. Hij moest zich uitspreken over de vraag of een huurder de eigendom had verkregen van de uitbouw die hij met zijn eigen materialen had gebouwd op de grond van de verhuurder. De huurder stelde zich op het standpunt dat uit art. 1603 OBW was af te leiden dat hij daarvan eigenaar was geworden. Ledeboer daarentegen, en later ook de Hoge Raad, oordeelde dat de huurder de eigendomsrechten op deze materialen verloor en daarom op grond van art. 1603 OBW een afscheidingsrecht had. Dit afscheidingsrecht moest bovendien een opgedrongen verrijking aan de zijde van de verhuurder/grondeigenaar voorkomen:
“Van soortgelijke strekking is ook art. 1603 B. W., dat in het middel als geschonden is voorgesteld. Ook daaruit is geenszins af te leiden, dat de huurder eigenaar zou zijn geworden van het door hem op den grond van den verhuurder daar gestelde, — de bepaling zou in dat geval juist overbodig zijn, — doch ook hier heeft men eensdeels ongerechtvaardigde verrijking, anderdeels benadeeling van den verhuurder-eigenaar, willen voorkomen.”4
De natrekkingsregels werden door de afscheidingsrechten niet buitenspel gezet. Blijft over de interessante vraag waarom de afscheidingsgerechtigde, zoals de vruchtgebruiker, opstalgerechtigde, (erf)pachter, huurder, bezitter, en niet de eigenaar van de hoofdzaak de eigendom verkrijgt?