De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/Bijlage A:Bijlage: Wet op stichtingen (Stb. 1956, 327)
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/Bijlage A
Bijlage: Wet op stichtingen (Stb. 1956, 327)
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232474:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 1
Een stichting is een door een rechtshandeling in het leven geroepen rechtspersoon, welke geen leden kent en beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een bepaald doel te verwezenlijken.
Indien de statuten een of meer personen de bevoegdheid geven in de vervulling van ledige plaatsen in organen van de stichting te voorzien, wordt zij niet uit dien hoofde aangemerkt leden te kennen.
Het doel van de stichting mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben.
Artikel 2
Een verboden stichting is nietig. Nochtans worden door derden te goeder trouw verkregen rechten erkend, tenzij uit de statuten blijkt dat de stichting verboden is, of tenzij zij reeds door de rechter krachten artikel 4 juncto artikel 14 van de wet van 22 April 1855 (Stb. 32) tot regeling en beperking der uitoefening van het recht van vereniging en vergadering is verboden verklaard.
Artikel 3
Een stichting moet onder de levenden worden opgericht bij notariële akte en na dode bij openbare uiterste wil; bij een andere uiterste wil opgericht, wordt de beschikking aangemerkt als een aan de erfgenaam opgelegde last om de stichting in het leven te roepen. Indien bij uiterste wil een last is opgelegd om een stichting in het leven te roepen, heeft het openbaar ministerie bij de rechtbank, binnen welker rechtsgebied het in artikel 7, lid 1, bedoelde openbaar centraal register wordt gehouden, een vordering tot nakoming van de last tegen de erfgenaam.
De akte, waarbij een stichting wordt opgericht, moet haar statuten bevatten benevens een aanwijzing van de zaken, die tot haar kapitaal worden bestemd.
De statuten moeten inhouden:
de naam der stichting, met het woord stichting als deel van de naam;
het doel der stichting;
de wijze van benoeming der bestuurders.
Wanneer aan de vereisten, in de vorige leden van dit artikel gesteld, is voldaan, is een stichting in het leven geroepen.
Mocht een stichting leden kennen, mocht haar vermogen ten enenmale onvoldoende zijn voor de verwezenlijking van haar doel en de mogelijkheid, dat een voldoend vermogen door bijdragen of op andere wijze in afzienbare tijd zal worden verkregen, in hoge mate onwaarschijnlijk zijn, of mocht zij een met artikel 1, lid 3, strijdig doel hebben, dan blijft zij desniettemin als stichting bestaan totdat zij door een rechterlijke uitspraak op uit anderen hoofde is ontbonden.
Artikel 4
Een stichting is gevestigd in de gemeente in Nederland, die in de statuten als plaats van vestiging is aangewezen.
Bij gebreke van een zodanige aanwijzing is de stichting gevestigd in de gemeente, waar de notaris voor wie de akte is verleden, ten tijde van het passeren der akte zijn standplaats had.
Artikel 5
Een stichting verkrijgt de zaken, die bij de oprichtingsakte voor het doel van de stichting zijn bestemd:
wanneer de stichting bij akte onder de levenden is opgericht door levering;
wanneer de stichting bij een openbare uiterste wil is opgericht en de erflater zijn gehele vermogen of een evenredig deel daarvan aan de stichting heeft vermaakt, door het enkele feit van het overlijden van de erflater;
wanneer de stichting bij een openbare uiterste wil is opgericht en de erflater bepaalde zaken uit zijn vermogen of slechts naar de soort bepaalde zaken tot kapitaal heeft bestemd, door levering.
Artikel 6
Behoudens het in de artikelen 9, 17 en 18 bepaalde, kunnen de statuten van de stichting slechts worden gewijzigd, indien zij zelf daartoe de mogelijkheid openen.
De wijziging moet bij notariële akte tot stand komen.
Artikel 7
Het bestuur draagt zorg, dat de stichting benevens de naam, de voornamen en de woonplaats of laatste woonplaats van de oprichter of oprichters en de naam, de voornamen en de woonplaats der bestuursleden worden ingeschreven in een daartoe bestemd openbaar centraal register. Bovendien moet een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar der statuten ter plaatse, waar dit centraal register wordt gehouden, ter openbare raadpleging, worden gedeponeerd.
Gelijke inschrijving en deponering moeten in geval van wijziging in de persoon der bestuurders of in de bepaling der statuten geschieden.
Zolang de eerste inschrijving en deponering niet zijn geschied, zijn naast de stichting de bestuurders hoofdelijk voor hun handelingen, ten name van de stichting verricht, aansprakelijk. Latere veranderingen in de persoon der bestuurders of in de bepalingen der statuten kunnen, wanneer zij niet zijn ingeschreven of gedeponeerd, niet aan derden, die daarvan onkundig zijn gebleven, worden tegengeworpen.
Een ieder, te wiens aanzien hetgeen in het register is ingeschreven, onvolledig of onjuist is, en het openbaar ministerie kunnen zich wenden tot de rechtbank, binnen welker rechtsgebied het register wordt gehouden, met het verzoek dan wel de vordering, al naar de omstandigheden, doorhaling, aanvulling of wijziging van het ingeschrevene te gelasten.
Alles wat veder betreft het register, het opbergen en bewaren der gedeponeerde statuten, het ter inzage geven en het geven van afschriften of uittreksels, alsmede de voor een en ander te berekenen kosten, wordt nader bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
Artikel 8
Het bestuur is, voor zover daaromtrent bij de statuten niet anders is bepaald, gerechtigd, om in naam van de stichting te handelen en in rechte op te treden.
Artikel 9
Indien ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen, die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild, en de statuten de mogelijkheid van wijziging niet voorzien of zij, die tot wijziging de bevoegdheid hebben, zulks nalaten, kan de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de stichting is gevestigd, op verzoek van een oprichter of van het bestuur of op vordering van het openbaar ministerie de statuten wijzigen.
De rechtbank wijkt daarbij zo min mogelijk van de bestaande statuten af en kan geen wijziging brengen in het doel of de doelomschrijving, voor zover de statuten deze wijziging hebben uitgesloten, Met inachtneming van het vorenstaande is de rechtbank bevoegd, zo nodig, de statuten op andere wijze te wijzigen, dan is verzocht of gevorderd.
Artikel 10
Indien een wijziging der statuten ten gevolge heeft dat de stichting op een grond als vermeld in artikel 15, lid 1, onder a, b of c, kan worden ontbonden, verklaart de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de stichting is gevestigd, op verzoek van iedere belanghebbende of op vordering van het openbaar ministerie, de wijziging nietig. De rechterlijke beschikking is voor en tegen een ieder van kracht.
Artikel 11
Het openbaar ministerie bij de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de stichting is gevestigd, is, bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd, dan wel het beheer naar behoren wordt gevoerd, bevoegd, aan het bestuur inlichtingen te verzoeken.
Bij niet- of niet-behoorlijke voldoening aan het verzoek kan de president van de in het vorige lid bedoelde rechtbank, desgevorderd, bevelen, dat aan het openbaar ministerie inzage van boeken en bescheiden der stichting wordt gegeven en de waarden der stichting worden getoond.
Artikel 12
Een bestuurder, die:
iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer, of
niet of niet behoorlijk voldoet aan een door de president der rechtbank ingevolge het vorige artikel, gegeven bevel, kan door de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de stichting is gevestigd, worden ontslagen. Dit kan geschieden op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van iedere belanghebbende.
De rechtbank kan, hangende het onderzoek, voorlopige voorzieningen in het beheer treffen en de bestuurder schorsen.
Een door de rechtbank ontslagen bestuurder van een stichting kan gedurende vijf jaren na het ontslag geen bestuurder van de stichting worden.
Artikel 13
Telkens, wanneer het door de statuten voorgeschreven bestuur geheel of gedeeltelijk ontbreekt en daarin niet overeenkomstig de statuten wordt voorzien, kan de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de stichting is gevestigd, op verzoek van iedere belanghebbende of op vordering van het openbaar ministerie in de vervulling van de ledige plaats voorzien. De rechtbank neemt daarbij zo veel mogelijk de statuten in acht.
Artikel 14
Een stichting wordt ontbonden:
ingevallen in de statuten bepaald;
door insolventie, nadat d stichting in staat van faillissement is verklaard;
door een rechterlijke beschikking overeenkomstig het volgende artikel.
De rechtbank, binnen welker rechtsgebied de stichting is gevestigd verklaart op verzoek van het bestuur of van iedere belanghebbend of op vordering van het openbaar ministerie, dat een stichting overeenkomstig het vorige lid onder a bepaalde is ontbonden, De rechterlijke beschikking is voor en tegen een ieder van kracht.
Artikel 15
Een stichting wordt door een beschikking van de rechtbank, binnen welker rechtsgebied zij is gevestigd, ontbonden:
indien de stichting een met artikel 1, lid 3, strijdig doel heeft;
indien de stichting leden kent;
indien het vermogen van de stichting ten enenmale onvoldoende is voor de verwezenlijking van haar doel en de mogelijkheid, dat een voldoend vermogen door bijdragen of op andere wijze in afzienbare tijd zal worden verkregen, in hoge mate onwaarschijnlijk is;
indien het doel van de stichting is bereikt of niet meer kan worden bereikt.
De beschikking wordt gegeven op verzoek van iedere belanghebbende of op vordering van het openbaar ministerie dan wel ambtshalve tegelijk met de afwijzing van een verzoek of vordering als bedoeld in artikel 9.
Een krachtens dit artikel gegeven rechtelijke beschikking is voor en tegen een ieder van kracht.
Artikel 16
Een stichting blijft na haar ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar zaken nodig is.
Bij een besluit, waarbij een stichting wordt ontbonden, kunnen tevens de vereffenaars worden aangewezen. Zijn noch bij een zodanig besluit noch door de statuten der stichting vereffenaars aangewezen, dan treedt het bestuur der stichting als zodanig op. Wordt door een rechterlijke beschikking een stichting ontbonden, dan worden bij deze beschikking tevens de vereffenaars aangewezen. In geval van insolventie nadat de stichting in staat van faillissement is verklaard, geschiedt de vereffening door de curator.
Voor zover de wet niet anders bepaalt, geschiedt de vereffening op overeenkomstige wijze als voor de vereffening van onbeheerde nalatenschappen is voorgeschreven.
Artikel 17
Wijziging van statuten door de rechtbank overeenkomstig artikel 9 is ook toegelaten om ontbinding van een stichting op een grond als vermeld in artikel 15, lid 1, onder a, b of c, te voorkomen.
Artikel 18
De rechtbank kan in een geding, waarin ontbinding van een stichting op een grond als vermeld in artikel 15, lid 1, onder a, b of c, verzocht of gevorderd wordt in plaats van de stichting te ontbinden de statuten wijzigen dan wel de statutenwijziging, waardoor de grond tot ontbinding is ontstaan, nietig verklaren.
Artikel 19
Indien het bestuur van een stichting de mogelijkheid aanwezig acht dat de stichting kan worden ontbonden op een grond als vermeld in artikel 15, lid 1, onder a, b of c, kan het bestuur aan de rechtbank machtiging verzoeken om de stichting binnen een door de rechtbank te bepalen termijn om te zetten in een naamloze vennootschap of vereniging. Bij toewijzing van het verzoek zijn de volgende leden van toepassing en is binnen de door de rechtbank bepaalde termijn en in geval van omzetting ook daarna op de aangevoerde grond ontbinding van de stichting niet mogelijk.
Ligt de grond tot ontbinding van de stichting hierin, dat zij een met artikel 1, lid 3, strijdig doel heeft, dan kan zij bij besluit van het bestuur, met eenvoudige meerderheid genomen, worden omgezet in een naamloze vennootschap, mits van dat besluit een notariële akte wordt opgemaakt en binnen de door de rechtbank bepaalde termijn een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Koophandel is verkregen. Op overeenkomstige wijze is een beperkte, aan het doel van de stichting aangepaste omzetting mogelijk, indien de grond hierin ligt, dat haar doel slechts ten dele strijdig is met artikel 1, lid 3.
Ligt de grond tot ontbinding van de stichting hierin, dat zij leden kent of dat haar vermogen ten enenmale onvoldoende is voor de verwezenlijking van haar doel en de mogelijkheid, dat een voldoend vermogen door bijdragen of op andere wijze in afzienbare tijd zal worden verkregen, in hoge mate onwaarschijnlijk is, dan kan de stichting bij besluit van het bestuur, met eenvoudige meerderheid genomen, worden omgezet in een vereniging met rechtspersoonlijkheid krachtens de wet van 22 April 1855 (Stb. 32), mits binnen per de rechtbank bepaalde termijn op de akte van omzetting een goedkeuring als bedoeld in artikel 6 dier wet is verkregen.
Ligt de grond tot ontbinding van de stichting hierin, dat zij leden kent en heeft de stichting de bevordering van de stoffelijke belangen der leden ten doel, dan kan de stichting bij besluit van het bestuur, met eenvoudige meerderheid genomen, worden omgezet in een coöperatieve vereniging, mits binnen de door de rechtbank bepaalde termijn van de omzetting een notariële akte wordt opgemaakt overeenkomstig de Wet op de Coöperatieve Verenigingen (Stb. 1925, 204).
Een omzetting krachtens een der voorafgaande drie leden va dit artikel doet de activa en de passiva van de stichting op de naamloze vennootschap onderscheidenlijk de vereniging overgaan. In geval van een beperkte omzetting als bedoeld in het tweede lid gaan de activa van de stichting, welke in de in dat lid bedoelde akte voor overgang op de naamloze vennootschap zijn aangewezen, op de naamloze vennootschap over en zijn voor de passiva van de stichting ten tijde van de omzetting de stichting en de naamloze vennootschap hoofdelijk verbonden.
Ter zake van een omzetting, als bedoeld in het vorige lid, is geen registratierecht, schenkingsrecht of omzetbelasting verschuldigd. Onze Minister van Financiën kan onder door hem te stellen voorwaarden bepalen, dat ter zake van een omzetting als bedoeld is in het tweede lid de heffing van vennootschapsbelasting achterwege blijft.
Gedurende tien jaren na de omzetting is een besluit tot ontbinding der rechtspersoon slechts geldig, wanneer de bestemming van het batig saldo der vereffening door Onze Minister van Justitie is goedgekeurd.
Artikel 20
Indien een stichting op een grond als vermeld in artikel 15, lid 1, onder a, b of c, door de rechtbank wordt ontbonden, kan de rechtbank tevens bepalen, dat gedurende een door haar te bepalen termijn de ontbinding geen gevolg heeft en dat gedurende die termijn de ontbinding ongedaan kan worden gemaakt doordat de stichting met overeenkomstige toepassing van lid 2, 3 of 4 van het vorige artikel in een naamloze vennootschap of vereniging wordt omgezet. De leden 5, 6 en 7 van dat artikel zijn mede van overeenkomstige toepassing.
Artikel 21
De rechter beslist niet ingevolge deze wet dan na verhoor van het openbaar ministerie, na verhoor of behoorlijke oproeping van het bestuur der stichting, en voor zover hij dit gewenst oordeelt, van belanghebbenden. Hij bepaalt zowel de wijze van oproeping als de in acht te nemen termijnen. De beschikking van de rechter is op straffe van nietigheid met redenen omkleed.
Het openbaar ministerie, ieder lid van het bestuur en iedere belanghebbende kan in hoger beroep komen van de beschikkingen, ingevolge deze wet gegeven. Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden na de dagtekening van de beschikking. Op het hoger beroep vinden de bepalingen van het eerste lid overeenkomstige toepassing.
Het openbaar ministerie, ieder lid van het bestuur en iedere belanghebbende kan in cassatie komen van een in hoger beroep gegeven beschikking. Het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen twee maanden na de dagtekening van de beschikking.
In afwijking van hetgeen in de twee vorige leden is bepaald, staat tegen een krachtens artikel 11, lid 2, gegeven beschikking van de president der rechtbank geen hoger beroep of cassatie open.
Artikel 22
Hangende een geding, waarin het uitspreken van de nietigheid of ontbinding van een stichting verzocht of gevorderd wordt, kan aan het bestuur. der stichting de bevoegdheid tot het verrichten van rechtshandelingen bij voorraad worden ontzegd.
Artikel 23
In kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken, inhoudende nietigheid van de stichting,
doorhaling, aanvulling of wijziging van het in het register ingeschrevene,
wijziging van de statuten van de stichting,wijziging van of voorziening in het bestuur,
nietigverklaring van een wijziging van de statuten,
ontbinding van de stichting,
een verklaring, als bedoeld in artikel 14, lid 2,
een machtiging tot omzetting van de stichting in een naamloze vennootschap of vereniging, of
een beschikking bij voorraad als genoemd in artikel 22,
worden door de zorg van de griffier ingeschreven in het in artikel 7 genoemde register. Zolang de inschrijving niet is geschied, werken de uitspraken niet tegen derden, die met de stichting hebben gehandeld, tenzij zij met de inhoud der uitspraak bekend waren of hadden behoren te zijn.
De inschrijving van de ontbinding van een stichting geschiedt door de zorg van het bestuur in het geval, bedoeld in artikel 14, lid 1, onder a, voor zover in dat geval geen beschikking door de rechter is gegeven, en door de zorg van de curator in het geval bedoeld in artikel 14, Lid 1, onder b. Het aan het slot van het vorige Lid bepaalde is daarbij van overeenkomstige toepassing.
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 24
De. bepalingen van deze wet zijn mede van toepassing op het tijdstip van het inwerkingtreden van deze wet als stichting optredende rechtspersonen, voor zover hieronder niet anders is bepaald.
Artikel 25
Ontbreekt een stichtingsakte of voldoet deze niet aan de in artikel 3 gestelde vereisten, dan is het bestuur binnen drie jaren na het inwerkingtreden van deze wet bevoegd, alsnog een notariële akte te doen verlijden, waarin aan de eisen, die artikel 3 aan de statuten stelt, wordt voldaan en waardoor de rechtspersoonlijkheid behouden blijft. Deze akte moet op dezelfde wijze als een stichtingsakte worden ingeschreven in het daartoe bestemde register.
Artikel 26
Artikel 7, lid 2, vindt op bestuurders van op het tijdstip van het inwerkingtreden van deze wet als stichting optredende rechtspersonen slechts toepassing ten aanzien van handelingen, die door hen meer dan drie jaren na het inwerkingtreden van deze wet worden verricht.
Artikel 27
Gedurende vijf jaren na het inwerkingtreden van deze wet kan de rechter niet de ontbinding van een op het tijdstip van het inwerkingtreden van deze wet als stichting optredende rechtspersoon uitspreken op een in artikel 15, lid 1, onder a, b of c, omschreven grond.
Een op het tijdstip van het inwerkingtreden van deze wet als stichting optredende rechtspersoon, welker doel strijdig is met artikel 1, lid 3, kan bij besluit van het bestuur, met eenvoudige meerderheid genomen, worden omgezet in een naamloze vennootschap, mits van dat besluit een notariële akte wordt opgemaakt en binnen de genoemde termijn van vijf jaren een verklaring van geen bezwaar als bedoelt in artikel 36e Wetboek van Koophandel is verkregen. Voor een dergelijke rechtspersoon, welker doel slechts ten dele strijdig is met artikel 1, lid 3, is op overeenkomstige wijze een beperkte, aan dat doel aangepaste omzetting mogelijk.
Heeft een op het tijdstip van het inwerkingtreden van deze wet als stichting optredende rechtspersoon een niet met artikel 1, lid 3, strijdig doet, doch kent zij leden of is haar vermogen ten enenmale onvoldoende voor de verwezenlijking van haar doel en de mogelijkheid, dat een voldoend vermogen door bijdragen of op andere wijze in afzienbare tijd zal worden verkregen, in hoge mate onwaarschijnlijk, dan kan zij bij besluit van het bestuur, met eenvoudige meerderheid genomen, worden omgezet in een vereniging met rechtspersoonlijkheid krachtens de wet van 22 April 1855 (Stb. 32), mits binnen de genoemde termijn van vijf jaren op de akte van omzetting een goedkeuring als bedoeld in artikel 6 dier wet is verkregen.
Een op het tijdstip van het inwerkingtreden van deze wet als stichting optredende rechtspersoon, die leden kent en de bevordering van de stoffelijke belangen der Leden ten doel heeft, kan bij besluit van het bestuur, met eenvoudige meerderheid genomen, worden omgezet in een coöperatieve vereniging, mits van dat besluit binnen de genoemde termijn van vijf jaren een notariële akte wordt opgemaakt overeenkomstig de Wet op de Coöperatieve Verenigingen (Stb. 1925, 204).
Een omzetting krachtens een der voorafgaande drie leden van dit artikel doet de activa en de passiva van de stichting op de naamloze vennootschap onderscheidenlijk de vereniging overgaan. In geval van een beperkte omzetting als bedoeld in het tweede lid gaan de activa van de stichting, welke in de in dat lid bedoelde akte voor overgang op de naamloze vennootschap zijn aangewezen, op de naamloze vennootschap over en zijn voor de passiva van de stichting ten tijde van de omzetting de stichting en de naamloze vennootschap hoofdelijk verbonden.
Ter zake van een omzetting, als bedoeld in het vorige lid, is geen registratierecht, schenkingsrecht of omzetbelasting verschuldigd. Onze Minister van Financiën kan onder door hem te stellen voorwaarden bepalen, dat ter. zake van een omzetting als bedoeld is in het tweede lid de heffing van vennootschapsbelasting achterwege blijft.
Gedurende tien jaren na de omzetting is een besluit tot ontbinding der rechtspersoon slechts geldig, wanneer de bestemming van het batig saldo der vereffening door Onze Minister van Justitie is goedgekeurd.
Artikel 28
De bepalingen van deze wet zijn niet van toepassing op:
kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen;
kerkelijke stichtingen;
stichtingen, bedoeld in de Koninklijke Besluiten van 26 December 1818 (Stb. 48), 2 December 1823 (Stb. 49) en 12 Februari 1829 (Stb, 3);
stichtingen, bedoeld in de Wet van 29 October 1892 (Stb. 240);
instellingen van weldadigheid, bedoeld in de Armenwet;
fondsen, ten aanzien waarvan de in artikel 4, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet bedoelde goedkeuring van statuten en reglementen is aangevraagd en niet is geweigerd;
het fonds, waarop van toepassing is de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds (Wet van 16 September 1954, Stb. 407).
Artikel 29
De bepalingen van deze wet zijn, ten ware zij bij de statuten van toepassing zijn verklaard, niet van toepassing ten aanzien van stichtingen, die uitsluitend of mede zijn of worden opgericht door de Staat, een provincie, een gemeente of een lichaam, als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, dan wel die ingevolge wettelijk voorschrift met een taak zijn of worden belast.
Ten aanzien van zodanige op het tijdstip van het inwerkingtreden van dezer wet bestaande stichtingen kunnen gedurende vijf jaren na dat tijdstip de bepalingen van deze wet van toepassing worden verklaard bij wijziging van de statuten. Zodanige wijziging kan worden totstandgebracht overeenkomstig de regelen, in de statuten voor wijziging van de statuten voorgeschreven, en bij het ontbreken van zodanige regelen bij meerderheidsbesluit van het bestuur.
De bepalingen van deze wet zijn verder niet van toepassing ten aanzien van stichtingen, welke om redenen van algemeen belang bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen. Een zodanige aanwijzing kan om redenen van algemeen belang of op verzoek van de stichting vervallen worden verklaard.
Artikel 30
In het eerste lid van artikel 1 van de wet van 1 Mei 1925 (Stb. 174) tot herziening in het algemeen belang van bij erfstelling of legaat gemaakte bedingen worden tussen de woorden “gemaakt beding” en “op verzoek van” ingelast de woorden: “met uitzondering van een beding, waarbij een stichting is in het leven geroepen”.
Artikel 31
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel “Wet op stichtingen”.
Artikel 32
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.