TFO 2025/200.7
Over internationale politieke akkoorden, EU Pijler 2-Richtlijn en rechtsmisbruik
Mr. C. Wisman, datum 13-08-2025
- Datum
13-08-2025
- Auteur
Mr. C. Wisman1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD21532:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht (R)
Internationaal belastingrecht / BEPS
Europees belastingrecht / Algemeen
Europees belastingrecht (V)
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Verbonden aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). De auteur is bereikbaar via c.wisman@uva.nl. De kopij is afgesloten op 20 juli 2025.
De G7 wordt gevormd door de landen Frankrijk, Verenigde Staten, Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Japan, Italië en Canada. De EU is ook aangesloten en wordt vertegenwoordigd door de voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad. Volledigheidshalve, de Europese Raad en de Europese Commissie zijn op het gebied van de directe belastingen geen Uniewetgever. De Europese Raad: “... geeft de nodige impulsen voor de ontwikkeling van de Unie en bepaalt de algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten. Hij oefent geen wetgevingstaak uit.”, art. 15 VEU. De Europese Commissie “... bevordert het algemeen belang van de Unie en neemt daartoe passende initiatieven.”, art. 17 VEU.
Beschikbaar via https://g7.canada.ca/en/news-and-media/news/g7-statement-on-global-minimum-taxes/. Dezelfde dag verschenen ook verschillende unilaterale persberichten vanuit de G7-staten waarin het statement werd omarmd. Zie bijvoorbeeld Verenigde Staten, G7 Statement on Global Minimum Tax, 28 juni 2025, beschikbaar via https://home.treasury.gov/news/press-releases/sb0181 van 28 juni 2025, Canada, G7 statement on global minimum taxes, zie https://www.canada.ca/en/department-finance/news/2025/06/g7-statement-on-global-minimum-taxes.html en Verenigd Koninkrijk, G7 reach agreement on global minimum tax, beschikbaar via https://www.gov.uk/government/news/g7-reach-agreement-on-global-minimum-tax.
De OECD/G20 Pillar 2 Rules gelden als ‘common approach’: “A jurisdiction that joins the common approach is not required to adopt the GloBE Rules but, if it chooses to do so, it agrees to implement and administer them in a way that is consistent with the outcome provided under the GloBE Rules and the commentary on the GloBE Rules (including the agreement as to rule order).” Zie OECD, Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy – Commentary to the Global Anti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two), Parijs: OECD 2022, p. 8.
Momenteel is bijna driekwart van de staten ter wereld lid van het IF. Niettemin, slechts een deel daarvan heeft reeds daadwerkelijk nationale wetgeving met bijheffingregels aangenomen. Voor een actueel overzicht van de deelnemende staten aan het OECD/G20 Inclusive Framework on BEPS, zie https://www.oecd.org/tax/beps/inclusive-framework-on-beps-composition.pdf.
Via een kwalificerende binnenlandse bijheffing (Qualified Domestic Top-up Tax, QDMTT). Voor een bespreking, zie H. Vermeulen,‘Heffingsvarianten van de Wet minimumbelasting 2024’, TFO 2024/192.1.
Via een kwalificerende inkomen-inclusiebijheffing (Qualified Income Inclusion Rule, IIR) of een kwalificerende onderbelastewinstbijheffing (Qualified Undertaxed Profits Rule, UTPR). Voor een bespreking, zie H. Vermeulen, ‘Heffingsvarianten van de Wet minimumbelasting 2024’, TFO 2024/192.1.
De OECD/G20 Pillar 2 Rules zien enkel op multinationale groepen, binnen de EU zien de Pijler 2-regels op multinationale én binnenlandse groepen.
OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project, Statement on a Two-Pillar Solution to Address the Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy, 8 oktober 2021 en alle volgende stukken.
Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen (EU-Pijler 2-Richtlijn).
De uitsluiting lijkt niet te zien op toepassing van de Qualified Domestic Top-up-Tax (QDMTT).
Zie voor een bespreking van de kenmerken van het Amerikaanse systeem ook A.M. Blaakman & J.R. Goudsmit, ‘Het Amerikaanse belastingsysteem en Pijler 2 – een (on)gelukkig huwelijk?’, TFO 2024/192.3.
Volledigheidshalve, de Verenigde Staten hebben aangegeven de politieke instemming ten aanzien van het OECD/G20 Two Pillar Solution in te trekken. Zie o.a. statement van de Verenigde Staten tot intrekking van de politieke instemming en aankondiging van mogelijke tegenmaatregelen van 20 januari 2025, beschikbaar via https://www.whitehouse.gov/presidential-actions/2025/01/the-organization-for-economic-co-operation-and-development-oecd-global-tax-deal-global-tax-deal/.
Het voorgestelde en na het G7 Statement weer ingetrokken Section 899, getiteld “enforcement of remedies against unfair foreign taxes” van de One Big Beautiful Bill Act (OBBBA) in de versie ‘Engrossed in House (05/22/2025)’, beschikbaar via https://www.congress.gov/bill/119th-congress/house-bill/1/text/eh.
Momenteel zijn er 38 staten lid van de OECD, https://www.oecd.org/en/about/members-partners.html. Van het OECD/G20 Inclusive Framework on BEPS zijn 147 staten lid, https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/topics/policy-issues/beps/inclusive-framework-on-beps-composition.pdf.
Verklaring van de secretaris-generaal van de OESO over de voortgang van de G7 op het gebied van internationale belastingsamenwerking, 28 juni 2025, beschikbaar via https://www.oecd.org/en/about/news/speech-statements/2025/06/statement-by-the-oecd-secretary-general-on-g7-progress-on-international-tax-co-operation.html?utm_source=twitter&utm_medium=social&utm_campaign=G7&utm_content=en&utm_term=pac.
Verklaring van de secretaris-generaal van de OESO over de voortgang van de G7 op het gebied van internationale belastingsamenwerking, 28 juni 2025, beschikbaar via https://www.oecd.org/en/about/news/speech-statements/2025/06/statement-by-the-oecd-secretary-general-on-g7-progress-on-international-tax-co-operation.html?utm_source=twitter&utm_medium=social&utm_campaign=G7&utm_content=en&utm_term=pac.
Vanaf OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project, Statement on a Two-Pillar Solution to Address the Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy, 8 oktober 2021 (OESO/G20 statement oktober 2021) tot OECD/G7 statement, 28 juni 2025.
M.F. de Wilde & C. Wisman, 'OECD Consultation on the Digital Economy: 'Tax Base Relocation' and 'I'll Tax If You Don't'?', in: P. Pistone & D. Weber (eds.), Taxing the Digital Economy: The EU Proposals and Other Insights (p. 3-26). (EATLP Internationale Belastingserie). IBFD, augustus 2019.
P. Saint-Amans, 30 juni 2025, beschikbaar via https://www.bruegel.org/first-glance/implications-g7-agreement-global-minimum-tax.
Zie Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen (EU Pijler 2-Richtlijn).
OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project, Statement on a Two-Pillar Solution to Address the Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy, 8 oktober 2021.
Op grond van art. 115 jo. 288 VWEU. Art. 115 VwEU voorziet in de ‘onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten welke rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de interne markt’. HvJ EU A-G Kokott heeft in haar conclusie van 22 mei 2025, C‑524/23 (Commissie/België) het standpunt ingenomen dat art. 115 VwEU mogelijk géén wettelijke grondslag biedt voor de EU ATAD (Richtlijn 2016/1164 (ATAD1) en Richtlijn 2017/952 (ATAD2)): “Door de lidstaten een uniforme minimumbescherming van de nationale vennootschapsbelastingstelsels tegen belastingontwijking op te leggen, beperkt de richtlijn juist de mogelijkheden van ondernemingen om grensoverschrijdend op te treden. Aldus belemmert zij de uitoefening van de fundamentele vrijheden in plaats van deze te bevorderen. … Aangezien de eerbiediging van de fundamentele vrijheden van de marktdeelnemer juist de werking van de interne markt dient, lijkt het tegenstrijdig om ervan uit te gaan dat een beperking van dezelfde fundamentele vrijheden hetzelfde doel kan bevorderen. … Voor zover de Uniewetgever de voor de interne markt gunstige gevolgen ziet in de onderlinge aanpassing van de wetgevingen en de daaruit voortvloeiende vermindering van marktverstoringen, volstaat dit in beginsel niet als grondslag voor de bevoegdheid op grond van artikel 115 VWEU. Harmonisatie is geen doel op zich.”, r.o. 26-30. In de literatuur is opgemerkt dat deze redenering mogelijk ook zou kunnen gelden ten aanzien van de EU Pijler 2-Richtlijn. Zie J.J.A.M. Korving, ‘De rechtsgrondslag van de Pijler 2-richtlijn en de ‘kennelijke fout’-doctrine’, NLF-W 2025/20. In deze context merk ik op dat art. 115 VwEU ruim is geformuleerd en dat het HvJ EU eerder heeft geoordeeld dat misbruik van Unierecht moet worden bestreden omdat dergelijk misbruik afbreuk doet aan de ‘economische samenhang en de goede werking van de interne markt’. Zie HvJ 26 februari 2019, gevoegde zaken C‑116/16 en C‑117/16 (T. Danmark en Y Denmark), r.o. 79. Naar mijn idee is het daarom ook goed denkbaar dat het HvJ EU in art. 115 VwEU wél een grondslag ziet voor de EU ATAD, en ook voor de EU Pijler 2-Richtlijn.
Zie Wet van 20 december 2023 tot invoering van een minimumbelasting en wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PbEU 2022, L 328/1) (Wet minimumbelasting 2024), Stb. 2023, 510. Voor een bespreking van de WMB 2024 zie bijvoorbeeld M.M. De Reus, D. Salehi, H. Vermeulen & C. Wisman, De Wet minimumbelasting 2024 (Pijler 2), FED Fiscale Brochures, Kluwer.
Zie E. Lamer & S. Petitjean, ‘EU Commission Doesn’t Foresee Need to Change Pillar 2 Directive’, Tax Notes International, vol. 119, 7 juli 2025, p. 118-120, beschikbaar via taxnotes.com.
Al is dit uiteindelijk aan het HvJ EU. Bij de uitleg van een richtlijn op het gebied van de directe belastingen, lijkt het HvJ EU overigens weinig waarde te hechten aan uitlatingen van de Europese Commissie. Zie HvJ EU 3 april 2025, C-228/24 (Nordcurrent).
HvJ EU 26 oktober 2010, C-97/09 (Ingrid Schmelz); HvJ EU 8 december 2022, C-694/20 (Orde van Vlaamse Balies); HvJ EU 22 november 2022, C-37/20 (WM) en C-601/20 (Sovim SA).
HvJ EU 3 september 2008, gevoegde zaken C‑402/05 P en C‑415/05 P, ECLI:EU:C:2008:461 (Kadi), r.o. 299-304. Zie nader M.F. de Wilde & C. Wisman, ‘Waarom alle bijheffingsvarianten in de Pijler 2-richtlijn botsen met de EU-verdragsvrijheden (en hoe dit op te lossen)’, NLF-W 2025/18, 11 juni 2025.
Mogelijk geeft het HvJ EU al snel meer duidelijkheid over de verenigbaarheid van de EU Pijler 2-Richtlijn en het primaire Unierecht. Het Belgische Constitutionele Hof heeft namelijk op 17 juli 2025 beslist de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schenden de artikelen 12 tot 14 van de richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 «tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie», in zoverre die bepalingen de lidstaten verplichten de in de Unie gevestigde groepsentiteiten van een MNO-groep te onderwerpen aan een UTPR-bijheffing, waardoor die entiteiten belastingplichtig zouden worden voor onderbelaste winsten gerealiseerd door andere groepsentiteiten in een andere jurisdictie, en dit zonder dat een onderscheid zou worden gemaakt naargelang de financiële draagkracht van die belastingplichtige groepsentiteiten, de artikelen 15, 16, 17, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel van fiscale territorialiteit ?” De volledige uitspraak is beschikbaar via https://www.const-court.be/public/n/2025/2025-104n.pdf.
Zie nader M.F. de Wilde & C. Wisman, ‘Waarom alle bijheffingsvarianten in de Pijler 2-richtlijn botsen met de EU-verdragsvrijheden (en hoe dit op te lossen)’, NLF-W 2025/18, 11 juni 2025. Zie over diverse vraagstukken en knelpunten: L. De Broe & M. Massant, ‘Are the OECD/G20 Pillar Two GloBE-Rules Compliant with the Fundamental Freedoms?’, EC Tax Review 2021, vol. 30, nr. 3, p. 86-98; J. Englisch, ‘Dynamic References to International Soft Law Agreements: Flexibility With Limits’, EC Tax Review 2024, vol. 33, nr. 1, p. 2-7; G. Kofler, ‘The “Decluttering” of EU Direct Tax Law’, EC Tax Review 2025, vol. 34, nr. 1, p. 2-7; J. English, ‘Non-harmonized Implementation of a GloBE Minimum Tax: How EU Member States Could Proceed’, EC Tax Review 2021, vol. 30, nr. 5/6, p. 207-219; W. Haslehner, ‘The Costs of Pillar 2: Legitimacy, Legality, and Lock-in’, Intertax 2023, vol. 51, nr.. 10, p. 634-637; F. Debelva & L. de Broe, ‘Pillar 2: An Analysis of the IIR and UTPR from an International Customary Law, Tax Treaty Law and European Union Law Perspective’, Intertax 2022, vol. 50, nr. 12, p. 898-906; V. Chand, A. Turina & K. Romanovska, ‘Tax Treaty Obstacles in Implementing the Pillar Two Global Minimum Tax Rules and a Possible Solution for Eliminating the Various Challenges’, World Tax Journal 2022, vol. 14, nr. 1; M.P. Devereux & J. Vella, ‘The Impact of the Global Minimum Tax on Tax Competition’, World Tax Journal 2023, vol. 15, nr. 3; J.F. Pinto Nogueira, ‘GloBE and EU Law: Assessing the Compatibility of the OECD’s Pillar II Initiative on a Minimum Effective Tax Rate with EU Law and Implementing It within the Internal Market’, World Tax Journal 2020, vol. 12, nr. 3; T.M. Vergouwen, ‘De reikwijdte van de verplichting tot (bij)heffing op grond van de Pijler 2-richtlijn in relatie tot derde staten in het licht van het arrest Generalstaatsanwaltschaft München’, NLF-W 2023/25; S.R. Pancham, ‘De Pillar 2-heffing en belastingverdragen. Toch geen strijdigheid?’, NLF Opinie 2023/4; L. van Heijningen, ‘Ongeschreven internationaal fiscaal gewoonterecht, de Nederlandse rechtsorde en de UTPR’, NLF-W 2024/11; M.J.A.M. van Gijlswijk & L. van Heijningen, ‘De (ir)relevantie van de wetsgeschiedenis bij de uitleg van implementatiebepalingen’, NLF-W 2022/18; G.K. Fibbe & M.M. Makkinje, ‘De Wet minimumbelasting 2024 en de verhouding tot artikel 1 EP EVRM’, WFR 2023/32; J.R. Goudsmit & L.C. van Hulten, ‘Pijler 2: enkele verdragsaspecten’, WFR 2023/41; L. den Ridder, ‘Europeesrechtelijke knelpunten van de Income Inclusion Rule (Pillar 2)’, WFR 2021/104; H. Vermeulen, ‘Heffingsvarianten van de Wet minimumbelasting 2024’, TFO 2024/192.1; T.M. Vergouwen, ‘De interactie tussen richtlijnen en belastingverdragen: drie casusposities’, MBB 2024/45; S.R. Pancham & G.K. Fibbe, ‘Pillar 2: de CFC-regeling in de Wet minimumbelasting 2024’, MBB 2023/33.
Zie ook L. Parada, ‘Pillar Two in Europe: Tax Justice or Strategic Misstep?’, KluwerTaxBlog 16 juli 2025: “A more blunt but realistic option is to simply repeal a Directive that should never have existed.”
Art. 268 VwEU jo. art. 340, tweede alinea VWEU. Vergelijk ook HvJ EU 5 maart 1906, gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93 (Brasserie du pêcheur SA en Factortame); HvJ EU 19 november 1991, gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90 (Francovich).
Zie bijvoorbeeld HvJ EU 20 september 2016, C‑8/15 P–C‑10/15 P (Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB), r.o. 64: “Volgens vaste rechtspraak moet voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU aan een aantal voorwaarden zijn voldaan, namelijk de onrechtmatigheid van de aan de instelling van de Unie verweten gedraging, het daadwerkelijk bestaan van schade en het bestaan van een causaal verband tussen de gedraging van de instelling en de gestelde schade.”
Vergelijk bijvoorbeeld HvJ EU 16 juli 2009, C‑440/07 P (Commissie vs. Schneider Electric SA, Duitsland en Frankrijk).
Zoals genoemd in art. 13 VEU. Daarnaast wordt onder ‘instelling’ verstaan “… alle organen en instanties van de Unie die bij of krachtens de Verdragen zijn ingesteld om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.” Zie HvJ EU 16 december 2020, gevoegde zaken C‑597/18 P, C‑598/18 P, C‑603/18 P en C‑604/18 P (Raad van de Europese Unie), r.o. 78-80; HvJ EU 10 april 2002, T-209/00 (Frank Lamberts), r.o. 49; en HvJ EU 2 december 1992, C‑370/89 (SGEEM en Etroy/EIB), r.o. 13-16.
Zie W. Boei & L.K. Voogt, Verslag najaarscongres 2024 van EFS, Erasmus University Rotterdam, ‘Hebben Pillars I en II wel toekomst?’, WFR 2025/4.
HvJ EU 3 april 2025, C-228/24 (Nordcurrent), r.o. 23. Zie ook HvJ EU 12 mei 2022, C‑556/20 (Schneider Electric), r.o. 40.
HvJ EU 3 september 2023, gevoegde zaken C‑611/22 P en C‑625/22 P (Illumina Inc), r.o. 116.
HvJ EU 3 september 2023, gevoegde zaken C‑611/22 P en C‑625/22 P (Illumina Inc), r.o. 127; HvJ EU 6 oktober 1982, 283/81 (Cilfit e.a.), r.o. 20 en HvJ EU 6 oktober 2021, C‑561/19 (Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi), r.o. 46.
HvJ EU 6 oktober 2021, C‑561/19 (Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi), r.o. 46, Zie ook HvJ EU 6 oktober 1982, 283/81 (Cilfit) en HvJ EU 28 juli 2016, C-379/15 (Association France Nature Environnement), r.o. 49.
HvJ EU 13 maart 2025, C‑135/24 (John Cockerill SA), r.o. 47.
Zie o.a. onderdelen 2, 5 en 11 EU Pijler 2-Richtlijn.
Overigens kunnen ook EU lidstaten misbruik van Unierecht maken. Dat blijft in deze bijdrage onbesproken.
Zie bijvoorbeeld HvJ EU 26 februari 2019, gevoegde zaken C‑115/16, C‑118/16, C‑119/16 en C‑299/16; en HvJ EU 26 februari 2019, gevoegde zaken C-116/16, nr. C-117/16.
HvJ EU 26 februari 2019, gevoegde zaken C‑115/16, C‑118/16, C‑119/16 en C‑299/16, r.o. 111-120. Zie ook HvJ EU18 december 2014, gevoegde zaken C‑131/13, C‑163/13 en C‑164/13 (Schoenimport Italmoda), r.o. 57.
In het subjectieve element zit aldus een toets van meer subjectieve aard (oogmerk) en een toets van meer objectieve aard (kunstmatigheid).
Zoals het effectief belastingtarief.
Hetgeen de vraag oproept naar de verenigbaarheid hiervan met het primaire Unierecht. Zie bijvoorbeeld HvJ EU 21 februari 2006, C‑255/02 (Halifax e.a.); HvJ EG 12 september 2006, C-196/04 (Cadbury Schweppes); HvJ EU 22 december 2010, C-103/09 (Weald Leasing); HvJ EU 22 november 2017, C-251/16, (Cussens); HvJ EU 20 december 2017, C-504/16 en C-613/16, (Deister Holding en Juhler holding); en HvJ EU 26 februari 2019, gevoegde zaken C‑115/16, C‑118/16, C‑119/16 en C‑299/16; en HvJ EU 26 februari 2019, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16.
Zie nader M.F. de Wilde & C. Wisman, ‘Waarom alle bijheffingsvarianten in de Pijler 2-richtlijn botsen met de EU-verdragsvrijheden (en hoe dit op te lossen)’, NLF-W 2025/18, 11 juni 2025.
1. Inleiding
In deze bijdrage bespreekt auteur de mogelijke (onverwachte) impact van het politieke akkoord binnen de G7 over het uitzonderen van Amerikaanse multinationals van de Income Inclusion Rule (IIR) en de Undertaxed Profit Rule (UTPR) op de interpretatie van de EU Pijler 2-Richtlijn in het licht van ‘misbruik van (Unie)recht’. De opbouw is als volgt. In pararaaf 2 wordt kort ingegaan op de politieke akkoorden binnen de G7 en de G20 over een ‘global minimum tax’ en de relatie tot de EU Pijler 2-Richtlijn. Daarna wordt in paragraaf 3 de wijze besproken waarop het HvJ EU doorgaans secundair Unierecht interpreteert. In paragraaf 4 gaat auteur in op het Unierechtelijk leerstuk misbruik van (Unie)recht en illustreert auteur waarom na het G7-akkoord enkel grammaticale interpretatie voor de hand lijkt te liggen, waardoor misbruik van de EU Pijler 2-Richtlijn zich mogelijk niet snel meer voordoet. In paragraaf 5 wordt afgesloten met een conclusie.
2. G7 Statement on global minimum taxes
Op 28 juni 2025 publiceerde de G72 onder Canadees voorzitterschap3 het ‘G7 statement on global minimum taxes’ (G7 Statement 2025).4 Uit het statement blijkt dat de G7 hebben afgesproken toe te werken naar een ‘side-by-side system’ waarin de Amerikaanse minimumbelasting en de Pijler 2-minimumbelasting ‘naast elkaar bestaan’. In 2021 hadden de OESO/G20 landen – waaronder de landen die tevens de G7 vormen – juist een internationaal, politiek akkoord bereikt over een common approach5 voor het realiseren van een wereldwijde minimale (winst)belastingdruk voor grote ondernemingen (Pillar 2 Rules of Pijler 2-regels).6 Het middel om dat doel te bereiken, hebben landen toen gevonden in het opleggen van een bijheffing volgens een gezamenlijke systematiek wanneer de (reguliere) winstbelastingheffing in een staat tot een te laag effectief tarief leidt. De bijheffing vindt plaats door de staat zelf7 of door een andere staat.8 Groepen9 met een jaarlijkse omzet van ten minste € 750 miljoen zijn bijheffing verschuldigd wanneer over een verslagjaar in een bepaalde jurisdictie het effectieve belastingtarief lager is dan het als zodanig bepaalde vereiste minimumtarief van 15% (‘Pijler 2’).
In de kern moet het ‘side-by-side-system’ borgen dat Amerikaanse multinationale groepen worden uitgesloten van toepassing van de van de OESO/G2010 – én de EU11 – Pijler 2-minimumheffing via de Income Inclusion Rule (IIR) en de Undertaxed Profits Rule (UTPR), onder erkenning van de Amerikaanse minimumbelasting via de ‘global intangible low-taxed income’ (GILTI)-regels.12 De Amerikaanse GILTI-regels wijken af van de OECD/G20 Pillar 2 Rules, kortgezegd: er wordt uitgegaan van global blending, een andere grondslag en een lager effectief tarief.13 Het akkoord lijkt vooral onder druk van Amerika14 tot stand te zijn gekomen. In ruil heeft Amerika de eerder aangekondigde ‘represaille-’ of ‘wraakheffing’15 als tegenreactie op een IIR- en UTPR-toepassing ten aanzien van Amerikaanse groepen, níet doorgevoerd. Het G7 Statement 2025 werd dezelfde dag door de secretaris-generaal van de OESO16 verwelkomd en geduid als een ‘breakthrough statement’,17 waarin zij het volgende opmerkt:
“I welcome the engagement now with the broader OECD Inclusive Framework regarding the proposed side-by-side arrangement.”18
Al is voor mij niet duidelijk, mede gelet op de zeer korte tijdspanne, of deze boodschap vooraf is afgestemd met alle staten aangesloten bij het OECD/G20 Inclusive Framework on BEPS. Aannemelijk lijkt dat niet, ook gezien de overige bewoordingen van het G7 Statement 2025.
In slechts drie-en-een-half jaar tijd19 vindt aldus een verschuiving plaats van een internationaal politiek akkoord over het breed opleggen van een “I'll tax if you don't”20-benadering naar een “Don't tax me, and I will ensure all the others are properly taxed”21 afspraak tussen de G7-landen. De technische uitwerking is op het moment van afsluiting van deze kopij niet bekend, maar gedacht zou kunnen worden aan een generieke vrijstelling, al dan niet in de vorm van een veiligehavenregeling, voor multinationale groepen waarvan de uiteindelijke moederentiteit gevestigd is in de Verenigde Staten.
Het is vooralsnog onduidelijk wat het G7 Statement betekent voor de EU-Richtlijn tot waarborging van een minimumniveau van belastingheffing (EU Pijler 2-Richtlijn).22 De G7-landen Frankrijk, Duitsland en Italië zijn immers ook EU-lidstaten en gebonden aan het secundaire én primaire Unierecht. Zij kunnen niet in hun hoedanigheid van G7-land hun Unierechtelijke verplichtingen ‘afschudden’ via een internationaal akkoord. Eerder kozen de EU-lidstaten er unaniem voor om aan het internationale politieke akkoord uit 2021 binnen OECD/G20 Inclusieve Framework on BEPS over de Two Pillar Solution23 op gecoördineerde wijze effect te geven in de EU. Daarvoor hebben ze gebruik gemaakt van het instrument ‘richtlijn’.24 De 'EU Pijler 2-Richtlijn' is in december 2022 met unanimiteit aangenomen, waarna de EU-lidstaten tot en met 31 december 2023 de tijd hadden om de bepalingen te implementeren in nationaal recht. Zo geldt in Nederland per die datum de Wet minimumbelasting 2024 (WMB 2024),25 en worden de eerste bijheffing-informatieaangiftes en bijheffingaangiftes medio 2026 verwacht. Zouden de EU-lidstaten effect willen geven aan dit G7 Statement, dan lijkt aanpassing van de EU Pijler 2-Richtlijn noodzakelijk. De Europese Commissie heeft echter aangegeven dat aan dit statement opvolging kan worden gegeven zónder aanpassing van de EU Pijler 2-Richtlijn.26 Dit impliceert dat volgens de Europese Commissie27 geen sprake is van conflicterende verplichtingen.
Mochten de EU-lidstaten gezamenlijk besluiten dat aanpassing van EU Pijler 2-Richtlijn noodzakelijk is, dan moet worden bedacht dat ook de Uniewetgever gebonden is aan (de grenzen van) het primaire Unierecht.28 Dit geldt óók als de Uniewetgever uiting wil geven aan bredere of smallere internationale politieke akkoorden.29 Een politiek ingestoken uitzondering specifiek voor Amerikaanse groepen om de Verenigde Staten ter wille te zijn binnen een systeem als Pijler 2, oogt, voor mij althans, als toch wat willekeurig. Dit roept de vraag op of het HvJ EU een dergelijke insteek wel houdbaar zal achten onder het primaire Unierecht. Overigens valt niet uit te sluiten dat de (huidige) EU Pijler 2-Richtlijn (of een onderdeel daarvan) reeds op relatief korte termijn onverbindend30 blijkt vanwege strijdigheid met het primaire Unierecht31 of wordt ingetrokken vanuit meer strategische economische overwegingen.32 Indien de EU Pijler 2-Richtlijn daadwerkelijk onverenigbaar blijkt of om andere redenen op korte termijn wordt ingetrokken, dan komt wellicht ook de vraag op of belastingplichtigen een recht op schadevergoeding hebben op grond van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de EU.33 Hiervoor moet, kort gezegd,34 sprake zijn van een ‘voldoende gekwalificeerde schending’35 van een rechtsregel door een instelling van de EU.36 Deze bijdrage richt zich op de periode dat de EU Pijler 2-Richtlijn (nog) geldt.
Zelfs áls de genoemde EU staten opvolging kunnen geven aan het G7 Statement zonder richtlijnwijziging, dan nog verandert er iets. De doelstellingen van de EU Pijler 2-Richtlijn worden meer diffuus.37 In dat kader komt (ook) de vraag op welke (onbedoelde) impact dit G7 statement mogelijk heeft op de toepassing en interpretatie van de EU Pijler 2-Richtlijn in het licht van mogelijk ‘misbruik van Unierecht’.
3. Interpretatie EU Pijler 2-Richtlijn
Het HvJ EU interpreteert het Unierecht.38 Bij de interpretatie van een bepaling van secundair Unierecht houdt het HvJ EU rekening met de bewoordingen, de context of het stelsel, alsmede met de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan het deel uitmaakt.39 Ook kent het HvJ EU soms betekenis toe aan de ontstaansgeschiedenis.40 Het HvJ EU houdt daarbij overigens de mogelijkheid open om de uitleggingsmethode te kiezen die het HvJ EU zélf “…geschikt acht om de precieze strekking van een duidelijk lijkende bepaling van Unierecht te verhelderen, met dien verstande dat elke bepaling van Unierecht in haar context moet worden geplaatst en worden uitgelegd in het licht van dit recht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast”.41 Anders gezegd, het HvJ EU bepaalt zelf of uitlegging plaatsvindt aan de hand van een grammaticale, contextuele, teleologische of historische interpretatie, dan wel een combinatie daarvan. Bovendien gaat het HvJ EU in de regel uit van een dynamische interpretatie. Zo overweegt het HvJ EU dat “… iedere bepaling van Unierecht in haar context worden geplaatst en worden uitgelegd in het licht van dit recht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast”.42 Wat betreft de doelstellingen, kijkt het HvJ EU niet enkel naar de (formele) bewoordingen, maar ook of deze stroken met de materiele effecten van de regels.43
Afgaande op de bewoordingen in preambule van de EU Pijler 2-Richtlijn, lijken de maatregelen een tweeledige doelstelling te hebben: enerzijds het beperken van belastingontwijking door belastingplichtigen en anderzijds een ondergrens aan belastingconcurrentie door staten.44 Het middel om dat te bereiken is de bijheffing tot 15%. Een wereldwijde minimale (winst)belastingdruk van 15% komt, praktisch gezien, aan beide tegemoet.
4. Misbruik van (Unie)recht
Zolang de EU Pijler 2-Richtlijn geldt, zal de vraag opkomen naar de (on)mogelijkheden om rechtsmisbruik door belastingplichtigen45 te identificeren en aan te pakken. Binnen het Unierecht geldt een algemeen beginsel van verbod op misbruik van Unierecht.46 Dat in de EU Pijler 2-Richtlijn geen expliciete gecodificeerde antimisbruikbepaling is opgenomen, maakt dat niet anders. Het HvJ EU hanteert het beginsel van verbod op misbruik van Unierecht om te komen tot de juiste/bedoelde toepassing van het betreffende Unierecht.47 Daaruit moet, zo meen ik, ook worden afgeleid dat dit kan worden toepast ten aanzien van secundair Unierecht dat fiscale ‘voordelen’ meebrengt als ook op secundair Unierecht dat fiscale ‘nadelen’ meebrengt. Anders geformuleerd, als het HvJ EU niet toestaat dat belastingplichtigen zich op oneigenlijke wijze toegang verschaffen tot fiscale ‘voordelen’ van het Unierecht, dan staat het ook niet toe dat belastingplichtigen zich op oneigenlijke wijze aan bepaalde fiscale ‘nadelen’ onttrekken. Uit vaste jurisprudentie van het HvJ EU blijkt dat om misbruik van (Unie)recht te constateren, voldaan moet zijn aan de twee elementen van de misbruik-toets. Eén het objectieve element; waaraan is voldaan als “in weerwil van de formele vervulling van de voorwaarden het door die regeling beoogde doel niet wordt bereikt”. En twee het subjectieve element; waaraan is voldaan als de belastingplichtige “de bedoeling heeft dat voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat”.48 Voor het kunnen constateren van misbruik is aldus vereist dat bepaalde fiscale, commerciële of Pijler 2-planning strijdig is met ‘doel en strekking’ van de EU Pijler 2-Richtlijn.
Het (werkelijke) doel en strekking van de EU Pijler 2-Richtlijn zijn echter onduidelijk. Wat betreft het begrenzen van belastingconcurrentie moet namelijk worden opgemerkt dat staten via de Qualified Refundable Tax Credits (QRTCs) in feite deels kunnen blijven concurreren. Daarnaast lijken staten, ondanks de ‘no benefits-requirement’, uit te willen gaan wijken naar concurrentie via subsidies. Hetgeen mij overigens voor niet alle staten aangesloten bij het IF even realistisch lijkt, waardoor een ‘gelijk speelveld’ wellicht juist vérder wegraakt. Ook richten de regels zich niet écht op de aanpak van belastingontwijking. Zo werken de regels mechanisch en gaan uit van onweerlegbare bewijsvermoedens.49 Zelfs de uitzondering vanwege reële aanwezigheid gaat uit van ficties en forfaits. Het oogmerk van belastingplichtigen is voor de toepassing van de EU Pijler 2-Richtlijn, niet relevant.50 Daar komt nu bij dat een deel van de EU-lidstaten heeft uitgesproken toe te werken naar een situatie waarin de IIR en de UTPR niet wordt toegepast op Amerikaanse groepen. Dat raakt het systeem van de EU Pijler 2-Richtlijn in de kern: de generieke, wereldwijde toepassing is daarmee op de helling gezet. Wat, zo meen ik, betekent dat het systeem beweegt naar willekeurige belastingheffing. Daarmee worden ‘doel en strekking’ nog meer diffuus. Anders geformuleerd, door niet-coherent optreden van de EU-lidstaten ten aanzien van de EU Pijler 2-Richtlijn en de ‘mismatch’ tussen de generieke doelstellingen en de daadwerkelijke bepalingen, wordt het steeds lastiger om het ‘doel’ van de regeling vast te stellen voor toepassing van het objectieve element van de antimisbruiktoets van het HvJ EU.
Indien het HvJ EU van mening zal blijken dat doel en strekking zó ambigue is dat een contextuele en teleologische interpretatie niet passend is, dan resteert mogelijk nog slechts grammaticale uitleg. Misbruik van de EU Pijler 2-Richtlijn door belastingplichtigen zal dan, zo denk ik en hoewel onwenselijk, in de benadering van het HvJ EU veel minder snel kunnen worden vastgesteld en dus ook minder snel worden aangepakt.
Tegelijkertijd moet worden bedacht dat secundair Unierecht in lijn moet zijn met het primaire Unierecht, waaronder het verbod op misbruik van Unierecht. Mogelijk is het HvJ EU van mening dat misbruik van een richtlijn – ook als de doelstellingen onduidelijk of ambigu zijn – alsnog bestreden moet worden. Daarvoor zou het HvJ EU dan moeten terugvallen op een interpretatie van de EU Pijler 2-Richtlijn in het licht van de doelstellingen van het primaire Unierecht. Het HvJ EU zal die doelstellingen, als het gaat om de directe belastingen, dan wel expliciet moeten maken.
5. Conclusie
De ontwikkelingen rondom de EU Pijler 2-Richtlijn volgen zich in rap tempo op. Het G7 Statement heeft een extra dimensie toegevoegd aan de discussie over de wenselijkheid en houdbaarheid van die richtlijn. Onbedoeld kan het G7 Statement ook gevolgen hebben voor de uitleg en toepassing van de EU Pijler 2-Richtlijn in situaties die buiten de reikwijdte van dit statement vallen. Mogelijk wordt de aanpak van misbruik lastiger omdat voorlopig een grammaticale interpretatie als uitleggingsmethode lijkt aangewezen. Zo bezien zouden de EU-lidstaten zich, wat mij betreft, moeten herbezinnen en wellicht de EU Pijler 2-Richtlijn intrekken en de focus verschuiven naar het ontwikkelen van een adequaat geharmoniseerde Europese winstbelasting.51