Hof 's-Hertogenbosch, 26-08-2025, nr. 200.332.562, 01
ECLI:NL:GHSHE:2025:2306
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
26-08-2025
- Zaaknummer
200.332.562_01
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2025:2306, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 26‑08‑2025; (Verwijzing na Hoge Raad)
Herstelde arrest: ECLI:NL:GHARL:2021:11656
ECLI:NL:GHSHE:2024:2851, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 10‑09‑2024; (Hoger beroep)
Uitspraak 26‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Vervolg van HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:822. Bewijs van een mondelinge afspraak. Getuigenbewijs. Bewijswaardering. Bindend advies. Schending beginsel van hoor en wederhoor. Inhoudelijk nadeel? Nadere bewijslevering.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.332.562/01
arrest van 26 augustus 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. H.P. Plas te Utrecht,
tegen
[X beheer b.v.] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.G. Dorrestein te Utrecht.
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 7 november 2023 en 10 september 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort, onder zaaknummer 7738717 AC EXPL 19-1499 M/30364 gewezen vonnis van 16 september 2019.
7. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 10 september 2024;
- -
het proces-verbaal van de enquête van 18 december 2024;
- -
de akte uitlaten van [geïntimeerde] d.d. 13 januari 2025;
- -
de brief van [geïntimeerde] d.d. 16 april 2025, met productie 5;
- -
het proces-verbaal van de contra-enquête van 17 april 2025;
- -
de memorie na enquête van [appellant] ;
- -
de antwoordmemorie na enquête van [geïntimeerde] , met productie 6.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
8. De verdere beoordeling
Bewijswaardering
8.1.
Bij genoemd tussenarrest van 10 september 2024 heeft het hof [appellant] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat partijen zijn overeengekomen dat bij het einde van de huurovereenkomst slechts de restwaarde na afschrijving van de investeringen door de huurder voor vergoeding in aanmerking komt.
8.2.
In enquête heeft [appellant] twee getuigen laten horen: zichzelf en zijn ex-echtgenote [persoon A] . In contra-enquête heeft [X beheer b.v.] ook twee getuigen laten horen: [geïntimeerde] (volgens zijn verklaring: eigenaar van de B.V.) en zijn echtgenote [persoon B] . Eerder – bij memorie na verwijzing – had [appellant] al notarieel beëdigde verklaringen van hemzelf en [persoon A] in het geding heeft gebracht. Tot slot heeft [geïntimeerde] een door [persoon C] bij een notaris onder ede afgelegde verklaring in het geding gebracht (voormelde productie 5).
8.3.
[appellant] stelt zich op het standpunt dat hij geslaagd is in het door hem te leveren bewijs. Daarbij beroept hij zich op zijn eigen getuigenverklaring alsmede op die van [persoon A] . Ook baseert hij zich op de genoemde notariële verklaringen.
[X beheer b.v.] betwist dat de gestelde afspraak over de verbouwingskosten is gemaakt. Zij verwijst naar de getuigenverklaringen van ( [geïntimeerde] en [persoon B] alsmede naar de genoemde schriftelijke verklaring van [persoon C] .
8.4.
Het hof stelt voorop dat [appellant] de bewijslast heeft ten aanzien van de gestelde afspraak, en derhalve partijgetuige is. Dit betekent volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de door hem als getuige afgelegde verklaring ingevolge artikel 164 lid 2 Rv alleen bewijs in het voordeel van hem opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het zijn verklaring voldoende geloofwaardig maakt (zie onder meer Hoge Raad 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1057).
Het hof merkt hierbij op dat de onderhavige bepaling met inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht per 1 januari 2025 is geschrapt. De nieuwe regels gelden echter alleen voor gerechtelijke procedures die na 1 januari 2025 worden gestart. De onderhavige procedure is vóór 1 januari 2025 gestart, zodat artikel 164 lid 2 Rv van toepassing is. Overigens zou de uitkomst van de bewijswaardering in dit geval onder het nieuwe recht niet anders zijn. Gelet op het belang dat [appellant] bij zijn getuigenverklaring heeft, moet zijn verklaring sowieso met de nodige behoedzaamheid worden gewaardeerd.
8.5.
In dit geval is er geen aanvullend bewijs voorhanden dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het de getuigenverklaring van [appellant] voldoende geloofwaardig maakt.
In zijn getuigenverklaring heeft [appellant] verklaard dat de afspraak over de huur van de bedrijfsruimte is gemaakt op 18 december 2009, dat [geïntimeerde] daar een notitie van heeft gemaakt en dat hij dit toevallig bij zich had. Volgens [appellant] was dit ‘een kladje dat [geïntimeerde] aan de keukentafel heeft gemaakt’. [appellant] heeft daar, maar eigen zeggen, een foto van gemaakt en die uitgeprint. [appellant] heeft het betreffende stuk tijdens de getuigenverklaring overhandigd aan de raadsheer-commissaris, die dit gehecht heeft aan het proces-verbaal van de enquête.
De raadsheer-commissaris heeft [appellant] voorgehouden dat in dat stuk niets staat over de vergoeding van de verbouwingskosten. [appellant] heeft daarop bevestigd dat dat er niet in staat. Hij heeft vervolgens verklaard dat dit later kwam. De afspraak over de vergoeding was volgens hem begin 2010; de exacte datum wist hij niet meer.
8.6.
Het hof stelt vast dat aan de notitie over de huur van [geïntimeerde] geen steunbewijs kan worden ontleend voor de, te bewijzen, stelling van [appellant] dat er tussen partijen een afspraak is gemaakt inhoudende dat slechts de restwaarde na afschrijving van de investeringen door de huurder voor vergoeding in aanmerking komt. Ook overigens is dit steunbewijs niet voorhanden.
8.7.
Zoals vermeld, heeft [appellant] notarieel beëdigde verklaringen van hemzelf en [persoon A] in het geding gebracht. Het hof heeft in het tussenarrest van 10 september 2024 (rov. 5.6.6) reeds overwogen dat, anders dan [appellant] betoogt, deze verklaringen niet hebben te gelden als authentieke akten die dwingend bewijs opleveren van de waarheid van die verklaringen.
Tijdens de getuigenverklaringen hebben [appellant] en [persoon A] verklaard dat zij bij deze verklaringen blijven. Naar het oordeel van het hof komt aan deze verklaringen echter weinig tot geen toegevoegde waarde toe. Het blijft in de kern het woord van [appellant] en [persoon A] tegen dat van [geïntimeerde] als het gaat om de vraag of de gestelde afspraak over de vergoeding van de verbouwingskosten is gemaakt.
Bovendien maakt de notariële verklaring een geconstrueerde indruk. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat bij de notaris wordt gesproken in de wij-vorm en dat het taalgebruik juridisch is, terwijl [appellant] en [persoon A] – zoals blijkt uit hun getuigenverklaringen – geen juridische achtergrond hebben. Het lijkt erop dat deze verklaring bedoeld is om de door [appellant] in de onderhavige procedure gestelde afspraak ‘vast te leggen’, en dat dit geen getuigenverklaring is waarbij de getuige verklaart omtrent de uit eigen waarneming bekende feiten (vgl. artikel 163 Rv). [persoon A] heeft in haar getuigenverklaring in dit verband verklaard: ‘Dit hebben wij en daar bedoel ik mee meneer [appellant] en ik op advies van de jurist, daarmee bedoel ik de hier aanwezige mr. Bijkerk [de voormalige advocaat van [appellant] , hof] mee, laten vastleggen.’.
8.8.
Tot slot is de getuigenverklaring van [persoon A] ook niet zodanig sterk dat deze verklaring de verklaring van [appellant] (bij de notaris en ten overstaan van de raadsheer-commissaris) voldoende geloofwaardig maakt. Zo kan uit haar getuigenverklaring worden afgeleid dat zij aanwezig is geweest bij de afspraak over de huur van de bedrijfsruimte in 2009, maar niet dat zij tevens aanwezig was bij de – latere – afspraak over de vergoeding van de verbouwingskosten. Voorts volgt uit haar getuigenverklaring dat de afspraak een idee was van [appellant] en [geïntimeerde] samen. Het staat onvoldoende vast dat [persoon A] heeft meegekregen wat zij precies zijn overeengekomen. Dit geldt ook als de getuigenverklaring van [persoon A] in samenhang wordt beschouwd met die van [appellant] .
8.9.
Hier komt bij dat [appellant] als getuige desgevraagd door de raadsheer-commissaris (eerst) heeft geantwoord: ‘De afspraak was dat als het pand voor meer dan 1,3 miljoen euro zou worden verkocht ik de meerwaarde van het pand zou vergoeden.’. Dat is echter een andere afspraak dan de, te bewijzen, afspraak dat bij het einde van de huurovereenkomst slechts de restwaarde na afschrijving van de investeringen door de huurder voor vergoeding in aanmerking komt. Ook dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de stelling van [appellant] in de onderhavige procedure dat die afspraak mondeling is gemaakt.
8.10.
Zoals hiervoor is weergeven, heeft [geïntimeerde] – steeds – ontkend dat deze afspraak is gemaakt. Dit wordt ondersteund door de verklaringen van [persoon B] en [persoon C] .
8.11.
Op grond van het voorgaande acht het hof niet bewezen dat partijen zijn overeengekomen dat bij het einde van de huurovereenkomst slechts de restwaarde na afschrijving van de investeringen door de huurder voor vergoeding in aanmerking komt. Er is geen goede grond om aan de verklaringen van [appellant] en [persoon A] meer waarde te hechten dan aan die van [geïntimeerde] . Nu de bewijslast op [appellant] rust, realiseert het bewijsrisico zich in zijn nadeel.
Uitleg van de vaststellingsovereenkomst
8.12.
Met inachtneming van het voorgaande, overweegt hof ten aanzien van het geschil tussen partijen na cassatie en verwijzing het volgende.
8.13.
In geschil is de uitleg van de vaststellingsovereenkomst. Om de vaststellingsovereenkomst uit te leggen, dient de Haviltexmaatstaf te worden toegepast. Bij toepassing van deze maatstaf komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Opmerking verdient in deze zaak dat de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan een overeenkomst van belang kan zijn voor de uitleg van die overeenkomst overeenkomstig de Haviltex-maatstaf (zie HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:852, rov. 3.2.4 en HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012: BX5572, rov. 3.5.).
Bij de uitleg van de vaststellingsovereenkomst – die ziet op onzekerheid of een geschil over de huurovereenkomst – kunnen niet alleen omstandigheden rondom die vaststellingsovereenkomst relevant zijn, maar ook omstandigheden die betrekking
hebben op de huurovereenkomst, zoals de Hoge Raad in zijn arrest in de onderhavige zaak heeft overwogen (rov. 3.2).
8.14.
Het hof stelt vast dat de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst op zichzelf duidelijk zijn. Verwezen wordt naar hetgeen is weergegeven in rov. 5.1 onder (iv) van het tussenarrest van 10 september 2024. Dit komt overeen met wat in de huurovereenkomst is opgenomen (zie artikel 8, weergegeven in het tussenarrest van 10 september 2024, rov. 5.1 onder (ii)). [geïntimeerde] mocht er dan ook op vertrouwen dat de waardevermeerdering conform het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst (en de huurovereenkomst) zou worden vastgesteld en [appellant] moest dit ook redelijkerwijs zo begrijpen.
Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel leiden, zijn niet gebleken. Integendeel, de uitvoering en berekeningssystematiek van de waardevermeerderingstaxatie conform het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst en het ontbreken van opmerkingen hierover door [appellant] tijdens de taxatie, duiden erop dat partijen niet anders bedoeld hebben dan is verwoord in de vaststellingsovereenkomst (en de huurovereenkomst). Zoals blijkt uit de vooropstelling in rov. 8.13, zijn de gedragingen van partijen ná de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst ook van belang voor de uitleg daarvan.
Na bewijslevering is niet komen vast te staan dat er een andersluidende mondelinge afspraak als door [appellant] gesteld is gemaakt over de bij het einde van de huur te vergoeden waardevermeerdering.
8.15.
Dit betekent dat, samengevat, tussen partijen geldt dat de eventuele waardevermeerdering die het gehuurde zal ondervinden van de hiervoor genoemde veranderingen en toevoegingen, door verhuurder, aan huurder zal worden vergoed bij het einde van de huur. En voorts dat ter bepaling van de eventuele waardevermeerdering de vrije verkoopwaarde van het gehuurde per de datum van einde van de huur in de staat waarin het zich dan bevindt, zal worden vergeleken met de waarde die het pand zou hebben indien het alsdan in casco staat zou verkeren.
Vordering ex artikel 843a Rv
8.16.
Zoals in het tussenarrest van 10 september 2024 is weergegeven, heeft [appellant] een vordering op grond van artikel 843a Rv ingesteld. Daargelaten of deze vordering eerst bij memorie na verwijzing kan worden ingesteld, acht hof deze vordering niet toewijsbaar. Deze vordering heeft [appellant] ingesteld in het kader van zijn stelling dat partijen zijn overeengekomen dat bij het einde van de huurovereenkomst slechts de restwaarde na afschrijving van de investeringen door de huurder voor vergoeding in aanmerking komt (zie in het bijzonder memorie na verwijzing, randnummers 14 tot en met 16). Nu het hof deze stelling niet bewezen acht, heeft [appellant] geen rechtmatig belang bij zijn vordering op grond van artikel 843a Rv. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, zijn de afschrijvingen waarin [appellant] inzage in wenst te krijgen niet relevant voor de te bepalen vergoeding op grond van de vaststellingsovereenkomst en de huurovereenkomst.
Bindend advies
8.17.
Zoals in rov. 5.1 onder (vi) in het tussenarrest van 10 september 2024 is opgenomen hebben de taxateurs [de makelaar 1] en [de makelaar 2] het bindend advies uitgebracht en de waardevermeerdering bepaald op een bedrag van € 260.000,--.
[appellant] stelt zich op het standpunt dat hij bij brief d.d. 5 maart 2019 (productie 5 van [appellant] in eerste aanleg) het bindend advies buitengerechtelijk heeft vernietigd.
De Hoge Raad heeft geoordeeld, kort gezegd, dat de bindend adviseurs het beginsel van hoor en wederhoor hebben geschonden (zie rov. 3.3 tot en met 3.7 van het arrest van 2 juni 2023).
8.18.
[appellant] primaire stelling is dat [de makelaar 2] en [de makelaar 1] in het bindend advies zijn uitgegaan van een onjuiste waarderingsgrondslag bij het vaststellen van de waardevermeerdering, omdat zij er niet vanuit zijn gegaan dat bij het einde van de huurovereenkomst slechts de restwaarde na afschrijving van de investeringen door de huurder voor vergoeding in aanmerking komt. Uit het voorgaande blijkt dat het hof [appellant] niet volgt in deze stelling.
Daarmee komt aan de orde de vraag of, en zo ja in welke mate, door de door de Hoge Raad vastgestelde procedurefouten nadeel aan [appellant] is toegebracht.
8.19.
[appellant] heeft in zijn memorie na verwijzing (randnummer 34) twee (andere) ernstige gebreken in het bindend advies benoemd. Ten eerste zijn er volgens hem door de taxateurs verkeerde aantallen m2 gehanteerd. Ten tweede wordt volgens hem het buitenterrein door de makelaars in de vergelijking anders gewaardeerd, terwijl in het bindend advies niet wordt toegelicht waarom sprake is van een verschil in waardering. Kernpunt in het betoog van [appellant] is dat deze waardevermeerdering 1 ton te hoog is uitgevallen door de eenzijdige inlichting zijdens [geïntimeerde] aan haar taxateur dat zij de volledige bestrating van het buitenterrein van het gehuurde zou hebben aangelegd, hetgeen [appellant] in de onderhavige procedure gemotiveerd bestrijdt. Zie ook de memorie van grieven, randnummer 51 e.v.
[geïntimeerde] heeft gedocumenteerd en gemotiveerd betwist (zie onder meer haar memorie na verwijzing, randnummer 43 e.v. en de daarbij overgelegde producties) dat sprake is van deze gebreken.
8.20.
Mede gelet op de ernst van de schending van het beginsel van hoor en wederhoor dat door de Hoge Raad is vastgesteld, ziet het hof in dit geval aanleiding om een bewijsvermoeden van nadeel te hanteren. Dit betekent dat het bindend advies moet worden vernietigd, tenzij komt vast te staan dat er geen sprake is van een gebrek dat inhoudelijk nadeel aan [appellant] heeft veroorzaakt. Gezien haar betwisting, zal [geïntimeerde] worden toegelaten tot het leveren van dit tegenbewijs.
8.21.
Het hof zal [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen een akte te nemen, waarin zij zich kan uitlaten over de vraag of, en zo ja, hoe zij tegenbewijs wenst te leveren. Daarna zal [appellant] een antwoordakte kunnen nemen. Het hof geeft partijen in overweging terzake een deskundigenrapport op te laten maken, bij voorkeur tezamen (en de zaak op basis daarvan alsnog in der minne te regelen).
Buitengerechtelijke incassokosten
8.22.
Zoals in het tussenarrest van 10 september 2024 is weergegeven, zal de beslissing op de grief tegen de door de kantonrechter toegewezen buitengerechtelijke incassokosten worden aangehouden tot het eindarrest.
Vervolg van de procedure
8.23.
De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van aktes als bedoeld in rov. 8.21. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
9. De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 23 september 2025 voor akte uitlating bewijslevering aan de zijde van [geïntimeerde] als bedoeld in rov. 8.21;
bepaalt dat [appellant] daarna een antwoordakte kan nemen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, A.C. van Campen en M.C. Schepel en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2025.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 10‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Vervolg van HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:822. Bewijsopdracht
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.332.562/01
arrest van 10 september 2024
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. H.P. Plas te Utrecht,
tegen
[X beheer B.V.] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. S.G. Dorrestein te Utrecht.
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 7 november 2023 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort, onder zaaknummer 7738717 AC EXPL 19-1499 M/30364 gewezen vonnis van 16 september 2019.
4. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 7 november 2023, waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 13 december 2023;
- -
de memorie na verwijzing tevens wijziging eis, met producties;
- -
de memorie van antwoord na verwijzing tevens memorie van antwoord wijziging eis, met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
5. De beoordeling
Feiten
5.1.
Na cassatie en verwijzing kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
(i) [appellant] heeft als verhuurder op 10 december 2010 een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte gesloten met [geïntimeerde] als huurster. De bedrijfsruimte omvatte, kort gezegd, een loods met bijbehorend terrein. De huurovereenkomst is aangegaan tot en met 31 december 2019.
(ii) Art. 8 van de huurovereenkomst luidt:
“Door huurder aan te brengen veranderingen en toevoegingen
8.1
Partijen zijn overeengekomen dat huurder op zijn kosten en onder zijn verantwoordelijkheid de navolgende veranderingen en toevoegingen aan het gehuurde mag aanbrengen:
- een compleet ingericht kantoorgedeelte met sanitaire voorzieningen en benodigde nutsvoorzieningen.
Bij het einde van de huur zullen deze toevoegingen en veranderingen door de huurder niet worden weggenomen noch behoeven te worden weg genomen.
8.2
De eventuele waardevermeerdering die het gehuurde zal ondervinden van de hiervoor sub 8.1 genoemde veranderingen en toevoegingen, zal door verhuurder, aan huurder worden vergoed bij het einde van de huur. Indien partijen het niet eens kunnen worden over de hoogte van het door verhuurder aan huurder te vergoeden bedrag, zal dit bedrag op verzoek van de meest gerede partij worden bepaald door een onafhankelijke deskundige.
8.3
Ter bepaling van de eventuele waardevermeerdering zal de vrije verkoopwaarde van het gehuurde per de datum van einde van de huur in de staat waarin het zich dan bevindt worden vergeleken met de waarde die het pand zou hebben indien het alsdan in casco staat zou verkeren. Hierbij zal eventuele achterstand in het voor rekening van de verhuurder komend onderhoud, buiten beschouwing dienen te blijven. (…)”
(iii) Begin 2018 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] kenbaar gemaakt dat zij de huurovereenkomst niet langer wilde voortzetten. Partijen zijn daarna met elkaar in overleg getreden over de beëindiging van de huurovereenkomst en de vergoeding op grond van art. 8 van de huurovereenkomst.
(iv) Partijen hebben op 17 augustus 2018 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is vastgelegd dat de huurovereenkomst per 1 februari 2019 zal eindigen en dat, indien sprake zal zijn van een waardevermeerdering, [appellant] het bedrag van die waardevermeerdering uiterlijk 1 maart 2019 aan [geïntimeerde] zal voldoen. De vaststellingsovereenkomst bepaalt voorts onder andere:
“(...)
In aanmerking nemende dat:
Partijen wensen de gemaakte afspraken (artikel 8) binnen de getekende huurovereenkomst (…) op een juiste manier af te wikkelen. Het betreft hier het vaststellen en financieel afwikkelen van de eventuele waardevermeerdering die het gehuurde heeft ondervonden door de door huurder gemaakte veranderingen en toevoegingen aan het gehuurde en welke door verhuurder worden vergoed aan het einde van de huur. Voor gedetailleerde omschrijving van deze veranderingen en toevoegingen wordt verwezen naar de bijlagen van het huurcontract.
ZIJN OVEREENGEKOMEN
Artikel 1:
Partijen zullen allebei afzonderlijk een beëdigd taxateur O.G. aanstellen die, onafhankelijk van elkaar, de vrije verkoopwaarde (exclusief BTW en overdrachtsbelasting) van het gehuurde per de datum van einde van de huur in de staat waarin het zich dan bevindt, worden vergeleken met de waarde die het pand zou hebben indien het alsdan in casco staat zou verkeren. (...).”
Artikel 2:
Beide taxateurs zullen vervolgens de uitkomsten met elkaar bespreken, en binnen 4 weken na opdracht, tot 1 bindend advies komen.
(...)”
(v) [makelaarskantoor 1] (hierna: [de makelaar 1] ) heeft het gehuurde in opdracht van [appellant] getaxeerd. [de makelaar 1] heeft het gehuurde in aanwezigheid van [appellant] bezichtigd. [geïntimeerde] heeft [makelaarskantoor 2] (hierna: [de makelaar 2] ) opdracht gegeven het gehuurde te taxeren.
(vi) Op 12 november 2018 hebben [de makelaar 1] en [de makelaar 2] (hierna ook gezamenlijk: de taxateurs) het “Meerwaardeadviesrapport” (hierna: het bindend advies) uitgebracht en de waardevermeerdering bepaald op een bedrag van € 260.000,--.
(vii) Op 19 december 2018 heeft [geïntimeerde] de factuur voor het bedrag van de waardevermeerdering, vermeerderd met btw, aan [appellant] gezonden, te weten voor een bedrag van € 314.600,--.
(viii) Bij e-mail van 9 januari 2019 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] laten weten dat hij het niet eens was met de factuur.
(ix) Bij brief van 5 maart 2019 heeft de advocaat van [appellant] de buitengerechtelijke vernietiging van het bindend advies ingeroepen.
Geschil in eerste aanleg bij de rechtbank Midden-Nederland
5.2.1.
In eerste aanleg vorderde [geïntimeerde] in conventie [appellant] te veroordelen tot betaling van € 314.600,--, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten. Zij legde aan deze vordering ten grondslag dat [appellant] gehouden is tot nakoming van zijn verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst. In reconventie vorderde [appellant] een verklaring voor recht dat het bindend advies is vernietigd, dan wel alsnog vernietiging van het bindend advies.
5.2.2.
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] in conventie toegewezen en de vordering van [appellant] in reconventie afgewezen.
Geschil in hoger beroep bij gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
5.3.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis en zeven grieven aangevoerd. Het petitum van zijn memorie van grieven strekt tot (gedeeltelijke) vernietiging van het vonnis en tot het alsnog integraal afwijzen van de vorderingen in conventie en het alsnog integraal toewijzen van de vordering in reconventie. Voorts vorderde [appellant] bij memorie van grieven, verkort weergegeven, dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld primair om hem het bedrag van € 325.807,55 (terug) te betalen, subsidiair hem het bedrag van € 325.807,55 (terug) te betalen minus een bedrag ad € 50.000,00, en meer subsidiair hem een zodanig bedrag dat het hof juist acht (terug) te betalen, in alle gevallen vermeerderd met de wettelijke handelsrente, en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
5.3.2.
Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.
5.3.3.
Bij arrest van 21 december 2021 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis bekrachtigd en [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep veroordeeld.
Geschil in cassatie
5.4.1.
[appellant] heeft beroep in cassatie ingesteld tegen voormeld arrest. In cassatie heeft [appellant] onder meer geklaagd over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Daarbij heeft hij gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat bij het einde van de huurovereenkomst slechts de restwaarde na afschrijving van de investeringen door de huurder voor vergoeding in aanmerking komt. Volgens hem hebben partijen dat mondeling afgesproken ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst.
5.4.2.
Bij arrest van 2 juni 2023 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 december 2021 vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof ter verdere afhandeling en beslissing.
5.4.3.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest onder meer geoordeeld dat op grond van de Haviltex-maatstaf voor de uitleg van de vaststellingsovereenkomst – die ziet op onzekerheid of een geschil over de huurovereenkomst – niet alleen omstandigheden rondom die vaststellingsovereenkomst relevant kunnen zijn, maar ook omstandigheden die betrekking hebben op de huurovereenkomst.
Geschil na cassatie en verwijzing
5.5.1.
In zijn memorie na verwijzing heeft [appellant] (opnieuw) gesteld dat onder de vergoeding waarop [geïntimeerde] volgens de vaststellingsovereenkomst recht heeft, dient te worden verstaan de eventuele restwaarde na de gebruikelijke jaarlijkse afschrijvingen als huurder van de investeringen in het bedrijfspand door [geïntimeerde] . [appellant] legt aan deze stelling ten grondslag dat partijen ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst, in het bijzijn van [persoon A] (de voormalige echtgenote van [appellant] ), hierna te noemen: [persoon A] , hebben afgesproken dat bij einde huur de eventuele restwaarde, na de gebruikelijke afschrijving van de investeringen in het bedrijfspand door [geïntimeerde] als huurder, aan hem zou worden vergoed voor zover het gehuurde hierdoor meer waard zou zijn geworden (dan de koopsom die [geïntimeerde] wilde betalen, te weten € 1.300.000,00 kosten koper).
5.5.2.
In haar memorie van antwoord na verwijzing heeft [geïntimeerde] nogmaals het bestaan van deze afspraak betwist. Daarbij heeft zij specifiek verwezen naar de bewoordingen zoals opgenomen in zowel de huurovereenkomst als de vaststellingsovereenkomst.
Bewijslevering
5.6.1.
[appellant] heeft ook na cassatie en verwijzing getuigenbewijs aangeboden van de mondelinge afspraak van partijen, in het bijzijn van [persoon A] , dat [geïntimeerde] de in artikel 8 van de huurovereenkomst bedoelde werkzaamheden ten aanzien van het bedrijfspand mocht uitvoeren en als zij onverhoopt het bedrijfspand toch niet zou kopen, [appellant] de restwaarde, na de gebruikelijke jaarlijkse afschrijving, van de door [geïntimeerde] als huurder gepleegde investeringen in het bedrijfspand zou vergoeden voor zover het bedrijfspand als gevolg van die restwaarde meer waard zou zijn geworden dan de koopsom van € 1.300.000,00 die [geïntimeerde] bereid was te betalen als zij de financiering rond kreeg. [appellant] stelt ook dat [geïntimeerde] deze mondelinge afspraak zou opnemen in de huurovereenkomst en voortbouwend daarop in de vaststellingsovereenkomst.
5.6.2.
Het hof ziet aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, in de zin dat hij mag bewijzen dat de door hem gestelde mondelinge afspraak is gemaakt. Daarvoor wordt beslist als in het dictum is vermeld.
5.6.3.
Concreet heeft [appellant] bewijs aangeboden van deze afspraak door het horen als getuige van hemzelf, [persoon A] en [geïntimeerde] (naar het hof begrijpt, is bedoeld [geïntimeerde] , de directeur van [X beheer B.V.] ).
5.6.4.
[geïntimeerde] heeft op haar beurt bewijs aangeboden door [geïntimeerde] voornoemd als getuige te horen, en verder [persoon B] (echtgenote van [geïntimeerde] ) en [persoon C] (werkzaam bij [X beheer B.V.] ).
5.6.5.
Om proceseconomische redenen verdient het de voorkeur dat, indien partijen wensen dat deze getuigen worden gehoord, deze allen op dezelfde dag worden gehoord. Het hof verzoekt (de advocaten van) partijen in contact met elkaar te treden om dit te realiseren.
5.6.6.
Het hof merkt nog op dat [appellant] notarieel beëdigde verklaringen van hemzelf en [persoon A] in het geding heeft gebracht (productie 1 bij de memorie na verwijzing). Anders dan [appellant] betoogt, hebben deze verklaringen niet te gelden als authentieke akten die dwingend bewijs opleveren van de waarheid van die verklaringen. Uit die verklaringen blijkt dus niet zonder meer de juistheid van de hiervoor onder rov. 5.6.1 weergeven afspraak en daarmee staat die afspraak dus niet zonder meer tussen partijen vast.
5.6.7.
Wel kunnen de overgelegde schriftelijke verklaringen volgens de rechtspraak van de Hoge Raad een rol spelen bij het getuigenverhoor van [appellant] en [persoon A] , in die zin dat de rechter bij het getuigenverhoor gebruik kan maken van die verklaringen (zie HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2986). Volgens diezelfde rechtspraak dient de rechter zich evenwel ook af te vragen in hoeverre aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring afbreuk wordt gedaan door het bestaan en de wijze van totstandkoming van de schriftelijke verklaring.
Vordering ex artikel 843a Rv
5.7.1.
[appellant] heeft bij zijn memorie na verwijzing zijn eis gewijzigd, in die zin dat hij thans ook vordert om [geïntimeerde] te veroordelen tot het geven van (digitale) inzage en afgifte van de bescheiden aan [appellant] waaruit blijkt welke afschrijvingen [geïntimeerde] gedurende de huurperiode heeft toegepast op de door haar aangebrachte veranderingen en toevoegingen als bedoeld in artikel 8.1 van de huurovereenkomst, zulks op straffe van een dwangsom. [appellant] baseert deze vordering op artikel 843a Rv.
5.7.2.
[geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging op de grond dat deze in de huidige stand van de procedure niet is toegestaan. Ook is [geïntimeerde] van mening dat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 843a Rv en dat de door [appellant] verlangde bescheiden niet relevant zijn omdat de bepaling van de waardevermeerdering op andere grondslagen dient plaats te vinden.
5.7.3.
Het hof acht het niet opportuun om in dit tussenarrest te beslissen of de eiswijziging van [appellant] toelaatbaar is en zijn vordering ex artikel 843a Rv toewijsbaar, vooruitlopend op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden. Eerst als het hof zou oordelen dat de waardevermeerdering moet worden bepaald op de door [appellant] bepleite wijze, zijn mogelijk de afschrijvingen van belang waarin [appellant] inzage in wenst te krijgen.
Bindend advies
5.8.1.
[appellant] stelt zich op het standpunt dat de betrokken taxateurs ( [de makelaar 2] en [de makelaar 1] ) in het bindend advies uitgegaan zijn van een onjuiste waarderingsgrondslag bij het vaststellen van de waardevermeerdering. Volgens hem hadden zij op grond van de tussen partijen gemaakte afspraak de eventuele restwaarde na de gebruikelijke jaarlijkse afschrijving van de investeringen van [geïntimeerde] als huurder in het bedrijfspand moeten bepalen en dienen vast te stellen of het bedrijfspand als gevolg van die restwaarde meer waard is geworden dan de koopsom van € 1.300.000,00 die [geïntimeerde] bereid was te betalen.
5.8.2.
Voorts meent [appellant] dat de door [geïntimeerde] ten aanzien van het gehuurde gepleegde investeringen tijdens de huurperiode reeds volledig (dan wel nagenoeg volledig) door [geïntimeerde] zijn afgeschreven, zodat geen sprake is van enige restwaarde die voor vergoeding in aanmerking komt.
5.8.3.
Om die reden stelt [appellant] zich primair op het standpunt dat hij niets verschuldigd is aan [geïntimeerde] . Ook vordert hij mede op grond van het vorenstaande een verklaring voor recht dat het bindend advies is vernietigd, dan wel alsnog vernietiging van het bindend advies.
5.8.4.
Het hiervoor in rov. 5.8.1. weergegeven standpunt van [appellant] vormt het onderwerp van bewijslevering. Daarom zal het hof in dit tussenarrest niet ingaan op de (gevolgen van) de procedurele fouten die gemaakt zijn bij de totstandkoming van het bindend advies. Daarover nog wel het volgende.
5.8.5.
De Hoge Raad heeft geoordeeld, kort gezegd, dat de bindend adviseurs het beginsel van hoor en wederhoor hebben geschonden (zie rov. 3.3 tot en met 3.7 van het arrest van 2 juni 2023). In het bijzonder zal het hof niet ingaan op de vraag of, en zo ja in welke mate, door de procedurefouten nadeel aan [appellant] is toegebracht (vgl. onderdeel 3.23 van de conclusie voorafgaand aan het onderhavige arrest van de Hoge Raad, ECLI:NL:PHR:2023:57). Dit is pas aan de orde wanneer [appellant] niet kan worden gevolgd in zijn primaire standpunt.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.9.
De Hoge Raad heeft tot slot overwogen dat het bezwaar van [appellant] dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet kenbaar is ingegaan op de grief tegen de door de kantonrechter toegewezen buitengerechtelijke incassokosten, na verwijzing aan de orde kan komen. Ook hierover zal het hof de beslissing aanhouden tot het eindarrest.
Conclusie
5.10.
Op grond van het voorgaande zal het hof [appellant] eerst toelaten tot bewijslevering. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6. De uitspraak
Het hof:
laat [appellant] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat partijen zijn overeengekomen dat bij het einde van de huurovereenkomst slechts de restwaarde na afschrijving van de investeringen door de huurder voor vergoeding in aanmerking komt;
bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. J.P. de Haan als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rol van 24 september 2024 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;
bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, A.C. van Campen en M.C. Schepel en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 september 2024.
griffier rolraadsheer