Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.1.2
8.1.2 De eurocrisis
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS452865:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Report on Greek Government deficit and debt statistics, 8 januari 2010, COM (2010) 1 definitief.
Persmededeling van de Raad, 10 november 2009, 15572/09 – Presse 319, p. 16.
Verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie, 11 februari 2010.
Verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van het eurogebied, 25 maart 2010. De inhoud van de verklaring is opgenomen in de reguliere conclusies van de Europese Raad van 25 en 26 maart 2010, p. 6.
Statement on the support to Greece by Euro area Member States, 11 april 2010, https://europa.eu/rapid/press-release_MEMO-10-123_en.htm?locale=en.
Joint Statement on Greece by EU Commissioner Olli Rehn and IMF Managing Director Dominique Strauss-Kahn, 2 mei 2010, https://europa.eu/rapid/press-release_IP-10-484_en.htm?locale=en.
Ook Europa bleef niet buiten schot. Lidstaten namen allerlei steunmaatregelen om de bankensector overeind te houden. Het omvallen van zogeheten systeembanken, banken die zo groot zijn dat een faillissement het voortbestaan van de gehele financiële sector kan bedreigen, moest voorkomen worden. De daaruit volgende financiële ondersteuning en nationalisaties van banken hadden grote gevolgen voor de overheidsfinanciën van veel lidstaten. Het tekort en de schuld namen snel toe, terwijl de uitgangspositie van somige lidstaten toch al niet erg gunstig was. Dit leidde tot twijfels over de mogelijkheden voor deze landen om nog aan hun financiële verplichtingen te kunnen voldoen. De rentes op staatsobligaties liepen op, waardoor het steeds duurder en lastiger werd voor deze lidstaten om geld te lenen.
Met name Griekenland viel dit lot ten deel. Na de verkiezingen in oktober 2009 maakte de nieuwe Griekse regering bekend dat de overheidsfinanciën er opnieuw slechter voor stonden dan eerder was voorgespiegeld.1 De Raad kwam in november 2009 bijeen en riep de Griekse regering op om ‘dringend maatregelen te nemen om het vertrouwen van de EU in de statistische informatie van Griekenland en de bijbehorende institutionele aspecten te herstellen’.2 De positie van Eurostat werd als gevolg hiervan nogmaals verstevigd. De onzekerheid op de markt nam echter verder toe, onder meer vanwege verlagingen van de kredietstatus van Griekenland door de grote ratingbureaus. Een faillissement van Griekenland werd een veelbesproken onderwerp van discussie. De gevolgen daarvan voor de rest van de eurozone waren niet te overzien.
De Europese Raad verzekerde de markt in een speciale verklaring van 11 februari 2010 dat ‘de lidstaten van de eurozone […] doortastende, goed gecoördineerde maatregelen [zullen] treffen om de financiële stabiliteit van de gehele eurozone te vrijwaren’.3 Ook werd in de verklaring expliciet opgenomen dat de Griekse regering niet om financiële steun heeft verzocht. Dit werd herhaald in een verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van het eurogebied van 25 maart 2010.4
Desalniettemin werd in die verklaring het idee van noodhulp uitgewerkt. De lidstaten van het eurogebied verklaarden een mechanisme in te stellen, dat financiering als laatste redmiddel door zowel het IMF, dat normaliter de aangewezen instantie is voor landen die niet meer op de kapitaalmarkt terecht kunnen, als de EU mogelijk maakte. Bovendien stelde de verklaring dat de crisis aantoont dat de bestaande afspraken niet voldoende zijn voor een goed functioneren van de EMU. De voorzitter van de Europese Raad werd daarom verzocht om een taskforce in te stellen die voorstellen voor verdere integratie zou voorbereiden.
Nadere uitwerkingen van het idee van noodhulp volgden in een verklaring van de lidstaten van het eurogebied van 11 april 2010.5 Hierin werd opgenomen dat het IMF en de Europese Commissie, in samenwerking met de ECB, met de Griekse autoriteiten aan de slag zouden gaan om een programma voor noodleningen op te stellen. Er werd afgesproken dat het programma zou worden geactiveerd indien nodig en dat het een looptijd van drie jaar zou hebben. De lidstaten legden vast 30 miljard euro te zullen bijdragen in het eerste jaar van het programma.
Op 2 mei 2010 volgde het officiële besluit om Griekenland te hulp te schieten.6 Het totale hulppakket werd vastgesteld op 110 miljard euro, waarvan 80 miljard door de lidstaten van de eurozone bijeengebracht en 30 miljard door het IMF.
De ontwikkelingen volgden elkaar vervolgens snel op. In korte tijd zijn uiteenlopende maatregelen genomen om de crisis te beteugelen en te voorkomen dat een dergelijke situatie zich opnieuw zou kunnen voordoen, die hieronder en in het volgende hoofdstuk besproken zullen worden.