Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.6
4.6 Conclusie
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS611947:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie de opinion van rechter Gersing bij EHRM 2 maart 1987, nr. 9562/81 & 9818/82, NJ 1991/165 (Monnell & Morris/Verenigd Koninkrijk), en de noot van Alkema in de NJ.
Dit laatste speelt bij het recht op stukken, zie paragraaf 4.4b.
Maar ook ‘nul-resultaat’ is het vermelden waard, om met Van Maanen 2006 te spreken.
Zie als contrast de eisen aan het oproepen en horen van getuigen in De Wilde 2015.
Paragraaf 3.10b.
EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, NJ 2012/306, m.nt. Schalken; NTM 2011, p. 575-583, m.nt. De Werd; EHRC 2011/75, m.nt. De Roos (Lalmahomed/Nederland).
Het recht op een eerlijk proces uit artikel 6 EVRM is van toepassing op de berechting in hoger beroep en cassatie. De jurisprudentie van het EHRM over leave to appeal proceedings bij gewone rechtsmiddelen hinkt op twee gedachten, maar zeer aannemelijk is dat artikel 6 EVRM ook van toepassing is op verlofstelsels in hoger beroep en cassatie. Door artikel 6 EVRM op hoger beroep en cassatie van toepassing te verklaren, houdt het EHRM strafprocedure in zijn geheel in zijn greep. De kracht van die greep verschilt intussen wel per rechtsmiddel en per deelrecht. Bepaalde eerlijk-procesrechten krijgen een eigen kleur in hoger beroep, cassatie en in verlofstelsels in die instanties.
De analyse die hiervan aanvankelijk is gegeven, namelijk dat de met de ene hand gegeven toepasselijkheid van artikel 6 EVRM met de andere hand van genuanceerde toepassing weer ongedaan wordt gemaakt,1 is voor verlofbeoordeling nog steeds zeer serieus te nemen. De greep van het EHRM op leave to appeal proceedings blijkt in de praktijk namelijk zeer losjes. Hoewel het access to court-leerstuk in het algemeen eisen stelt aan de voorwaarden voor toegang tot beroep, worden inhoudelijke en vrije toegangsbeoordeling vooralsnog kritiekloos toegelaten. En hoewel ook in beroep tamelijk strenge eisen aan de zaaksbehandeling en de motivering van beslissingen kunnen worden gesteld, is verlofachtige toegangsbeoordeling zonder zitting en begeleid door zeer summiere motivering in vrijwel alle gevallen toegelaten. Het EVRM bevat weliswaar tal van aanknopingspunten om leave to appeal zowel wat betreft toegangsvoorwaarden als het -onderzoek te normeren, maar het Hof heeft daarvan vooralsnog weinig gebruik gemaakt – of heeft daartoe geen geschikte klachten ontvangen.2 De in dit hoofdstuk gegeven analyse van de rechtspraak van het EHRM levert kort gezegd dus als resultaat op dat voor de normering van verlofstelsels artikel 6 EVRM nauwelijks aanknopingspunten biedt.3
Van enige afstand bezien, vallen aan de uitspraken van het EHRM over rechtsmiddelen en verlofstelsels twee zaken op. Ten eerste komt het toetsingskader op basis van artikel 6 EVRM voor klachten over de toegang tot beroep in verscheidene gevallen neer op toetsing aan (1) een legaliteitsvereiste, en (2) een open redelijkheidseis. Indien nationaal recht omtrent de toegang tot beroep is geschonden, leidt dit al snel tot een schending van artikel 6 EVRM. Uitspraken over het access to court-leerstuk zijn hiervoor illustratief, maar ook bij andere deelrechten is dit soort toetsing prominent. Indien een staat conform nationaal recht heeft gehandeld, vindt toetsing plaats aan evenredigheids- of redelijkheidsmaatstaf. Niet alleen beoordeelt het EHRM of het nationale procesrecht omtrent toegang tot beroep niet onredelijk strikt is toegepast (access to court), ook kijkt het soms verder naar de feitenvaststelling en rechtstoepassing in de onderliggende strafzaak (proper examination; motivering). Een autonoom, in meerdere subregels uitgewerkt kader voor de beoordeling van de toegang tot beroep of verlofstelsels in het bijzonder, ontbreekt in elk geval.4
Ten tweede valt aan de uitspraken van het EHRM over toegangsbeoordeling het abstracte karakter van de overwegingen op. Als het EHRM voorzieningen voor toegangsbeoordeling betitelt als leave to appeal proceedings, dan is in veel gevallen reeds daarmee het lot van klachten daarover bezegeld. Het EHRM differentieert nauwelijks tussen inhoudelijke of vrije verlofstelsels en alle mogelijke uitwerkingen en combinaties daarvan. Het stelt niet aan het ene verlofstelsel meer of minder eisen dan aan het andere, met als uitzondering het vereiste van onpartijdigheid. In plaats daarvan volgt uit de kwalificatie van toegangsbeoordeling als leave to appeal vaak zonder meer de ongegrondheid van een klacht. Hier wreekt zich dat de zeer belangrijke vaststelling of sprake is van leave to appeal vaak kort, stellig en tamelijk ondoorzichtig is. Wat het EHRM precies onder die woorden verstaat is niet geheel duidelijk – al heeft het waarschijnlijk het oog op inhoudelijke en vrije toegangsbeoordeling.5
Waarom het EHRM deze abstracte beoordeling gebruikt bij klachten over verlofstelsels, is een moeilijk te beantwoorden vraag. Hier is van belang dat de benadering van verlofstelsels door het EHRM ook een keerzijde heeft. Hoewel de rechtspraak van het EHRM enerzijds tot gevolg heeft dat staten een verlofprocedure grotendeels naar believen kunnen inrichten, lijkt het anderzijds erop dat verlofbeoordeling als zodanig geen herstel kan bieden voor verzuimen in de naleving van artikel 6 EVRM in eerdere aanleg. Ook hierbij beziet het EHRM leave to appeal proceedings door een tamelijk abstracte bril, het onderzoekt niet of nauwelijks concreet of de verlofbeoordeling zelf wellicht het benodigde herstel kan bieden. Indien dus in eerdere aanleg het recht op een eerlijk proces is geschonden, moet verlof worden verleend om dit verzuim te kunnen herstellen.
De ruimte die artikel 6 EVRM laat voor inhoudelijke, vrije en afgescheiden beoordeling van de toegang tot beroep is dus in beginsel groot, maar toch ook ongewis. De abstracte kwalificatie van leave to appeal proceedings geeft aan staten enerzijds veel ruimte, maar de naar zijn aard moeilijk voorspelbare redelijkheidsmaatstaf voor onder meer access to court-klachten noopt anderzijds toch tot voorzichtigheid. Schending van artikel 6 EVRM door toepassing van een verlofstelsel is wel degelijk mogelijk. Een illustratie van deze conclusie is de uitspraak van het EHRM in de zaak Lalmahomed/Nederland uit 2011.6 Onderwerp is de in 2007 ingevoerde verlofprocedure in het hoger beroep (art. 410a Sv). In de literatuur zijn aan deze uitspraak meer of minder verstrekkende conclusies verbonden. Bij wijze van afronding van de twee hoofdstukken over het verdragsrecht volgt nu een bespreking van deze uitspraak.