Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/2.3.2
2.3.2 De scheiding tussen leiding en kapitaal
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971848:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kraakman e.a. 2017, p. 5 e.v.; en De Jongh (diss.) 2014, p. XXIII, waarbij De Jongh opmerkt dat kapitaalvennootschappen ten minste vier van deze kenmerken zullen vertonen en personenvennootschappen ten hoogste enkele daarvan.
Voor de goede orde, overdraagbaarheid maakt nog niet dat de kapitaalverschaffer altijd in staat zal zijn om dat belang ook daadwerkelijk te vervreemden. Het gaat om het algemene principe dat een kapitaalverschaffers ‘uit’ de vennootschap kan stappen en zijn belang kan overdragen aan een andere partij. Er kunnen motieven zijn om de overdraagbaarheid van participatie te beperken, bijvoorbeeld door middel van blokkeringsregelingen. Zie hierover ook Kraakman e.a. 2017, p. 10.
Zie Kraakman e.a. 2017, p. 11-12; en de Jongh (diss.) 2014, p. XXVI.
Zie De Jongh (diss.) 2014, p. XXVI.
Zie De Jongh (diss.) 2014, p. XXVI.
Zie De Jongh (diss.) 2014, p. XXVII.
Zie De Jongh (diss.) 2014, p. XXVII.
Aldus De Jongh (diss.) 2014, p. XXVII.
In rechtsstelsels wereldwijd delen kapitaalvennootschappen een vijftal universele kenmerken:1
rechtspersoonlijkheid, dat zich onder meer uit door een eigen vermogen van de vennootschap dat is afgescheiden van de vermogens van haar aandeelhouders en bestuurders en waarop crediteuren van laatstgenoemden geen verhaal kunnen halen;
beperkte aansprakelijkheid van alle kapitaalverschaffers, als gevolg waarvan crediteuren van de vennootschap zich niet kunnen verhalen op het vermogen van de kapitaalverschaffers;
het belang van de kapitaalverschaffers in het kapitaal van de vennootschap is een overdraagbaar vermogensrecht;2
scheiding van kapitaal en leiding; en
het beschouwen van de kapitaalverschaffers als een eigen groep binnen de vennootschap, welke groep bij meerderheid bepaalde beslissingen kan nemen over de vennootschap en aanspraak maakt op de winst en het liquidatieoverschot.
Relevant voor dit onderzoek is met name de scheiding van de kapitaalverschaffende functie en de leidinggevende functie zoals bedoeld onder (iv) hiervoor. De scheiding van kapitaal en leiding houdt verband met de allocatie van controle over de vennootschap. De leiding over de vennootschappen wordt gelegd bij een daartoe aangewezen orgaan (het bestuur) terwijl bepaalde meer fundamentele beslissingen worden genomen door de kapitaalverschaffers (de aandeelhouders), die daartoe van tijd tot tijd bij elkaar komen.
Dit verschijnsel van ‘delegated management’ biedt een aantal voordelen. De scheiding tussen kapitaal en leiding maakt het mogelijk om op efficiënte wijze het kapitaal van een grote groep partijen, met al dan niet wisselende samenstelling, te bundelen en aan te wenden voor één gezamenlijk doel, terwijl veel van de daarmee samenhangende coördinatieproblemen en -kosten kunnen worden vermeden.3 Door de leiding te leggen bij een toegewijd bestuur, wordt immers voorkomen dat de aandeelhouders telkens dienen te beslissen over betrekkelijk kleine aangelegenheden. Dit maakt het mogelijk om op korte termijn beslissingen te nemen, omdat de aandeelhouders niet telkens bijeen hoeven te komen en zich dienen te verdiepen in uiteenlopende zaken. Ook maakt dit het mogelijk voor het bestuur om zich volledig te richten op zijn leidinggevende taak, terwijl de kapitaalverschaffers meer afstand kunnen nemen van de vennootschap en in verschillende vennootschappen kunnen investeren. Hierdoor is sprake van concentratie van kennis, omdat de leiding beschikt over alle kennis en informatie over de vennootschap, en wordt het mogelijk gemaakt om gespecialiseerde managers aan te stellen. Anders gezegd, de aandeelhouders hoeven niet zelf te beschikken over de expertise die nodig is om de onderneming te leiden noch hoeven zij kennis te nemen van alle informatie die in dat verband relevant is. Door deze specialisatie goed te benutten, wordt gewaarborgd dat beslissingen worden genomen door hen die over de meeste relevante informatie en expertise ter zake beschikken.4 Op die manier wordt efficiënt bestuur mogelijk gemaakt en kunnen investeerders kapitaal verschaffen aan verschillende, uiteenlopende ondernemingen.
Uit deze specialisatie volgt een inherente informatieasymmetrie.5 Het bestuur zal uit hoofde van zijn functie en specialisatie een informatievoorsprong hebben op de aandeelhouders. Ook volgt hieruit een mate van bestuursautonomie: er zijn bepaalde onderwerpen die behoren tot het domein van het bestuur, maar niet tot dat van de aandeelhouders.
Voor een optimaal functioneren van de vennootschap zal steeds een balans moeten worden gevonden in de functiescheiding.6 Een te vergaande bestuursautonomie kan misbruik in de hand werken, omdat bestuurders geneigd kunnen zijn hun eigen belangen voorop te plaatsen en de aandeelhouders daarop – mede gezien de informatieasymmetrie – geen effectief toezicht kunnen houden en niet of niet tijdig zullen ingrijpen. Een te beperkte bestuursautonomie – of, anders gezegd, een te grote zeggenschap van de aandeelhouders – kan evenwel afbreuk doen aan de efficiëntie van het bestuur alsmede het innoverend vermogen en de langetermijninvesteringen van de vennootschap.7 Er bestaat kortom een spanningsveld tussen de ruimte die het bestuur dient te krijgen om de vennootschap goed en efficiënt te kunnen leiden en anderzijds de middelen die aandeelhouders hebben om misstanden te voorkomen en verantwoording te bevorderen.8