Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.4.3.1
6.4.3.1 Algemeen
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495972:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. A-G Knigge, conclusie bij HR 30 juni 2009, NJ 2009, 349 (m.nt. Schalken), pt. 8.19.
EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 70.
EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 71.
Vgl. EHRM 10 september 2002 (Allen t. Verenigd Koninkrijk), FED 2003/589 (m.aant. Thomas); NJCM-Bulletin 2003, p. 160, § 1. Vooral deze laatste zinsnede impliceert dat het moment waarop de medewerking wordt gevorderd, bepalend is voor de vaststelling of die medewerking de verdachte kan belasten.
Anders HvJ 18 oktober 1989 (Orkem) en (Solvay), NJ 1991, 687; SEW 1990, p. 397 e.v.
EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 71-72. Herhaald in EHRM 18 februari 2010 (Aleksandr Zaichenko t. Rusland), § 54.
EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), FED 2008/81 (m.nt. Thomas), § 44.
EHRM 20 oktober 1997 (Serves t. Frankrijk), NJ 1998, 758 (m.nt. Knigge), § 47.
Vgl. A-G Knigge, conclusie bij HR 19 september 2006, NJ 2007, 39 (m.nt. Reijntjes); AB 2007/2 (m.nt. Jongma), pt. 79 en Feteris, noot onder EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk), BNB 1997/254, pt. 9.
Althans, voor zover het gaat om verklaringen die na het ‘charge’-moment worden afgedwongen. Ten aanzien van het zogenoemde bewijsverbod hoeft die ‘charge’ er nog niet te zijn ten tijde van de dwang om te verklaren. Zie uitgebreid hoofdstuk 8 hierna.
EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), NJ 2009, 557 (m.nt. Schalken); FED 2009/69 (m.nt. Thomas), § 71.
Roles 2010, p. 39, met verwijzing naar het Saunders-arrest.
Feteris, noot onder EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk), BNB 1997/254, pt. 9. Wanneer de betrouwbaarheid van het bewijs geen criterium is, dan gaat het kennelijk om de vrijheid van de verdachte om al dan niet te spreken respectievelijk de integriteit van de strafprocedure.
EHRM 5 april 2012 (Chambaz t. Zwitserland), AB 2012/323 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik); EHRC 2012/135 (m.nt. Niessen). Zie § 6.5.3 hierna.
Beperk ik mij tot het zwijgrecht, dan volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat de enkele vaststelling dat een verklaring op belastende wijze tegen de verdachte kan worden gebruikt (als bewijs of anderszins), volstaat voor de toepasselijkheid ervan.1 Het Hof rept in dit verband over ‘questions of an incriminating nature’2, ‘answers of an incriminating nature’3 en ‘potential use in later criminal proceedings’4.
Ruime toepassing notie van zelfbelasting
In Saunders overweegt het Hof dat gelet op de notie van ‘fairness’ in art. 6 EVRM, het recht tegen gedwongen zelfbelasting redelijkerwijs niet beperkt kan zijn tot verklaringen of bekentenissen (‘admissions’) van een overtreding of opmerkingen die rechtstreeks belastend zijn.5 Verklaringen die onder dwang zijn afgelegd en die oppervlakkig bezien niet belastend zijn, zoals ontlastende verklaringen of informatie van overwegend feitelijke aard (in antwoord op ‘mere questions of fact’), kunnen later worden gebruikt in de strafprocedure als bewijs voor de criminal charge ofwel strafaanklacht. Bijvoorbeeld om verklaringen van de verdachte of (ander) bewijs dat hij tijdens de strafzaak zelf inbrengt te weerleggen of anderszins om zijn geloofwaardigheid te ondermijnen.6
In O’Halloran en Francis overweegt het Hof in meer algemene bewoording dat voorop staat of de op een persoon uitgeoefende dwang om te verklaren, kan resulteren in zelfbelasting.7 Zie ook Serves. Daarin overweegt het Hof dat het begrijpelijk is dat de klager moest vrezen dat bepaald bewijs, dat hij als getuige aan de onderzoeksrechter moest verschaffen, hem zou belasten. Daarom had hij kunnen weigeren om vragen te beantwoorden ‘that were likely to steer him in that direction’.8
Relatie tussen de verklaring en de criminal charge; ‘same facts’
Voor de toepasselijkheid van het zwijgrecht is dus niet vereist dat de van de verdachte afgedwongen verklaring hem rechtstreeks belast, zoals bij een bekentenis.9 Ook verklaringen die in een (veel) verder verwijderd verband staan tot de beschuldiging, kunnen in een (latere) strafzaak op belastende wijze tegen de verdachte worden gebruikt (vgl. ‘ik was om x uur op plaats y samen met z’ of ‘ik het dit stuk zelf opgesteld’). Onder ‘verklarende’ informatie valt ook informatie van overwegend feitelijke aard. Het zwijgrecht is in het geding wanneer er een voldoende concrete, inhoudelijke relatie is tussen enerzijds de criminal charge en anderzijds de dwang om (mogelijk) belastend bewijs te verkrijgen.10 Het moet gaan om dezelfde feiten (‘same facts’).11
Vragen naar de bekende weg; ontlastende verklaringen
Of het EVRM-zwijgrecht vat heeft op vragen naar de bekende weg, is niet geheel zeker. De redactie van de Vakstudie leidt uit de zaak Shabelnik af dat uit een verklaring elementen moeten kunnen worden afgeleid, waar de (beschuldigende) overheid niet van op de hoogte was voorafgaand aan die verklaring.12 In § 59 overweegt het Hof immers dat de door klager afgelegde verklaringen ‘did not in fact contain any information which was not already known to the investigators’.13 In de literatuur is verdedigd dat het EVRM-zwijgrecht zelfs vat lijkt te hebben op (schijnbaar) ontlastend bewijs.14
Hier speelt dat wanneer de verdachte weigert te verklaren, bij de autoriteiten niet eens bekend is wat hij zou (kunnen) verklaren. Ik kom hierop terug in § 11.3.3.
Juistheid en betrouwbaarheid verklaringen niet van belang
Voor de toepasselijkheid van het zwijgrecht lijkt niet van belang of de afgedwongen verklaring juist en/of betrouwbaar is. Het afdwingen zelf is al verboden. In zijn noot onder het Saunders-arrest wijst Feteris erop dat het gebruik van onder dwang verkregen verklaringen als bewijs (à charge) in de latere strafzaak tegen betrokkene in strijd met art. 6 EVRM kwam, kennelijk zonder dat het Hof belang hecht aan de juistheid van die verklaringen. De Britse regering had als verweer gevoerd dat de nationale rechter verklaringen die onbetrouwbaar kunnen zijn buiten beschouwing moet laten.15
Voor de toepasselijkheid van het zwijgrecht lijkt evenmin van belang of de verklaring voor het bewijs van de criminal charge of anderszins op belastende wijze tegen de verdachte wordt gebruikt (vgl. Heaney en McGuinness). Was dit anders, dan zou het zwijgrecht tijdens het vooronderzoek van zijn betekenis worden ontdaan. Wanneer dit juist is, dan is een logische gevolgtrekking dat het mogelijk zelfbelastende karakter van een verklaring moet worden bepaald naar het moment waarop die van de verdachte wordt afgedwongen. Daarbij zullen de omstandigheden nadien hebben mee te wegen (vgl. Chambaz).16