Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.6.1:14.6.1 De inbreukprocedure wegens het niet nakomen van op de lidstaat rustende verplichtingen
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.6.1
14.6.1 De inbreukprocedure wegens het niet nakomen van op de lidstaat rustende verplichtingen
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456979:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 499-500.
J.W. de Zwaan & A.J. Bultena, Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, De samenwerking op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken in de Europese Unie, Den Haag: Sdu 2002, p. 437.
R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 500.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De artikelen 258 en 259 VWEU kennen aan de Commissie respectievelijk de lidstaten de bevoegdheid toe een klacht tegen een lidstaat in te dienen bij het Hof van Justitie van de EU wegens het niet nakomen van op die staat rustende verplichtingen.1 Deze mogelijkheid kende de EU voor Lissabon ten aanzien van de toenmalige derde pijler in het geheel niet.2 Artikel 258 VWEU betreft de bevoegdheid tot het instellen van een dergelijke procedure door de Commissie en schrijft haar voor eerst een met redenen omkleed advies uit te brengen, nadat de betrokken lidstaat in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te maken. Indien de lidstaat het advies niet binnen een door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt, kan de Commissie de zaak voorleggen aan het Hof van Justitie. Ook lidstaten kunnen, op grond van artikel 259 VWEU, een klacht voorleggen aan het Hof, al dienen zij die eerst aan de Commissie voor te leggen. De Commissie brengt dan opnieuw een met redenen omkleed advies uit na de lidstaten in de gelegenheid te hebben gesteld over en weer opmerkingen te maken. Als de Commissie dat niet binnen drie maanden na indiening van de klacht doet, kan de klacht alsnog bij het Hof worden ingediend.
In artikel 260 VWEU is geregeld welke gevolgen een dergelijke klacht kan hebben. Als het Hof inderdaad tot de conclusie komt dat de lidstaat de op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, is de staat gehouden de maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest van het hof (eerste lid). Blijft de lidstaat weigeren, dan kan de Commissie de zaak weer voor het Hof brengen, waarna de betrokken lidstaat kan worden veroordeeld tot het betalen van een forfaitaire som of dwangsom (tweede lid). In artikel 260, derde lid, VWEU is een bijzondere regeling opgenomen voor het niet nakomen van een verplichting tot mededeling van omzettingsmaatregelen van een volgens een wetgevingsprocedure aangenomen richtlijn. In dat geval kunnen de procedure tot het inhoudelijk aanhangig maken van die niet-nakoming en het opleggen van een forfaitaire of dwangsom worden gecombineerd. Barents is van mening dat deze sanctiemogelijkheid van groot belang kan worden, omdat bij niet-omzetting er ook niets is aan te melden, zodat sprake is van een verkapte sanctiemogelijkheid wegens niet omzetten.3
Voor de werking van het vertrouwensbeginsel moet evenwel worden vastgesteld dat deze inbreukprocedure geen redres biedt in een individuele zaak. Zij kan niet worden geïnitieerd door de betrokken justitiabele en is ook niet gericht op de beoordeling van een individuele casus. Wel kan deze procedure een rol spelen in het bevorderen van het vertrouwen doordat zij kan worden gebruikt om lidstaten te dwingen de benodigde rechtsbescherming te bieden in strafzaken. Met name de Commissie zal ook toezien op de implementatie en toepassing van richtlijnen die deel uitmaken van de nog te bespreken Routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures. Naast de situatie dat dergelijke maatregelen in het geheel niet zijn omgezet, kan deze procedure een rol spelen wanneer een lidstaat stelselmatig tekort schiet in het bieden van de benodigde waarborgen. Aldus is er in vergelijking met bijvoorbeeld het individuele klachtrecht bij het EHRM geen sprake van redres in een individuele zaak, maar veeleer van abstract toezicht op de uitvoering van het EU-recht.