NJB 2025/1905:Witwassen van bij securitycheck op Eindhoven Airport gevonden bedrag van € 8.870, art. 420bis lid 1 sub b Sr. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ als bedoeld in art. 420bis e.v. Sr, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Hoge Raad gaat in op bewijsvermoeden en bewijslastverdeling. In casu kon het hof op grond van de aangevoerde omstandigheden oordelen dat een witwasvermoeden is ontstaan en in verband daarmee dat van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring zou geven dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is. In deze zaak is het bij de verdachte aangetroffen bedrag lager dan € 10.000. Ook wanneer dat hier relevant zou zijn vanwege art. 3 lid 1 Verordening (EG) nr. 1889/2005 of van art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2018/1672 – hetgeen niet het geval is nu de verdachte niet de Europese Unie zou gaan verlaten – zou die enkele omstandigheid er niet aan in de weg staan dat mede op grond van andere feiten en omstandigheden dan de omvang van het aangetroffen geldbedrag het vermoeden wordt aangenomen dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.