Zie artikel 8 van de Verordening parkeerbelastingen Breda 2021 (hierna: de Verordening) gelezen in samenhang met het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2021 (hierna: het Aanwijzingsbesluit).
Rb. Zeeland-West-Brabant, 15-12-2022, nr. AWB - 21 , 5485
ECLI:NL:RBZWB:2022:7789
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
15-12-2022
- Zaaknummer
AWB - 21 _ 5485
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2022:7789, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15‑12‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 15‑12‑2022
Inhoudsindicatie
naheffingsaanslag parkeerbelasting
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/5485
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2022 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (de heffingsambtenaar).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 8 december 2021, betreffende de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] (hierna: de naheffingsaanslag).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 14 december 2022 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
1. Tijdens een controle op 1 november 2021 om 15:23 uur is geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken] stil stond op een parkeerplaats aan het Chasséveld te Breda zonder dat parkeerbelasting op aangifte was voldaan. Op deze locatie mag alleen tegen betaling van parkeerbelasting worden geparkeerd.1.Om die reden heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ter grootte van € 66,80 (€ 2,30 aan parkeerbelasting en € 64,50 aan kosten).
2. Belanghebbende voert aan dat hij onbekend was in de omgeving, op navigatie heeft gereden en daardoor zijn voertuig bij vergissing op het Chasséveld heeft geparkeerd in plaats van in de parkeergarage Het Turfschip, waar hij een parkeervergunning van heeft. Hij had niet de intentie om niet te betalen. Verder heeft hij aangevoerd dat de naheffingsaanslag hoger is dan de kosten die hij heeft voldaan voor de parkeervergunning.
3. Niet in geschil is dat belanghebbende op de plek waar hij geparkeerd heeft parkeerbelasting verschuldigd was en deze niet heeft voldaan. De aan belanghebbende verstrekte parkeervergunning gold niet voor het Chasséveld. De rechtbank overweegt dat niet uitmaakt dat sprake is van een vergissing en niet van opzet. Parkeerbelasting is een objectieve belasting waarbij opzet en schuld geen rol spelen. Het enkele feit dat niet (tijdig) is betaald levert grond op voor naheffing.
4. Voor zover belanghebbende heeft aangevoerd dat de naheffingsaanslag onevenredig hoog is vergeleken met zijn kosten van de vergunning oordeelt de rechtbank als volgt. De hoogte van de naheffingsaanslag wordt bepaald door het ter plaatse geldende parkeertarief en de kosten die in rekening gebracht mogen worden ingevolge artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet. Het behoort tot de bevoegdheid van de gemeenteraad om binnen de grenzen van de wet de hoogte van de tarieven en de kosten van de naheffingsaanslag vast te stellen. Voor de kosten die in rekening gebracht mogen worden, is in artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet in samenhang met artikel 10, eerste lid, van de Verordening een maximum kostentarief bepaald van € 64,50. Dat de gemeente dit bedrag in rekening kan brengen, acht de rechtbank dan ook niet onredelijk of disproportioneel.
5. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende geparkeerd stond aan het Chasséveld en parkeerbelasting verschuldigd was. Nu belanghebbende heeft geparkeerd zonder parkeerbelasting te voldoen, heeft de heffingsambtenaar op goede gronden een naheffingsaanslag opgelegd.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.C. van Spreuwel, griffier, op 15 december 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑12‑2022