Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.2.3.1
3.2.3.1 Aan de hand van beschikkingsbevoegdheid
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480521:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Snijders & Rank-Berenschot 2012/420.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 401-402.
Ten aanzien van art. 7:3 BW (Vormerkung) wordt overigens eenzelfde benadering gehanteerd. Onder “toekomstige registergoederen” in de zin van het wetsartikel wordt begrepen “goederen ten aanzien waarvan de koper [sic] nog niet beschikkingsbevoegd is”. Zie Kamerstukken II 1992-1993, 23 095, nr. 3, p. 8. Kritisch over deze onzuivere uitdrukkingswijze is Bartels 2006.
Vgl. Snijders & Rank-Berenschot 2012/420.
Art. 23 Fw. Vgl. art. 296 lid 1, aanhef en onder a, Fw (schuldsaneringsregeling natuurlijk personen).
Art. 1:438 lid 2 BW (beschermingsbewind) en art. 4:167 BW (testamentair bewind).
Vgl. Snijders & Rank-Berenschot 2012/420. Zie ook Schuijling, noot bij HR 14 januari 2011, JOR 2012/34 (Mesdag). Anders: Struycken 2007, p. 586-592, met verdere verwijzingen.
Vgl. art. 175 en 176 Fw (de tegeldemaking van alle goederen van de insolvente boedel); art. 101 Fw (de vervreemding van goederen van de boedel ter bestrijding van kosten of ter voorkoming van nadeel voor de boedel) en art. 98 Fw (de voortzetting van het bedrijf van de gefailleerde). Zie ook HR 27 augustus 1937, NJ 1938/9 (Bond van Melkveehouders). Zie verder Groefsema 1993, p. 155-156.
Groefsema 1993, p. 77-96; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/141; en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/285.
Groefsema 1993, p. 96-109; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/141; en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/285.
Groefsema 1993, p. 156-157. Zie verder Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/287.
Vgl. art. 5:6 lid 2 en 3 en art. 5:8 lid 1-3 BW; art. 14 en 17 Wet op de strandvonderij; en art. 6:90 lid 1 BW. Zie hierover Groefsema 1993, p. 157-158; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/141. Vgl. ook art. 5:30 lid 1 Awb.
Vgl. HR 14 januari 2011, JOR 2012/34, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/88, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Mesdag). Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/141 en 300; Asser/Kortmann 2-I 2004/135-136. Zie verder Groefsema 1993, p. 59-68; en Bartels 2004, p. 57-63.
Groefsema 1993, p. 69-76; en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/968. Vgl. HR 14 februari 1992, NJ 1993/623, m.nt. W.M. Kleijn (Hinck/Van der Werff). Vgl. ook Snijders & Rank-Berenschot 2012/495; en Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010/546, voor een (naar mijn mening meer gekunstelde) verklaring in een tweede alternatieve opschortende voorwaarde verbonden aan de overdracht verkoperkoper. De koper is in dat geval beschikkingsbevoegd omdat hij (voor een ondeelbaar moment) rechthebbende van het goed is.
Zie nr. 175.
47. Naast de hierboven toegelichte afbakening aan de hand van toebehoren, worden toekomstige goederen niet zelden gedefinieerd aan de hand van het begrip beschikkingsbevoegdheid. Zo zouden die goederen toekomstig zijn, ten aanzien waarvan men niet beschikkingsbevoegd is.1 Deze alternatieve wijze van afbakening vindt men terug in zowel de parlementaire geschiedenis als de literatuur.
De alternatieve afbakening van toekomstige goederen aan de hand van beschikkingsbevoegdheid is in principe goed denkbaar. De afbakening van het begrip “toekomstig goed” is namelijk vooral relevant in de goederenrechtelijke context van een overdracht of bezwaring.2 In al deze gevallen doet zich ten aanzien van een toekomstig goed in de regel het probleem voor dat de vervreemder niet beschikkingsbevoegd is.
In de parlementaire geschiedenis kan beperkte steun worden gevonden voor een afbakening aan de hand van beschikkingsbevoegdheid. In de totstandkomingsgeschiedenis van het huidige BW is het begrip “toekomstig goed” namelijk niet steeds op eenduidige wijze omschreven. Hieruit is wel afgeleid dat de wetgever in dit verband op twee gedachten heeft gehinkt.3 In de Toelichting Meijers wordt de toekomstigheid van een goed namelijk duidelijk gekoppeld aan het niet-toebehoren van dat goed aan een bepaalde persoon.4 Bij gelegenheid van de behandeling van de invoeringswetgeving lijkt echter van regeringszijde een ander standpunt te worden verkondigd. De minister bevestigt daar dat het begrip toekomstige goederen tevens omvat de goederen ten aanzien waarvan de vervreemder nog niet beschikkingsbevoegd is.5 Aan deze enkele opmerking mag niet veel gewicht worden gehecht. Uit de context van deze opmerking valt namelijk niet af te leiden dat men heeft willen afwijken van de grondgedachte uit de Toelichting Meijers. De desbetreffende opmerking had vooral betrekking op een ander twistpunt, namelijk de afbakening van de levering bij voorbaat tot andere rechtsfiguren en de invloed van de feitelijke heerschappij ten aanzien van een goed op deze afbakening. In dat verband strekt de opmerking van de minister slechts ter verduidelijking dat de feitelijke beschikking over een goed niet relevant is voor de kwalificatie van dat goed als al dan niet toekomstig. Niet de feitelijke, maar de goederenrechtelijke gerechtigdheid tot het goed is doorslaggevend. De minister lijkt simpelweg uit te gaan van het gebruikelijke geval dat een gebrek aan toebehoren correspondeert met een gebrek aan beschikkingsbevoegdheid, zonder daarbij acht te slaan op de onzuiverheid van deze afbakening.6
Een afbakening aan de hand van beschikkingsbevoegdheid dient naar mijn mening te worden afgewezen. Zij maakt het begrip toekomstige goederen namelijk onnodig complex en gekunsteld.7 De beschikkingsbevoegdheid en de gerechtigdheid tot een goed behoeven namelijk niet steeds op elkaar aan te sluiten. Tal van discrepanties zijn op dit punt denkbaar. Enerzijds kan men rechthebbende zijn op een goed en niettemin beschikkingsonbevoegd ten aanzien van datzelfde goed. Anderzijds kan een persoon beschikkingsbevoegd zijn ten aanzien van een goed dat hem niet toebehoort. In beide gevallen is het weinig verhelderend om deze goederen te bestempelen als de toekomstige goederen van de rechthebbende.
Enkele voorbeelden kunnen illustreren dat beschikkingsbevoegdheid en toebehoren met enige regelmaat uiteen lopen.
De rechthebbende kan op grond van de wet de beschikkingsbevoegdheid verliezen ten aanzien van zijn goed. Zo verliest de rechthebbende de beschikking over zijn goederen als gevolg van zijn faillietverklaring.8 De rechthebbende kan ook de bevoegdheid verliezen om zelfstandig over zijn goed te beschikken. Is het desbetreffende goed immers onder bewind gesteld, dan is de rechthebbende in beginsel slechts met medewerking van de bewindvoerder bevoegd om over het goed te beschikken.9 Is aan de rechthebbende surseance van betaling verleend, dan is hij nog slechts met medewerking, machtiging of bijstand van zijn bewindvoerder beschikkingsbevoegd over zijn goederen.10 Het is ook voorstelbaar dat de rechthebbende krachtens rechtshandeling de beschikkingsbevoegdheid over een of meer van zijn goederen verliest. Zo kan een rechthebbende zijn beschikkingsbevoegdheid verliezen door op grond van art. 7:423 BW deze bevoegdheid met privatieve werking te verlenen aan een lasthebber.11 In al deze gevallen zou het merkwaardig zijn (en mijns inziens onjuist) om de goederen ten aanzien waarvan de beschikkingsbevoegdheid van de rechthebbende is beperkt, als zijn toekomstige goederen aan te duiden.
Omgekeerd kan een niet-rechthebbende krachtens wet of rechtshandeling beschikkingsbevoegd zijn over andermans goed. In het verhaalsrecht bestaan tal van voorbeelden. De faillissementscurator is in het kader van de vereffening van de boedel bevoegd om te beschikken over de goederen die tot die boedel behoren.12 De pand- of hypotheekhouder die krachtens zijn recht van parate executie het onderpand verkoopt, wordt beschikkingsbevoegdheid toebedeeld over dit onderpand.13 Op vergelijkbare wijze is de executerend beslaglegger bevoegd te beschikken over het goed van de geëxecuteerde.14 Ook buiten het verhaalsrecht zijn voorbeelden te geven. Zo kan de vruchtgebruiker op grond van art. 3:212 BW bevoegd zijn om de met vruchtgebruik bezwaarde goederen te vervreemden.15 Ook de houder van zaken die zijn gevonden of die aan snel tenietgaan of achteruitgang onderhevig zijn of waarvan wegens de onevenredig hoge kosten of ander nadeel geen bewaring kan worden gevergd, kan krachtens de wet beschikkingsbevoegd zijn.16 Een voorbeeld waarin beschikkingsbevoegdheid krachtens rechtshandeling kan toekomen aan een ander dan de rechthebbende is het geval van de tussenpersoon (commissionair) die in opdracht van de rechthebbende diens roerende zaak in eigen naam verkoopt en levert. De opdracht aan de tussenpersoon behelst niet alleen een lastgeving tot verkoop van het goed, maar verleent de lasthebber tevens de bevoegdheid om, binnen de grenzen van de opdracht, in eigen naam over het goed te beschikken.17 Een ander voorbeeld, tot slot, is het geval dat een koper van onder eigendomsvoorbehoud krachtens de overeenkomst met de verkoper bevoegd is de geleverde zaken binnen het kader van de normale bedrijfsuitoefening te vervreemden. Ook hier is de vervreemder niet (onvoorwaardelijk) gerechtigd tot het goed, maar wel beschikkingsbevoegd.18 In al deze gevallen zou men de goederen waarover de niet-rechthebbende bevoegd is te beschikken niet willen aanmerken als zijn tegenwoordige goederen.
Het toekomstig karakter van (reeds bestaande) goederen zit niet zozeer in het feit dat degene die over te goederen wil beschikken daartoe onbevoegd is, maar in de omstandigheid dat de goederen niet tot diens vermogen behoren. Beschikkingsonbevoegdheid verhoudt zich tot een toekomstig goed als een gevolg, niet als een oorzaak. Overigens is daarmee niet gezegd dat een beschikkingsonbevoegde vervreemder (naar analogie van art. 3:97 BW) zijn goederen kan leveren, in afwachting van de verkrijging van beschikkingsbevoegdheid.19