Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/7.4.2
7.4.2 Implementatie
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS604578:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 18.16r Wm. Dit is een implementatie van artikel 16 leden 5-10 Richtlijn ETS.
Jaarverlag NEa 2014, p. 23 en Jaarverslag NEa 2015, p. 20.
Beleidsregels I&M 2016.
Per e-mail aan mij verstrekt door de NEa op3 februari 2016.
Jaarverslag NEa 2015, p. 36.
Artikel 28 bis lid 1 onder c Richtlijn ETS. Een formele implementatie in de Nederlandse wetgeving was overbodig. De wijzigingen van artikel 28 bis lid 1 onder c zijn immers ingevoerd met Verordening (EU) 421/2014, waardoor deze wijzigingen direct van toepassing waren in de lidstaten.
Deze organisatie houdt op basis van standaardwaarden bij wat de geschatte emissies van vliegtuigexploitanten binnen de EER zijn. Deze gegevens zijn toegankelijk voor vliegtuigexploitanten en de bevoegde autoriteit (https://www.eurocontrol.int/ets-sup-port-facility (geraadpleegd op 26 januari 2017) en MRR Guidance document no. 2, p. 35 en 36). Toegang kan door de vliegtuigexploitant ook worden verleend aan de verificateur, dit wordt zelfs aangeraden (AVR Explanatory Guidance (GD III), p. 44).
Denk hierbij bijvoorbeeld aan vliegtuigmaatschappijen uit buiten de EU gelegen landen die in de EU ook vluchten uitvoeren en die onderworpen zijn aan het toezicht van Nederland.
In de Wet milieubeheer zijn de implementatiebepalingen ten aanzien van vliegtuigexploitanten ondergebracht in een aparte afdeling: afdeling 16.2.2 Wm, die bijzondere bepalingen voor de luchtvaart bevat (bijvoorbeeld in het kader van de toewijzing van emissierechten). Artikel 18.5 Wm verbiedt verder de overtreding van op de vliegtuigexploitant toepasselijke bepalingen uit Verordening (EU) 601/2012. De handhavingsmechanismen zijn identiek aan die met betrekking tot het toezicht op de naleving van drijvers, met een aanvulling. Indien naleving van de toepasselijke regelgeving niet via de gebruikelijke handhavingsmechanismen kan worden bewerkstelligd, dan kan het bestuur van de NEa de Commissie verzoeken de betreffende vliegtuigexploitant een exploitatieverbod op te leggen.1 De analyse van het Nederlandse systeem met betrekking tot drijvers kan in zoverre dan ook mutatis mutandis worden toegepast op de vliegtuigexploitanten. Belangrijk verschil is evenwel dat tot nu toe geen sancties zijn opgelegd aan vliegtuigexploitanten in de derde handelsperiode, omdat vliegtuigexploitanten tot nu toe een 100% naleving hebben bereikt.2
Aangezien de verificatie van emissiegegevens volgens dezelfde regelgeving verloopt als ten aanzien van installaties, geldt ook hier dat er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat overtredingen ten aanzien van het monitoren van emissies worden opgemerkt. De beleidsregels I&M 2016 voorzien in een voldoende grote bandbreedte om afschrikwekkend, doeltreffend en evenredig handhavend op te treden.3 In dit onderzoek is reeds ten aanzien van drijvers geanalyseerd op welke wijze emissieverslagen door het bestuur van de NEa worden gecontroleerd. Ten aanzien van de handhaving van drijvers is geconcludeerd dat wanneer er overtredingen plaatsvinden, het bestuur van de NEa op een voldoende afschrikwekkende wijze handhaaft. Er is geen reden om aan te nemen dat in een voorkomend geval het bestuur van de NEa niet tevens adequaat optreedt ten aanzien van vliegtuigexploitanten. Uit de jaarverslagen over 2013 en 2014 volgt evenwel niet duidelijk hoeveel toezichtsbezoeken aan vliegtuigexploitanten in die jaren zijn afgelegd. Uit de informatie die door de NEa ten behoeve van dit onderzoek is gecommuniceerd, volgt dat er geen bezoeken zijn afgelegd.4 In 2015 zijn er vier toezichtsbezoeken afgelegd.5 In dat kader moet evenwel worden opgemerkt dat de Richtlijn ETS voor vliegtuigexploitanten voorziet in een dubbele jaarafsluiting over 2013 en 2014, in 2015. De emissieverslagen over 2013 en 2014 moesten uiterlijk 31 maart 2015 zijn ingediend, de emissierechten moesten uiterlijk op 30 april 2015 zijn ingeleverd.6 Bovendien is de monitoring van de emissies van vliegtuigexploitanten, althans op papier, doorgaans eenvoudiger dan van inrichtingen. Immers, voor de emissies van vliegtuigexploitanten kan vaak gebruik gemaakt worden van standaardwaarden en/of waarden aangeleverd door de brandstofleverancier. Ook is het mogelijk aangeleverde emissiegegevens te vergelijken met gegevens die verkrijgbaar zijn bij Eurocontrol.7 Bovendien kunnen vliegtuigexploitanten die geen hoofd- of nevenvestiging hebben in Nederland ook niet worden onderworpen aan een toezichtsbezoek.8 Hiermee is het achterwege blijven van toezichtsbezoeken in 2013 en 2014 te billijken.
Nu vliegtuigexploitanten in de derde handelsperiode de regelgeving tot nog toe 100% hebben nageleefd, is er geen verdere mogelijkheid tot het onderzoeken van handhaving in de praktijk. Wel volgt uit de analyse in deze paragraaf dat er geen aanwijzingen zijn dat ten aanzien van vliegtuigexploitanten geen voldoende afschrikwekkend, evenredig en doeltreffend handhavingsregime zou worden toegepast. De tot nog toe bereikte 100% naleving wijst juist op een goed functionerend handhavingsregime.
De handhaving ten aanzien van vliegtuigexploitanten hoeft in het kader van het gelijkwaardigheidsbeginsel niet te worden geanalyseerd. Immers, er bestaat geen gelijkwaardige nationale regelgeving waaraan vliegtuigexploitanten onderhevig zijn.