De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board
Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/I.6:I.6 Het plan van behandeling
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/I.6
I.6 Het plan van behandeling
Documentgegevens:
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242676:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit boek bestaat uit acht hoofdstukken. De te bespreken onderwerpen worden zoveel mogelijk functioneel behandeld.
Om tot een goed begrip van de niet-uitvoerende bestuurder te komen, dient allereerst helder te zijn waarom hij zijn intrede in Boek 2 BW heeft gedaan. Heeft de wetgever bewust willen breken met de oudvaderlandse traditie om bestuur en toezicht te scheiden? En is de wettelijke basis eigenlijk wel van toegevoegde waarde, nu verschillende beursvennootschappen al vóór 1 januari 2013 een monistisch bestuursmodel kenden?
Voor het vinden van antwoorden op deze vragen, wordt het monistische bestuursmodel in hoofdstuk II belicht vanuit een historische invalshoek. In een chronologische volgorde komen alle ontwikkelingen aan bod die zich vanaf 1623 in het Nederlandse ondernemingsrecht hebben voorgedaan met betrekking tot de wijze waarop bestuur en toezicht vennootschapsrechtelijk kunnen worden vormgegeven. Het hoofdstuk begint met een schets van de oorsprong en evolutie van het dualistische en monistische bestuursmodel in Nederland. Daarna sta ik stil bij de eerste Nederlandse regeling die een wettelijke basis gaf aan het monistische bestuursmodel: de Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap. Het volgende onderwerp dat in dit hoofdstuk aan de orde komt, is de invoering van het monistische bestuursmodel in Boek 2 BW. Ik sluit de historische analyse af met een blik op de nabije toekomst: het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen.
In hoofdstuk III ga ik een trede omlaag en analyseer ik de invoering van het monistische bestuursmodel op het niveau van de vennootschap. Welke stappen moeten worden genomen om het monistische bestuursmodel in te voeren?
Art. 2:129a/239a lid 1 BW schrijft voor dat de invoering van het monistische bestuursmodel ‘bij de statuten’ geschiedt. Maar wat houdt dat precies in? Een analyse van dit vereiste vormt het begin van hoofdstuk III. Vervolgens zoom ik in op de rol van de ondernemingsraad bij de invoering van het monistische bestuursmodel. Het hoofdstuk eindigt met een stapsgewijze beschrijving van de overgang van het dualistische bestuursmodel naar het monistische bestuursmodel.
Dat een statutaire grondslag als bedoeld in art. 2:129a/239a lid 1 BW voorhanden is, betekent niet dat het monistische bestuursmodel functioneel is. Daartoe is vereist dat de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders als zodanig worden benoemd. Maar wie is daartoe precies bevoegd?
Ik beantwoord deze vraag in hoofdstuk IV, waarin de rechtspositie van de niet-uitvoerende bestuurder centraal staat. Na een analyse van de benoemingsregeling, besteed ik aandacht aan de contractuele band tussen de vennootschap en de niet-uitvoerende bestuurder. Ik ga in dit kader onder meer in op de vaststelling van de bezoldiging van de niet-uitvoerende bestuurder. Vervolgens passeren de schorsing en het ontslag van de niet-uitvoerende bestuurder de revue. Tot slot bespreek ik wederom de rol van de ondernemingsraad bij deze aangelegenheden.
In hoofdstuk V komt de taakverdeling binnen de one tier board aan bod. De taakverdeling tussen de uitvoerende bestuurders enerzijds en de niet-uitvoerende bestuurders anderzijds vormt de kern van het monistische bestuursmodel. Door de taakverdeling ontstaan immers twee soorten bestuurders: uitvoerende bestuurders die de dagelijkse gang van zaken voor hun rekening nemen en niet-uitvoerende bestuurders die zich voornamelijk focussen op het houden van toezicht.
Na een korte bespreking van het spanningsveld tussen het uitgangspunt van collegiaal bestuur en het verdelen van taken, bespreek ik het belang van taakverdeling. Daarna verken ik de wijzen waarop de taken kunnen worden verdeeld en de grenzen die de wet daaraan stelt. De taakverdeling tussen de niet-uitvoerende bestuurders onderling en de vorming van commissies vormen het onderwerp van de daaropvolgende paragraaf. Ik sluit hoofdstuk V af met een bestudering van de besluitvorming in een one tier board.
In hoofdstuk V sta ik stil bij taakverdeling binnen de one tier board. De volgende vraag is waaruit het takenpakket van de niet-uitvoerende bestuurder bestaat. Zijn de taken van de niet-uitvoerende bestuurder vergelijkbaar met die van een commissaris? Of liggen er meer taken op zijn bordje?
In hoofdstuk VI ligt de focus op de taken en bevoegdheden van de niet-uitvoerende bestuurder. Allereerst sta ik stil bij de kerntaken van de niet-uitvoerende bestuurder: het algemeen besturen en het houden van toezicht. Voorts onderzoek ik of de niet-uitvoerende bestuurder wel in staat is effectief toezicht te houden met de bevoegdheden die hem ten dienste staan. Na de overige ‘commissaris’-taken en bevoegdheden te hebben besproken, kijk ik naar de taken en bevoegdheden die niet tevens op de commissaris rusten, zoals de bevoegdheid tot vertegenwoordiging.
Hoofdstuk VII handelt over de aansprakelijkheidspositie van de niet-uitvoerende bestuurder. Na een korte bespreking van het uitgangspunt van collectieve verantwoordelijkheid, ga ik in op de collectieve aansprakelijkheidsgrondslagen. Daarna volgt een bespreking van de individuele aansprakelijkheidsgrondslagen. In de daaropvolgende paragraaf komt de aansprakelijkheid van de indirecte niet-uitvoerende bestuurder via art. 2:11 BW aan de orde. Een bestudering van de laatste verdedigingswal, decharge, vormt het sluitstuk van dit hoofdstuk.
Ik besluit ieder hoofdstuk met een synthese. In hoofdstuk VIII komen deze syntheses samen in een slotbeschouwing, waarin ik tevens enkele concrete aanbevelingen aan de praktijk en de wetgever doe.