Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/1.4:1.4 Opbouw
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/1.4
1.4 Opbouw
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 2 staat de ontwikkeling van het budgetrecht centraal en de machtsstrijd tussen de regering en het parlement over de inkomsten en uitgaven van het Rijk. Er wordt teruggegrepen op de oorsprong van het budgetrecht, het recht van de volksvertegenwoordiging om in te stemmen met de bede en vervolgens hoe het budgetrecht zich heeft ontwikkeld aan de hand van constitutionele veranderingen en de politieke praktijk. De ontwikkeling van het budgetrecht is relevant voor het interpreteren en waarderen van het budgetrecht zoals neergelegd in artikel 105 Grondwet.
In hoofdstuk 3 wordt eerst ingegaan op het aangrijpingspunt van het budgetrecht: de begroting. Aan de totstandkoming van de begroting worden verschillende eisen gesteld. Deze begrotingsbeginselen kunnen worden gezien als de invulling van artikel 105 Grondwet. Vervolgens wordt het (grond)wettelijk kader van het budgetrecht geschetst dat het budgetrecht normeert. Artikel 105 Grondwet en de Comptabiliteitswet, die nadere eisen stelt aan de regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk, worden besproken tegen de achtergrond van de begrotingscyclus, de feitelijke begrotingsprocedure. Daarnaast wordt stilgestaan bij het parlementaire stelsel en de instrumenten die het parlement kan gebruiken om invulling te geven aan het budgetrecht. Aan het eind van het hoofdstuk wordt stilgestaan bij het begrip betekenisvolle parlementaire betrokkenheid.
In hoofdstuk 4 staat de Europese dimensie van deze studie centraal: het Europees economisch bestuur. Eerst wordt kort stilgestaan bij de totstandkomingsgeschiedenis van de EMU en de uitgangpunten ervan. Hierna wordt ingegaan op de eurocrisis en de veranderingen die de EMU en het toezicht op het nationaal en economisch beleid van de lidstaten hebben ondergaan naar aanleiding van de eurocrisis. Stilgestaan wordt vervolgens bij de complexiteit van het versterkte Europees economisch bestuur en de veranderingen die het versterkte toezicht hebben op de verhoudingen tussen de instellingen binnen de EU en de verhoudingen tussen het nationaal niveau en het EU-niveau op het gebied van economisch en budgettair beleid. Vervolgens wordt in meer detail stilgestaan bij het Europees economisch bestuur. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de procedurele en inhoudelijke verplichtingen die hieruit voortvloeien voor de lidstaten, zoals de vele rapportageverplichtingen, de wijze waarop de besluitvormingsprocedures op EU-niveau plaatsvinden en de betrokkenheid van het Europees Parlement en de nationale parlementen daarbij.
Na de beschrijving van het budgetrecht en het Europees economisch bestuur wordt in hoofdstuk 5 en 6 geanalyseerd wat de gevolgen zijn van het Europees economisch bestuur voor het budgetrecht en de betekenisvolle betrokkenheid van het parlement bij de besluitvorming over de begroting. Hoofdstuk 5 en 6 hebben enige overlap. Hoofdstuk 5 richt zich op de vraag in hoeverre het versterkte Europese toezichtkader gevolgen heeft voor de wijze waarop de begroting tot stand komt en de wijze waarop over de begroting wordt besloten. Hoofdstuk 6 richt zich vervolgens specifiek op de vraag hoe de betrokkenheid van het parlement bij de besluitvorming over de begroting wordt beïnvloed.
In hoofdstuk 7 worden de resultaten samengevat er wordt er een antwoord geformuleerd op de centrale vraagstelling.