Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/4.3
4.3 Conclusies en misverstanden rond het beginsel van nationale behandeling in het Verdrag van Parijs
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS466478:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De officiële Nederlandse vertaling luidt (zie ook alinea 19 hiervoor):'(1) De onderdanen van elk van de landen der Unie zullen in alle andere landen der Unie, wat betreft de bescherming van de industriële eigendom, de voordelen genieten, welke de onderscheidene wetten op dit ogenblik aan de nationalen toekennen, dit alles onverminderd de rechten, welke door dit Verdrag in het bijzonder worden toegekend. Dientengevolge zullen zij dezelfde bescherming hebben als dezen en hetzelfde wettelijk verhaal tegen elke inbreuk op hun rechten, mits zij de voorwaarden en formaliteiten nakomen, aan de nationalen opgelegd.(2) Echter kan voor het genot van geen der rechten van industriële eigendom van hen, die tot de Unie behoren, geëist worden, dat zij een woonplaats of inrichting hebben in het land, waar op de bescherming aanspraak wordt gemaakt.(3) De bepalingen der wetgeving van elk van de landen der Unie met betrekking tot de rechterlijke of administratieve procesgang en de bevoegdheid, benevens tot de keuze van domicilie of het stellen van een gemachtigde, indien de wetten op de industriële eigendom zulks zouden vorderen, worden uitdrukkelijk voorbehouden?'
Zie par. 3.4.4. Voor het tekeningen- en modellenrecht is geen uitdrukkelijke onafhankelijkheidsbepaling in het Verdrag van Parijs opgenomen. Kennelijk heeft er geen behoefte aan zo'n bepaling bestaan, kennelijk ondervond men op dit terrein geen hinder van door de materiële-reciprociteitsgedachte ingeblazen sluiproutes. Onafhankelijkheid was dus al met het beginsel van nationale behandeling zelf gegeven, een uitdrukkelijke bepaling waarin het onafhankelijkheidsbeginsel werd geproclameerd, was niet nodig. Onafhankelijkheid in het tekeningen- en modellenrecht lijkt onder de vigeur van het Verdrag van Parijs ook weinig aanleiding tot discussie te hebben opgeleverd (vgl. Pelletier & Vidal-Naquet 1902, p. 281-283; Ladas 1975, p. 900-902). Dat de telle quelle-regeling niet op tekeningen- en modellen van toepassing is verklaard (zie noot 77 van dit hoofdstuk 4), zal daar zeker toe hebben bijgedragen. Men herinnere zich voorts dat bij de totstandkoming van de Overeenkomst van Den Haag van 1925 betreffende het internationaal depot van tekeningen of modellen van nijverheid onafhankelijkheid zonder discussie werd aanvaard (zie noot 143 van dit hoofdstuk 4). Dit alles neemt overigens niet weg dat onafhankelijkheid niet altijd de regel is geweest in het tekeningen- en modellenrecht: in sommige negentiende-eeuwse bilaterale verdragen treft men in dit verband wel materiële-reciprociteitsuitzonderingen op het beginsel van nationale behandeling aan (zie Ladas 1975, p. 52-53). In de loop van de geschiedenis heeft een enkele auteur zich uitgesproken voor dergelijke afhankelijkheid in het tekeningen- en modellenrecht (Pillet 1911, p. 331 e.v.).
403. Huidige tekst art. 2 Verdrag van Parijs. Daarmee hebben wij de genesis van het beginsel van nationale behandeling in het Verdrag van Parijs onderzocht en zijn wij aangekomen bij het huidige artikel 2, luidende:
"(1) Les ressortissants de chacun des pays de l'Union jouiront dans tous les autres pays de l'Union, en ce qui concern la protection de la propriété industrielle, des avantages que les lois respectives accordent actuellement ou accorderont par la suite aux nationaux, le tout sans préjudice des droits spécialement prévus par la présente Convention. En conséquence, ils auront la même protection que ceux-ci et le même recours légal contre toute atteinte portée à leurs droits, sous réserve de l'accomplissement des conditions et formalités imposées aux nationaux.
(2) Toutefois, aucune condition de domicile ou d'établissement dans le pays ou la protection est réclamée ne peut être exigée des ressortissants de l'Union pour la jouissance d'aucun des droits de propriété industrielle.
(3) Sont expressément réservées les dispositions de la législation de chacun des pays de l'Union relatives à la procédure judiciaire et administrative et à la compétence, ainsi qu'à l'élection de domicile ou à la constitution d'un mandataire, qui seraient requises par les lois sur la propriété industrielle." 1
404. In verschillende opzichten is de gelijkenis met (de ontwikkeling van) het beginsel van nationale behandeling in de Berner Conventie groot.
405. Zelfde conclusie. Ten aanzien van het beginsel van nationale behandeling in het Verdrag van Parijs komen wij tot dezelfde centrale conclusie als ten aanzien van zijn evenknie in de Berner Conventie, namelijk dat het ook twee met elkaar vervlochten regels bevat: een conflictregel en een vreemdelingenrechtelijke regel. Enerzijds stelt het, aan de hand van het formele-territorialiteitsbeginsel, een toepasselijke wet in de plaats van het eerdere rechtsvacuüm (conflictenrecht), anderzijds stelt het non-discriminatie in de plaats van de eerdere discriminatie (vreemdelingenrecht).
406. Zelfde misverstand. Ten aanzien van het beginsel van nationale behandeling in het Verdrag van Parijs doet zich tegenwoordig hetzelfde fundamentele misverstand voor als ten aanzien van zijn evenknie in de Berner Conventie, namelijk dat het beginsel van nationale behandeling slechts wordt begrepen in zijn vreemdelingenrechtelijke component, dus als non-discriminatiebeginsel. Dat misverstand wordt kort gezegd veroorzaakt doordat men tegenwoordig de statutistische oplossing van het beginsel van nationale behandeling met hedendaagse, Savigniaanse ogen beziet, waardoor een vertekend beeld ontstaat; dit wordt uitvoerig behandeld in hoofdstuk 5.
407. Zelfde geschiedenis en krachtenveld. Ten slotte hebben wij gezien dat ook het beginsel van nationale behandeling in het Verdrag van Parijs zich niet laat doorgronden zonder begrip van zijn ontwikkelingsgeschiedenis, en dat deze ontwikkelingsgeschiedenis grotendeels gelijkloopt aan die van het beginsel van nationale behandeling in de Berner Conventie. In die ontwikkelingsgeschiedenis hebben wij hetzelfde krachtenveld gezien tussen de nationale-behandelingsgedachte, de (materiële-)reciprociteitsgedachte en de unificatiegedachte, waarbij ook hier — met name de strijd tussen de eerste twee krachten dominant was. En in die strijd kunnen wij dezelfde drie tot nu toe behandelde ontwikkelingsstadia onderscheiden, waarbij opvalt dat in het octrooirecht het eerste stadium is overgeslagen.
408. Derde ontwikkelingsstadium. Zo bereikte het beginsel van nationale behandeling uiteindelijk in het gehele intellectuele-eigendomsrecht het derde stadium van zijn ontwikkelingsgang — in het octrooirecht in 1900, in het auteursrecht in 1908 en in het merkenrecht in 1934 —, het stadium waarin het de (voornaamste) uitzonderingen van zich af heeft geschud: het stadium van de 'onafhankelijkheid' .2
409. Vierde ontwikkelingsstadium. Dit brengt ons dan bij het vierde stadium van zijn ontwikkelingsgang, het stadium van de begripsverduistering ten aanzien van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling. Want vanaf het tweede kwart van de twintigste eeuw begon het begrip van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling te vervagen. Men begreep deze conflictregel niet meer. Men begon haar bestaan te ontkennen, en men begon het beginsel van nationale behandeling te duiden als een louter vreemdelingenrechtelijk non-discriminatiebeginsel. Dit is het stadium waarin wij thans nog verkeren. Daarmee zijn wij aangekomen in het heden, en is ons onderzoek naar de genesis van het beginsel van nationale behandeling in de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs — het onderzoek van Deel I van deze studie — volbracht.