Rb. Gelderland, 14-09-2022, nr. C/05/387782 / HA ZA 21-235
ECLI:NL:RBGEL:2025:6927
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
14-09-2022
- Zaaknummer
C/05/387782 / HA ZA 21-235
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2025:6927, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 30‑07‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Op tegenspraak)
ECLI:NL:RBGEL:2023:634, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 08‑02‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBGEL:2022:5344, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 14‑09‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Op tegenspraak, Tussenuitspraak)
- Vindplaatsen
OR-Updates.nl 2022-0227
Uitspraak 30‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2023:634. Uittredingsregeling (artikel 2:343 BW). De rechtbank stelt, na deskundigenbericht, in dit eindvonnis de prijs vast van de aandelen die gedaagden moeten overnemen. Gedaagden moeten de aandelen tegen deze prijs overnemen van eiseres. Ook moeten gedaagden aan eiseres een billijke verhoging betalen.
Partij(en)
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/387782 / HA ZA 21-235
Vonnis van 30 juli 2025
in de zaak van
MECUS BEHEER B.V.,
te Elst, gemeente Overbetuwe,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Mecus,
advocaat: mr. S.J.B. Drijber,
tegen
1. HELISA HOLDING B.V.,
te Wijchen, 2. [gedaagde 2 in conv],
te [woonplaats] , 3. [gedaagde 3 in conv],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] (of afzonderlijk: Helisa, [gedaagde 2 in conv] en [gedaagde 3 in conv] ),
advocaat: mr. T. van der Meeren.
1. De zaak in het kort
1.1.
Mecus is minderheidsaandeelhouder van [gedaagde 2 in conv] . Helisa is bestuurder en meerderheidsaandeelhouder van [gedaagde 2 in conv] . Mecus stelt zich op het standpunt dat zij zodanig in haar rechten en belangen is geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in [gedaagde 2 in conv] in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd en dat Helisa en [gedaagde 2 in conv] haar aandelen moeten overnemen tegen gelijktijdige betaling van de koopprijs. Mecus vordert dat de rechtbank Helisa en [gedaagde 2 in conv] daartoe hoofdelijk veroordeelt. Bij de bepaling van de koopprijs zal volgens Mecus een billijke verhoging moeten worden toegepast in verband met gedragingen van [gedaagden] die ervoor hebben gezorgd dat de aandelen in waarde zijn gedaald. [gedaagde 3 in conv] is volgens Mecus hoofdelijk aansprakelijk voor de betalingsverplichtingen van Helisa en [gedaagde 2 in conv] .
1.2.
[gedaagden] vordert op zijn beurt dat de rechtbank voor recht verklaart dat Mecus aansprakelijk is voor de schade die Helisa Holding en [gedaagde 2 in conv] hebben geleden als gevolg van beslagen die Mecus ten laste van hen heeft laten leggen en dat Mecus wordt veroordeeld tot vergoeding van die schade.
1.3.
In het tussenvonnis van 14 september 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat Mecus door gedragingen van Helisa en [gedaagde 2 in conv] zodanig in haar rechten en belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd, en dat Helisa en [gedaagde 2 in conv] de aandelen van Mecus in [gedaagde 2 in conv] moeten overnemen.
1.4.
Om de koopprijs van de aandelen te kunnen vaststellen, heeft de rechtbank bij het tussenvonnis van 8 februari 2023 een deskundige benoemd. De deskundige heeft op 4 april 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben daarop gereageerd.
1.5.
In dit eindvonnis stelt de rechtbank de koopprijs van de aandelen vast op nihil. Zij veroordeelt Helisa en [gedaagde 2 in conv] hoofdelijk om de aandelen tegen deze prijs van Mecus over te nemen. Ook moet [gedaagden] aan Mecus een billijke verhoging betalen van € 34.500,00.
1.6.
In reconventie vordert [gedaagden] kort gezegd een verklaring voor recht dat Mecus aansprakelijk is voor de schade die Helisa Holding en [gedaagde 2 in conv] hebben geleden als gevolg van de beslagen die Mecus ten laste van hen heeft laten leggen. Ook vordert [gedaagden] vergoeding van die schade door Mecus. De rechtbank wijst de vorderingen van [gedaagden] af.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 februari 2023 (hierna: het tussenvonnis)
- het deskundigenbericht van 4 april 2025- de conclusie na deskundigenbericht van Mecus van 7 mei 2025- de conclusie naar aanleiding van deskundigenbericht van [gedaagden] van 7 mei 2025
2.2.
Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.
3. De verdere beoordeling
in conventie
Het deskundigenbericht
3.1.
Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank drs. J. Bouman RC RV van Wingman Business Valuation B.V. benoemd tot deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
- 1.
Wat was de waarde van de aandelen van Mecus in [gedaagde 2 in conv] op peildatum 10 september 2019? Kunt u dit motiveren?
- 2.
Wat is de huidige waarde van de aandelen van Mecus in [gedaagde 2 in conv] ? Kunt u dit motiveren?
- 3.
Kunt u bij de beantwoording van de vragen 1 en 2 de navolgende deelvragen betrekken, voor zover deze volgens u relevant zijn voor de vaststelling van de waarde van de aandelen en voor zover dit volgens u mogelijk is op basis van de beschikbare informatie bij de waarderingsopdracht? Kunt u dit motiveren?
a. Welke gedragingen van Mecus, haar bestuurder, Helisa, [gedaagde 3 in conv] en/of aan hen gelieerde vennootschappen zijn u ter kennis gebracht of gekomen die tot een vermindering van de waarde van de aandelen hebben geleid? Wat is het effect van die gedragingen op de waarde van de aandelen geweest?
b. Bent u bijvoorbeeld gestuit op situaties vanaf 10 september 2019 waarin [gedaagde 2 in conv] corporate opportunities zijn ontnomen of anderszins sprake is geweest van winstderving door (rechts)handelingen van of met Helisa, [gedaagde 3 in conv] of aan hen gelieerde vennootschappen? In hoeverre heeft dit een negatieve impact gehad op de waarde van de aandelen?
c. Bent u bijvoorbeeld van mening dat doordat Mecus haar bestuurstaak heeft neergelegd en doordat medewerkers van [gedaagde 2 in conv] uit dienst zijn gegaan, dat [gedaagde 2 in conv] daardoor extra kosten heeft moeten maken om het vertrek van Mecus en de medewerkers in te lopen en dat de waarde van de aandelen in [gedaagde 2 in conv] daardoor is afgenomen?
4. Zijn er verder nog zaken waarvan de rechtbank volgens u bij de verdere beoordeling kennis moet nemen?
3.2.
De deskundige heeft op 4 april 2025 een deskundigenbericht uitgebracht, dat onder meer luidt als volgt:
“(…)
3.2
Waarderingsmethodieken
(…)
De waarde van [gedaagde 2 in conv] op Waarderingsdatum is bepaald aan de hand van de APV-methode, omdat hierin specifieke toekomstverwachtingen kunnen worden meegenomen. Hierbij kan ook het feit worden meegenomen dat de op Waarderingsdatum aanwezige projecten in de daaropvolgende jaren worden afgewikkeld en er geen nieuwe projecten meer worden opgestart.
(…)
5. BEANTWOORDING VRAGEN
Vraag 1 Wat was de waarde van de aandelen van Mecus in [gedaagde 2 in conv] op peildatum 10 september 2019? Kunt u dit motiveren?
De waarde van de aandelen van Mecus in [gedaagde 2 in conv] per 10 september 2019 bedraagt € 65.000, zoals weergegeven in hoofdstuk 3.
Deze waarde is berekend met behulp van de APV-methode, een variant van de Discounted Cash Flow (DCF) methode. Hierbij wordt de waarde van de onderneming bepaald door de toekomstige te verwachten geldst[r]omen die contant worden gemaakt naar Waarderingsdatum waarbij rekening wordt gehouden met het risico dat aan de te verwachten geldst[r]omen is verbonden. Hierbij wordt uitgegaan van de omstandigheden en verwachtingen die op Waarderingsdatum bestaan.
Bij deze berekeningswijze speelt de discussie tussen Partijen omtrent de al dan niet terechte doorbelastingen na Waarderingsdatum geen rol. Er wordt verondersteld dat het rendement dat op de toekomstige projecten wordt gerealiseerd in lijn ligt met de rendementen die in het verleden zijn gerealiseerd. Impliciet betekent dit dat de wijze waarop in het verleden eventuele verrekeningen werden doorgevoerd (en die dus onderdeel zijn van de historische resultaten) ook in de toekomst worden doorgezet.
Vraag 2 Wat is de huidige waarde van de aandelen van Mecus in [gedaagde 2 in conv] ? Kunt u dit motiveren?
De huidige waarde van de aandelen van Mecus in [gedaagde 2 in conv] bedraagt nihil, zoals weergegeven in hoofdstuk 4. Er is sprake van een negatief eigen vermogen en er zijn door het gereedkomen van projecten geen significante toekomstige projectresultaten te verwachten in de nabije toekomst die dit negatieve eigen vermogen positief kunnen doen worden.
Voor bovenstaande analyse zijn de cijfers conform de jaarrekeningen gehanteerd. Mecus stelt dat er vanuit de [bedrijf] doorbelastingen hebben plaatsgevonden die onterecht zijn, waardoor de resultaten (en daarmee het eigen vermogen) van de onderneming zijn gedrukt. Helisa stelt dat deze doorbelastingen terecht zijn geweest.
Bij de beoordeling of deze doorbelastingen redelijk zijn wreekt zich dat Partijen hieromtrent niets schriftelijk hebben vastgelegd. Er zijn dus geen afspraken waar de redelijkheid van deze doorbelastingen aan te toetsen zijn. Daarom zijn eventuele correcties op deze doorbelastingen geen onderdeel geweest van de berekening van de huidige aandeelhouderswaarde. Wel is in hoofdstuk 4 weergegeven wat de aandeelhouderswaarde zou zijn als 50% van de door Mecus als onterecht bestempelde doorbelastingen zou zijn gecorrigeerd.
Vraag 3 Kunt u bij de beantwoording van de vragen 1 en 2 de navolgende deelvragen betrekken, voor zover deze volgens u relevant zijn voor de vaststelling van de waarde van de aandelen en voor zover dit volgens u mogelijk is op basis van de beschikbare informatie bij de waarderingsopdracht? Kunt u dit motiveren?
a. Welke gedragingen van Mecus, haar bestuurder, Helisa, [gedaagde 3 in conv] en/of aan hen gelieerde vennootschappen zijn u ter kennis gebracht of gekomen die tot een vermindering van de waarde van de aandelen hebben geleid? Wat is het effect van die gedragingen op de waarde van de aandelen geweest?
b. Bent u bijvoorbeeld gestuit op situaties vanaf 10 september 2019 waarin [gedaagde 2 in conv] corporate opportunities zijn ontnomen of anderszins sprake is geweest van winstderving door (rechts)handelingen van of met Helisa, [gedaagde 3 in conv] of aan hen gelieerde vennootschappen? In hoeverre heeft dit een negatieve impact gehad op de waarde van de aandelen?
c. Bent u bijvoorbeeld van mening dat doordat Mecus haar bestuurstaak heeft neergelegd en doordat medewerkers van [gedaagde 2 in conv] uit dienst zijn gegaan, dat [gedaagde 2 in conv] daardoor extra kosten heeft moeten maken om het vertrek van Mecus en de medewerkers in te lopen en dat de waarde van de aandelen in [gedaagde 2 in conv] daardoor is afgenomen?
Allereerst dient te worden opgemerkt dat onze werkzaamheden zich hebben gericht op de berekening van de waarde van de aandelen. Deze analyse is uitgevoerd op basis van informatie die door of namens Partijen is verstrekt. De aard van de in het kader van deze opdracht uitgevoerde werkzaamheden houdt in dat op de ter beschikking gestelde informatie door deskundige geen accountantscontrole werd uitgevoerd, geen beoordelingsopdracht is uitgevoerd, noch een aanvullend onderzoek in de vorm van een due diligence. Een en ander impliceert dat aan de rapportage geen zekerheid met betrekking tot de getrouwheid van deze informatie kan worden ontleend.
Uit onze werkzaamheden is naar voren gekomen dat Partijen op veel punten van mening verschillen over wat zij exact onderling hebben afgesproken. Deze afspraken zijn veelal mondeling geweest, Partijen hebben deze niet schriftelijk vastgelegd. Er zijn dus geen schriftelijk afspraken waar de standpunten van Partijen aan te toetsen zijn. Dit maakt het lastig om eenduidig en objectief vast te stellen welke stelling juist is.
Voor de beantwoording van de door de rechtbank gestelde vraag omtrent
aandeelhouderswaarde per 10 september 2019 spelen deze discussiepunten, zoals hiervoor al toegelicht, een ondergeschikte rol. Voor de waarde per heden zijn deze echter wel van belang. Bij de beantwoording van deze vraag is tevens aangegeven wat de pakketwaarde zou zijn indien het standpunt zou zijn ingenomen dat de door Mecus betwiste doorbelastingen vanuit DOG voor 50% zouden zijn gecorrigeerd.
We hebben de door de rechtbank gestelde vraag ook voorgelegd aan Partijen. De standpunten zijn hieronder per sub-vraag samengevat.
Sub-vraag a Standpunt Mecus
Op de vraag aan Mecus welke gedragingen van [gedaagde 3 in conv] hebben tot een
vermindering van de waarde geleid heeft Mecus het volgende aangegeven:
DOG heeft naar eigen goeddunken gefactureerd zonder akkoord of melding en veelal geruime tijd na oplevering van het project. Deze facturen zijn door Helisa als bestuurder van [gedaagde 2 in conv] klakkeloos geaccepteerd. Hiermee is het gros van het resultaat van de projecten bij [gedaagde 2 in conv] weggehaald en naar ander vennootschappen geschoven waar [gedaagde 3 in conv] 100% eigenaar is.
Voorts heeft het bestuur van [gedaagde 2 in conv] niet ingegrepen om de vaste kosten te reduceren, waardoor de vennootschap verliesgevend werd.
Standpunt Helisa
Helisa geeft aan dat Mecus, als Mecus schrijft dat het ongebruikelijk is dat een projectontwikkelaar maanden of zelfs jaren na oplevering van een project verantwoordelijk wordt gehouden voor bouwkosten, uitgaat van een situatie tussen twee marktpartijen. Daar was in onderhavige casus geen sprake van. Het was binnen [gedaagde 2 in conv] jarenlang gebruik dat [gedaagde 2 in conv] en de aannemer uit DOG achteraf bedragen per project verrekenden. De stelling dat [gedaagde 2 in conv] vaak ten onrechte is geconfronteerd met meerwerk is ook onjuist. De door Mecus gemaakte stiko’s waren vaak niet kloppend en de kosten liepen helemaal uit de klauwen. Mecus was niet in control.
Opmerkingen deskundige
Ten aanzien van de doorbelasting van de kosten zijn in de vorige hoofdstukken en hierboven reeds opmerkingen gemaakt en is aangegeven hoe deze in de waardeberekeningen zijn meegenomen.
De kostenstructuur van [gedaagde 2 in conv] is na de afronding van de meeste projecten vanaf 2021 wel degelijk verlaagd. Zo zijn en geen huisvestingskosten, autokosten en zeer beperkte verkoopkosten meer. De nog aanwezige personeelskosten worden doorbelast, daar staan dus inkomsten tegenover van dezelfde omvang. Het lijkt logisch om de onderneming op een ‘laag pitje’ voort te zetten teneinde de kans te hebben de nog aanwezig zijnde projecten tot een afronding te brengen.
Sub-vraag b Standpunt Mecus
Op de vraag aan Mecus naar situaties vanaf 10 september 2019 waarin [gedaagde 2 in conv] corporate opportunities zijn ontnomen of anderszins sprake is geweest van rechtshandelingen door [gedaagde 3 in conv] die een negatieve impact heeft gehad op de werkzaamheden, heeft Mecus het volgende aangegeven:
De activiteiten van [gedaagde 2 in conv] zijn na het opzeggen van de managementovereenkomst, het uitschrijven als bestuurder en het opzeggen van de project managementovereenkomst voor Mecus goeddeels buiten beeld gebleven. Ook bij de aandeelhoudersvergaderingen werd over de toekomstperspectieven aan Mecus geen duidelijkheid gegeven.
[gedaagde 2 in conv] heeft samen met een andere ontwikkelaar het project Thuvine in Duiven geacquireerd maar dit project naar een andere vennootschap doorgezet waarvan Mecus geen aandeelhouder is. Daarna zijn er (al dan niet in samenwerking) projecten in Overasselt, Boxmeer en Alverna geacquireerd waarvan Mecus alleen via social media heeft kunnen vernemen.
Mecus heeft geen zicht op hoe de projecten die nog in [gedaagde 2 in conv] zaten (Ledeacker en Herveld) er voorstaan.
Helisa heeft verzuimd om de vaste kostenstructuur van de vennootschap aan te passen aan de lopende werkzaamheden.
Standpunt Helisa
Helisa betwist dat het project Thuvine tot het vermogen van [gedaagde 2 in conv] heeft gehoord, net als de andere door Mecus genoemde projecten. Ten aanzien van de projecten in Ledeacker en Herveld geeft Helisa aan dat deze projecten op een laag pitje verder zijn ontwikkeld in een poging de negatieve resultaten binnen [gedaagde 2 in conv] te verminderen,
Opmerkingen deskundige
Partijen zijn overeengekomen dat er na het vertrek van Mecus geen nieuwe projecten binnen [gedaagde 2 in conv] zouden worden gestart en dat de werkzaamheden van [gedaagde 2 in conv] zich dus zouden richten op de afwikkeling van de projecten die in september 2019 aanwezig waren. Het project Thuvine in Duiven en de projecten in Overasselt, Boxmeer en Alverna staan in september 2019 niet op de projectenlijst en dienen dus niet in de waardeberekening te worden betrokken. Dat is in onderhavige berekeningen dan ook niet gebeurd.
Ten aanzien van de verlaging van de kostenstructuur van [gedaagde 2 in conv] is bij het vorige punt een opmerking gemaakt.
Sub-vraag c Standpunt Helisa
Door de plotselinge opzegging van de managementovereenkomst door Mecus en het meenemen van het ontwikkelpersoneel is de ontwikkelkracht van [gedaagde 2 in conv] verloren gegaan. De projecten waar al wel ontwikkelkosten waren gemaakt (8 woningen Zevenaar, Kesteren, Herveld, Ledeacker en afwikkeling Meesterplaats) kwamen door het vertrek van Mecus en het personeel nagenoeg stil te liggen. De projecten werden verlieslatend omdat de door [gedaagde 2 in conv] gespendeerde uren en kosten niet meer konden worden terugverdiend.
Mecus heeft zonder toestemming twee projecten (Maasbommel en Het wapen van Bemmel) meegenomen uit de tijd van [gedaagde 2 in conv] waarvoor geen compensatie aan [gedaagde 2 in conv] is betaald. Mecus en het personele van [gedaagde 2 in conv] hebben echter voor deze projecten wel tijd en kosten gemaakt. In de administratie van [gedaagde 2 in conv] is voor het project Maasbommel € 2.072 aan kosten opgenomen, het project Het wapen van Bemmel is niet in de administratie genoteerd.
Door deze onbesuisde acties van Mecus heeft zij [gedaagde 2 in conv] achtergelaten met schulden en een negatief eigen vermogen die niet meer gecompenseerd kunnen worden met eventuele toekomstige projectopbrengsten.
Standpunt Mecus
Mecus geeft aan dat door het vertrek van Mecus als bestuurder er niet veel is veranderd. Op verzoek van [gedaagde 3 in conv] heeft Mecus de projectontwikkelaars die in dienst waren van [gedaagde 2 in conv] overgenomen. Daarnaast is om een aantal projecten doorgang te laten vinden aan Mecus een opdracht verstrekt voor het uitvoeren van projectmanagement. Dit zou door dezelfde mensen vanuit Mecus worden uitgevoerd. Door betalingsachterstanden heeft Mecus de werkzaamheden opgeschort. Dat de werkzaamheden niet in goede samenwerking zijn afgewikkeld is te wijten aan Helisa.
Opmerkingen deskundige
Partijen waren overeengekomen dat Mecus (en de projectontwikkelaars) op basis van inhuur bij de projecten betrokken zouden blijven om zo de verder ontwikkeling van de projecten doorgang te laten vinden. Door de verslechterende onderlinge verstandhouding is dit niet mogelijk gebleken. Partijen verschillen van mening over wat de exacte reden is dat deze afspraak strandde. Daarna is Mecus niet meer bij de projecten betrokken geweest en heeft [gedaagde 2 in conv] mensen ingehuurd om deze werkzaamheden uit te voeren. Bij de waardeberekening is het minder van belang wie er wordt ingehuurd om de werkzaamheden uit te voeren, als de kosten maar redelijk zijn en onderdeel zijn van de waardeberekening.
Partijen verschillen van mening over of het terecht is dat Mecus de projecten Maasbommel en Het wapen van Bemmel uiteindelijk buiten [gedaagde 2 in conv] heeft ontwikkeld. Mecus heeft verklaringen van de eigenaren van deze projecten overlegd waarin de eigenaren verklaren dat zij de ontwikkeling met Mecus wensten uit te voeren en na het vertrek van Mecus bij [gedaagde 2 in conv] deze projecten dus niet bij [gedaagde 2 in conv] zouden zijn uitgevoerd. De projecten hangen dus sterk aan Mecus In de waardeberekening van [gedaagde 2 in conv] hebben deze projecten geen rol gespeeld.
Vraag 4 Zijn er verder nog andere zaken waarvan de rechtbank volgens u bij verdere beoordeling kennis moet nemen?
Er zijn geen andere zaken waarvan de rechtbank volgens ondergetekende bij verdere beoordeling kennis moet nemen.
(…)”
De peildatum
3.3.
Mecus voert in haar conclusie na deskundigenbericht aan dat de huidige waarde van de aandelen niet de juiste peildatum is. Zij meent dat de waarde van de aandelen per 10 september 2019 de prijs zou moeten zijn die [gedaagden] aan haar moet betalen bij de overdracht. Dit betoog gaat niet op. De rechtbank heeft de deskundige opgedragen de waarde van de aandelen op peildatum 10 september 2019 en de huidige waarde van de aandelen te bepalen. In het tussenvonnis van 14 september 2022 (onder 4.9) heeft de rechtbank daartoe overwogen dat als uitgangspunt voor de waardering op grond van artikel 2:343 BW geldt dat de deskundige de waarde van de aandelen moet vaststellen op grond van de waarde in het economisch verkeer en dat het daarbij gaat om de waarde op een datum zo dicht mogelijk gelegen bij de datum van overdracht. Om te kunnen beoordelen of Mecus daarnaast in aanmerking komt voor een billijke verhoging op grond van artikel 2:343 lid 4 BW omdat – zoals Mecus stelt – de aandelen door toedoen van [gedaagden] in waarde zijn gedaald, moet ook de waarde van de aandelen worden vastgesteld op een eerdere datum dan die waarop de huidige waarde wordt bepaald. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen het erover eens geworden dat de peildatum die de deskundige daarbij moet hanteren 10 september 2019 is, de datum waarop Mecus is teruggetreden als bestuurder, zo heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 14 september 2022 (onder 4.10) overwogen.
Dit zijn bindende eindbeslissingen. Voor zover Mecus nu wil betogen dat de rechtbank hiervan terug moet komen, overweegt de rechtbank dat zij dat niet zal doen. Zij heeft weliswaar de bevoegdheid om in bepaalde gevallen van bindende eindbeslissingen terug te komen (HR 25 april 2008, ELCI:NL:HR:2008:BC2800), maar zij ziet in wat Mecus aanvoert geen aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken. De beslissingen berusten immers niet op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag.
De actuele waarde van de aandelen
3.4.
Het deskundigenbericht komt de rechtbank overtuigend voor. Partijen hebben weliswaar bezwaren gemaakt tegen zowel het concept deskundigenbericht als het definitieve deskundigenbericht, maar zij hebben de deskundigheid van de deskundige niet in twijfel getrokken. De rechtbank gaat daarvan dan ook uit. De deskundige heeft gemotiveerd gereageerd op het commentaar van partijen op zijn concept deskundigenbericht. De wijze waarop hij dat heeft gedaan – het commentaar van partijen heeft geleid tot enkele aanpassingen, maar geen rekenkundige wijzigingen – laat de rechtbank over aan zijn deskundigheid. Dat geldt dan ook voor de opmerkingen van [gedaagden] over het voorzichtigheidsbeginsel en de wijze waarop de deskundige is omgegaan met het verlies van Meesterplaats. Het is de keuze van de deskundige om dit verlies over twee jaren te spreiden (2019 en 2020). Dit behoort bij uitstek tot zijn deskundigheid (en de door hem gekozen waarderingsmethode). De conclusie van de deskundige is dat de aandelen sinds het vertrek van Mecus als bestuurder van [gedaagde 2 in conv] op 10 september 2019 minder waard zijn geworden: de actuele waarde van de aandelen is volgens de deskundige nihil. Die uitkomst ligt voor de hand. Bij het terugtreden van Mecus als bestuurder van [gedaagde 2 in conv] hebben partijen immers afgesproken dat de projecten die [gedaagde 2 in conv] op dat moment in portefeuille had zouden worden afgewikkeld en er zijn sindsdien geen nieuwe projecten in [gedaagde 2 in conv] meer gestart. De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige over de actuele waarde van de aandelen dan ook over en maakt deze tot de hare. Wat partijen in hun conclusies na deskundigenbericht hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
De billijke vergoeding
3.5.
Dan is de vraag of Mecus aanspraak kan maken op een billijke verhoging op grond van artikel 2:343 lid 3 BW. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval, gelet op het navolgende.
3.6.
De deskundige heeft de waarde van de aandelen op peildatum 10 september 2019 bepaald op € 65.000,00. Bij zijn berekening heeft de deskundige de gedeponeerde jaarrekening van 2019 als uitgangspunt genomen, ondanks zijn bekendheid met de bezwaren van Mecus tegen die jaarrekening. Deze keuze laat de rechtbank over aan de deskundigheid van de deskundige. De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige over de waarde van de aandelen op 10 september 2019 over en maakt deze tot de hare. Wat partijen hierover in hun conclusies na deskundigenbericht hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
3.7.
De actuele waarde van de aandelen is nihil. De aandelen zijn dus sinds 10 september 2019 € 65.000,00 in waarde gedaald. Zoals de deskundige ook aangeeft in zijn rapport, verschillen partijen op veel punten van mening over wat zij precies onderling hebben afgesproken. Veel afspraken zijn mondeling gemaakt en niet schriftelijk vastgelegd. Gelet hierop kan niet goed worden vastgesteld welk standpunt juist is. Daardoor kan de rechtbank evenmin vaststellen of en in welke mate de waardedaling van de aandelen geheel is te wijten aan gedragingen van Helisa. Helisa stond echter in de periode na het terugtreden van Mecus als bestuurder op 10 september 2019 aan het roer van [gedaagde 2 in conv] . De rechtbank houdt het er daarom voor dat de waardedaling in ieder geval voor een deel aan Helisa kan worden toegerekend. In dit kader moet ook de wijze van doorbelasten worden genoemd. Mecus lijkt zich in dit verband met name te richten op de doorbelasting van de verliezen bij Meesterplaats, maar zij zet ook vraagtekens bij andere doorbelastingen. Hier wreekt zich dat er geen afspraken over zijn gemaakt, die er in het verleden wel waren. [gedaagden] heeft dan blijkbaar zelf keuzes gemaakt. Als de rechtbank het rapport van de deskundige goed begrijpt, zouden ook andere keuzes mogelijk zijn. Als slechts 50% zou zijn doorbelast, zou de vennootschap nu nog meer waard zijn en zouden ook de aandelen van Mecus nog een hogere waarde vertegenwoordigen, te weten € 28.000,00 in 2021. Het ligt voor de hand om rekening te houden met dit gegeven bij het bepalen van de billijke vergoeding.Daar staat tegenover dat uit het deskundigenrapport ook volgt dat Mecus twee projecten heeft meegenomen (Wapen van Bemmel en Maasbommel) en dat [gedaagden] gemotiveerd heeft betoogd dat ook gespecialiseerde werknemers met Mecus zijn vertrokken. Dit is ook van invloed geweest op de waardedaling van de onderneming. Al met al is er dan aanleiding om de billijke verhoging vast te stellen op 50% van de door de deskundige vastgestelde waardedaling, oftewel € 32.500,00.
3.8.
Mecus heeft ook nog opmerkingen gemaakt over de projecten Thuvine, Overasselt, Boxmeer en Alverna. Mecus heeft echter niet gesteld dat die projecten al waren gestart voordat de afspraak is gemaakt dat geen nieuwe projecten meer zouden worden ontwikkeld in [gedaagde 2 in conv] . Dit strookt ook met de opmerking van de deskundige dat deze projecten in september 2019 niet op de projectenlijst stonden. De rechtbank hoeft daarmee dan geen rekening te houden bij de bepaling van de billijke vergoeding.
3.9.
Tot slot heeft Mecus nog gesteld dat het bestuur van [gedaagde 2 in conv] niet heeft ingegrepen om de vaste kosten te reduceren. Volgens de deskundige klopt dit echter niet. De rechtbank volgt hierin de deskundige.
3.10.
Gezien het voorgaande zal [gedaagden] worden veroordeeld tot betaling van voornoemd bedrag van € 32.500,00 aan Mecus bij wijze van billijke vergoeding. Voor vermeerdering van dit bedrag met waardestijgingen in de periode gelegen tussen de gehanteerde peildatum voor de waardering en de datum van vaststelling van de koopprijs, zoals door Mecus gevorderd onder 3, bestaat geen grond.
De vorderingen op grond van artikel 843a Rv
3.11.
Aan haar vorderingen 5-10 legt Mecus artikel 843a Rv ten grondslag. Volgens Mecus is het verkrijgen van inzage, afschrift of uittreksel van de relevante bescheiden noodzakelijk om haar rechtspositie en bewijspositie te bepalen, in het bijzonder om ervoor te zorgen dat de waarde(daling) van haar aandelen in volle omvang kan worden vastgesteld. De waarde(daling) van de aandelen is echter berekend door de deskundige en de rechtbank neemt in dit eindvonnis diens conclusies over. Mecus heeft dus niet langer belang bij inzage, afschrift of uittreksel van de betreffende bescheiden. De rechtbank zal de vorderingen 5-10 om die reden afwijzen.
Slotsom
3.12.
Helisa en [gedaagde 2 in conv] moeten de aandelen van Mecus in [gedaagde 2 in conv] overnemen tegen een prijs van € 0,00. Mecus heeft recht op een billijke verhoging van € 32.500,00. [gedaagden] zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan Mecus, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierna vermeld in de beslissing.
3.13.
Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld en gelet op het oordeel dat de waardedaling van de aandelen voor de helft aan Helisa moet worden toegerekend, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten, met inbegrip van de kosten van het deskundigenbericht, te compenseren. Dat betekent dat iedere partij haar eigen kosten draagt en dat [gedaagden] de helft van de kosten van het deskundigenbericht moet dragen. Het voorschot is betaald door Mecus. [gedaagden] moet daarom de helft van deze kosten aan Mecus betalen. Het betreft € 33.880,00 : 2 = € 16.940,00.
3.14.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in reconventie
3.15.
[gedaagden] vordert in reconventie dat de rechtbank:
- 1.
voor recht verklaart dat Mecus aansprakelijk is voor de schade die Helisa Holding en [gedaagde 2 in conv] hebben geleden als gevolg van de door Mecus ten laste van hen gelegde beslagen;
- 2.
Mecus veroordeelt om aan Helisa en [gedaagde 2 in conv] te betalen de door hen geleden schade die Mecus met het leggen van de beslagen heeft veroorzaakt, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- 3.
Mecus veroordeelt om binnen 48 uur na het te wijzen vonnis aan ING Bank N.V. schriftelijk te verklaren dat Mecus geen rechten meer zal ontlenen aan de door Helisa en [gedaagde 2 in conv] ten gunste van Mecus gestelde bankgarantie van 9 april 2021, één en ander op straffe van een aan Helisa en [gedaagde 2 in conv] te betalen dwangsom van € 5.000,00 per dag met een maximum van € 314.059,20;
- 4.
Mecus veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
- 5.
Mecus veroordeelt in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.16.
[gedaagden] legt hieraan ten grondslag dat Mecus geen vordering op hem heeft en dat Mecus onrechtmatig jegens Helisa en [gedaagde 2 in conv] heeft gehandeld door ten laste van hen conservatoire beslagen te leggen. [gedaagden] houdt Mecus aansprakelijk voor de schade die Helisa en [gedaagde 2 in conv] daardoor hebben geleden. Indien en voor zover Mecus een vordering op [gedaagden] zou hebben, heeft Mecus volgens [gedaagden] onrechtmatig gehandeld door misbruik van haar bevoegdheid te maken in de zin van artikel 3:13 BW doordat zij voor een te hoog bedrag en te veel beslagen heeft laten leggen. Ook op die grond is Mecus volgens [gedaagden] aansprakelijk voor de schade.
3.17.
De rechtbank wijst de vorderingen van [gedaagden] af. In conventie heeft de rechtbank geoordeeld dat Mecus een vordering heeft op [gedaagden] De vraag die in reconventie voorligt, is daarom of Mecus tegenover [gedaagden] onrechtmatig heeft gehandeld door misbruik van haar bevoegdheid te maken doordat zij voor een te hoog bedrag en te veel beslagen heeft laten leggen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Mecus heeft in het beslagrekest (productie 26 bij dagvaarding) gemotiveerd uiteengezet dat haar accountant op basis van de concept jaarrekening 2019, het tijdens de vergadering van 6 juli 2020 verstrekte overzicht van het onderhanden werk en de meest recente projectbegrotingen haar aandelen heeft gewaardeerd op € 241.584,00. Gelet hierop heeft Mecus de voorzieningenrechter verzocht haar vordering op [gedaagden] , inclusief rente en kosten, in overeenstemming met de Beslagsyllabus voorlopig te begroten op € 314.059,20. De voorzieningenrechter heeft het gevraagde beslagverlof verleend en de vordering begroot op voornoemd bedrag. Dat inmiddels de aandelen op een veel lager bedrag – namelijk nihil – zijn gewaardeerd, betekent niet dat Mecus ten tijde van het beslagrekest geen gegronde reden had om haar vordering op een bedrag van € 314.059,20 te begroten. Door dat te doen, heeft Mecus dan ook geen misbruik van haar bevoegdheid gemaakt in de zin van artikel 3:13 BW. Mecus is dan ook niet aansprakelijk voor de schade die Helisa Holding en [gedaagde 2 in conv] stellen te hebben geleden als gevolg van de beslagen die Mecus ten laste van hen heeft laten leggen.
3.18.
[gedaagden] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De rechtbank begroot de kosten aan de kant van Mecus op € 614,00 wegens salaris advocaat (2,0 punten × tarief € 614,00 × factor 0,5).
3.19.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
4. De beslissing
De rechtbank
in conventie
4.1.
veroordeelt Helisa en [gedaagde 2 in conv] tot overname van alle aandelen die Mecus houdt in [gedaagde 2 in conv] , binnen twee weken nadat dit vonnis aan [gedaagden] is betekend, tegen gelijktijdige betaling van de prijs,
4.2.
bepaalt de prijs van de aandelen die Mecus in [gedaagde 2 in conv] houdt op € 0,00,
4.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Mecus te betalen een billijke vergoeding ten bedrage van € 32.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
4.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Mecus de helft van de kosten van het deskundigenbericht te betalen, te weten € 16.940,00,
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.8.
wijst het gevorderde af,
4.9.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 614,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.10.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.11.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2025. | ||
JE/DB
Uitspraak 08‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2022:5344. Uittredingsregeling (artikel 2:343 BW). Rechtbank benoemt deskundige ter bepaling van de prijs van de aandelen die gedaagden moeten overnemen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/387782 / HA ZA 21-235
Vonnis van 8 februari 2023
in de zaak van
MECUS BEHEER B.V.
te Elst, gemeente Overbetuwe,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. B. Verkerk te Rotterdam,
tegen
1. HELISA HOLDING B.V.
te Wijchen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 2]
te [woonplaats] ,
3. [gedaagde sub 3]
te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. T. van der Meeren te Heilig Landstichting, gemeente Berg en Dal.
Partijen zullen hierna Mecus en Helisa c.s. (of afzonderlijk: Helisa, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ) worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 14 september 2022 (hierna: het tussenvonnis)
- -
de akte uitlaten van Mecus van 12 oktober 2022
- -
de akte van Helisa c.s. van 12 oktober 2022
- -
de antwoordakte van Helisa c.s. van 9 november 2022
- -
de antwoordakte van Mecus van 9 november 2022.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie
Het tussenvonnis
2.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat de vordering tot uittreding van Mecus ex artikel 2:343 lid 1 BW toewijsbaar is en dat Helisa en [gedaagde sub 2] de aandelen van Mecus zullen moeten overnemen. De rechtbank heeft aangekondigd een deskundige te benoemen die over de prijs van de aandelen schriftelijk bericht moet uitbrengen. De rechtbank heeft de volgende vragen voor de te benoemen deskundige geformuleerd:
- 1.
Wat was de waarde in het economisch verkeer van de aandelen van Mecus in [gedaagde sub 2] op peildatum 10 september 2019? Kunt u dit motiveren?
- 2.
Wat is de huidige waarde in het economisch verkeer van de aandelen van Mecus in [gedaagde sub 2] ? Kunt u dit motiveren?
- 3.
Zijn er verder nog zaken waarvan de rechtbank volgens u bij de verdere beoordeling kennis moet nemen?
De zaak is naar de rol verwezen voor uitlating door beide partijen over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. De rechtbank heeft partijen aangeraden het samen eens te worden over de persoon van de te benoemen deskundige.
De persoon van de te benoemen deskundige
2.2.
Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de persoon van de te benoemen deskundige. Mecus noemt in haar akte drie mogelijk te benoemen deskundigen.
Helisa c.s. noemt in haar akte geen namen, maar voert wel aan dat de te benoemen deskundige aangesloten moet zijn bij het Nederlands Instituut voor Register Valuators, moet beschikken over de titel AA of RA, bij voorkeur is gespecialiseerd in het bepalen van de waarde van de aandelen in het kapitaal van een vennootschap werkzaam in de bouwnijverheid en bij voorkeur is ingeschreven bij de LRGD en DIX. In haar antwoordakte betoogt Helisa c.s. dat de door Mecus genoemde deskundigen niet voldoen aan deze door haar “in redelijkheid” gestelde eisen.
2.3.
Omdat partijen het onderling niet eens zijn geworden over de persoon van de deskundige en gelet op de bezwaren van Helisa c.s. tegen de door Mecus genoemde deskundigen, heeft de rechtbank zelf een deskundige benaderd, rekening houdend met de door Helisa c.s. genoemde criteria. Het betreft de heer drs. J. (Jaap) Bouwman RC RV van Wingman Business Valuation B.V.
2.4.
De heer Bouman heeft desgevraagd verklaard bereid en in staat te zijn het benodigde onderzoek te verrichten en vrij te staan ten opzichte van partijen. De rechtbank zal dan ook overgaan tot zijn benoeming.
2.5.
Aan de hand van de opgave van de deskundige – waarop partijen hebben kunnen reageren – wordt het voorschot op zijn loon en kosten, inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting, bepaald op € 33.880,00 inclusief btw. Zoals de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen, moet dit bedrag ter griffie worden gedeponeerd door Mecus.
De aan de deskundige te stellen vragen
2.6.
Partijen hebben zich voorts uitgelaten over de in 2.1 weergegeven voorlopige vraagstelling.
2.7.
Mecus voert ten eerste aan dat vraag 2 in de voorlopige vraagstelling van de rechtbank moet worden geschrapt, kort gezegd omdat die in strijd is met de door partijen gekozen peildatum (10 september 2019). Volgens Mecus was de afspraak en gedachte van partijen een (pure) waardering per 10 september 2019 en is voor de waardebepaling niet meer van belang wat er ná die datum is voorgevallen en wat sindsdien de waardevermindering is geweest.
2.8.
De rechtbank volgt Mecus hierin niet. In de eerste plaats betwist Helisa c.s. in haar antwoordakte dat partijen het er tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling over eens zijn geworden dat uitsluitend de waarde van de aandelen op 10 september 2019 moet worden vastgesteld. Dit staat dus niet vast. Het ligt bovendien niet voor de hand. Helisa c.s. wijst er terecht op dat Mecus heeft verzocht om een vaststelling van de huidige economische waarde van de aandelen en daarbij rekening te houden met de handelwijze van Helisa c.s. sinds het terugtreden van Mecus als bestuurder op 10 september 2019. Mecus maakt om die reden ook aanspraak op een billijke verhoging op grond van artikel 2:343 lid 4 BW. Ter zitting is namens Mecus aangevoerd dat die billijke verhoging dan het verschil is tussen de actuele waarde van de aandelen en de waarde op 10 september 2019. Hieruit volgt dat Mecus ook zelf vindt dat naast de waarde van de aandelen op 10 september 2019 ook de actuele waarde moet worden bepaald. De rechtbank ziet niet in op basis waarvan anders zou moeten worden vastgesteld wat een billijke verhoging is. Mecus voert in haar akte na tussenvonnis aan dat bepaling van de huidige waarde van de aandelen zou betekenen dat de deskundige niet kan terugvallen op een vaste datum voor de waardering, maar in feite iedere dag die verstrijkt moet controleren of zijn waardebepaling ook op de nieuwe dag nog klopt. Deze redenering van Mecus berust echter op een onjuiste lezing van het tussenvonnis. Daarin heeft de rechtbank onder 4.9 immers overwogen dat het gaat om de waarde op een datum zo dicht mogelijk gelegen bij de datum van overdracht en dat dit de datum zal zijn waarop de deskundige de waarde bepaalt, die dan wordt geacht het meest actueel te zijn. Er is dus geen sprake van dat de deskundige dag na dag zou moeten controleren of zijn waardebepaling ook op de nieuwe dag nog klopt. Gezien het voorgaande handhaaft de rechtbank de door haar geformuleerde vraag 2.
2.9.
Verder verzoekt Mecus de rechtbank om de volgende aanvullende vraag aan de te benoemen deskundige voor te leggen:
1. Welke gedragingen van Helisa, [gedaagde sub 3] of aan hen gelieerde vennootschappen zijn u ter kennis gebracht of gekomen die tot een vermindering van de waarde van de aandelen hebben geleid? Wat is het effect van die gedragingen op de waarde van de aandelen geweest?
Subsidiair – indien de rechtbank haar oordeel handhaaft dat moet worden gekeken naar een waardedaling na 10 september 2019 – verzoekt Mecus de rechtbank om de volgende aanvullende vragen aan de deskundige voor te leggen, waarbij geldt dat de tweede vraag kan worden gezien als een species van de eerste vraag:
- 1.
Welke gedragingen van Helisa, [gedaagde sub 3] of aan hen gelieerde vennootschappen zijn u ter kennis gebracht of gekomen die tot een vermindering van de waarde van de aandelen hebben geleid? Wat is het effect van die gedragingen op de waarde van de aandelen geweest?
- 2.
Bent u gestuit op situaties vanaf 10 september 2019 waarin [gedaagde sub 2] corporate opportunities zijn ontnomen of anderszins sprake is geweest van winstderving door (rechts)handelingen van of met Helisa, [gedaagde sub 3] of aan hen gelieerde vennootschappen? In hoeverre heeft dit een negatieve impact gehad op de waarde van de aandelen?
2.10.
Helisa c.s. wil graag de volgende aanvullende vragen aan de deskundige voorleggen:
- 1.
Wordt de waarde van de aandelen beïnvloed doordat het gaat om een minderheidsbelang?
- 2.
Bent u met Helisa c.s. van mening dat de jaarrekening 2018 van [gedaagde sub 2] als uitgangspunt voor de berekening van de waarde van de aandelen van [gedaagde sub 2] kan worden gehanteerd voor zover die betrekking hebben op 31 december 2018 reeds afgeronde projecten, omdat die jaarrekening – in overleg met en na goedkeuring van aandeelhouder en (destijds nog) mede-bestuurder Mecus – is vastgesteld op 15 augustus 2019?
- 3.
Is het gegeven dat Mecus niet bereid was om (meer) te investeren in [gedaagde sub 2] van invloed op de waarde van de aandelen?
- 4.
Bent u van mening dat doordat Mecus haar bestuurstaak heeft neergelegd, Mecus een aantal medewerkers van [gedaagde sub 2] heeft bewogen om bij [gedaagde sub 2] uit dienst te gaan, althans dat medewerkers van [gedaagde sub 2] uit dienst zijn gegaan, dat daardoor informatie over de projecten verloren is gegaan, dat [gedaagde sub 2] daardoor extra kosten heeft moeten maken om het vertrek van Mecus en de medewerkers in te lopen en dat de waarde van de aandelen in [gedaagde sub 2] daardoor is afgenomen?
- 5.
Bent u van mening dat de projecten ‘Het wapen van Bemmel’ en ‘Maasbommel’ tot het vermogen van [gedaagde sub 2] behoorden en dat Mecus die projecten zonder recht of titel aan het vermogen van [gedaagde sub 2] heeft onttrokken en dat [gedaagde sub 2] en Helisa daardoor schade heeft geleden?
- 6.
Welke gedragingen van Mecus, haar bestuurder en/of aan Mecus gelieerde vennootschappen zijn u nog meer ter kennis gebracht of gekomen die tot vermindering van de waarde van de aandelen hebben geleid? Wat is het effect van die gedragingen op de waarde van de aandelen geweest?
2.11.
Vraag 1 van Mecus en vraag 6 van Helisa c.s. zijn naar het oordeel van de rechtbank relevant. Omdat zij elkaar overlappen, zal de rechtbank deze vragen samenvoegen en als één vraag aan de deskundige voorleggen.
Het spreekt voor zich dat de deskundige alle omstandigheden die volgens hem relevant zijn voor de vaststelling van de waarde van de aandelen en die kunnen worden opgemaakt uit de beschikbare informatie betrekt in zijn onderzoek en dat hij dit dan ook tot uitdrukking brengt in zijn rapport. De rechtbank laat dit aan de deskundige over en zal de vragen 1, 2 en 3 van Helisa c.s. daarom niet afzonderlijk aan de deskundige voorleggen.
Vraag 2 van Mecus en vraag 4 van Helisa c.s. kunnen worden beschouwd als voorbeelden bij vraag 1 van Mecus en vraag 6 van Helisa c.s. Zij zullen in die zin aan de deskundige worden voorgelegd, waarbij de rechtbank vraag 6 van Helisa c.s. enigszins zal inkorten voor zover deze suggestief is.
Vraag 5 van Helisa c.s. is juridisch van aard en gaat de voorgenomen vraagstelling te buiten. De rechtbank zal deze vraag al om die reden niet voorleggen aan de deskundige.
Het voorgaande leidt tot de hierna in 3.1 weergegeven vraagstelling aan de deskundige. Daarbij zal de rechtbank in het vervolg van deze zaak spreken van “de waarde van de aandelen” in plaats van “de waarde in het economisch verkeer van de aandelen”.
Slotoverwegingen
2.12.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.13.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, moet zij daarvan meteen afschrift aan de wederpartij verstrekken.
2.14.
In afwachting van het deskundigenonderzoek zal de rechtbank nu iedere verdere beslissing aanhouden.
in reconventie
2.15.
In afwachting van de verdere beoordeling in conventie houdt de rechtbank in reconventie iedere verdere beslissing aan.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
3.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
- 1.
Wat was de waarde van de aandelen van Mecus in [gedaagde sub 2] op peildatum 10 september 2019? Kunt u dit motiveren?
- 2.
Wat is de huidige waarde van de aandelen van Mecus in [gedaagde sub 2] ? Kunt u dit motiveren?
- 3.
Kunt u bij de beantwoording van de vragen 1 en 2 de navolgende deelvragen betrekken, voor zover deze volgens u relevant zijn voor de vaststelling van de waarde van de aandelen en voor zover dit volgens u mogelijk is op basis van de beschikbare informatie bij de waarderingsopdracht? Kunt u dit motiveren?
a. Welke gedragingen van Mecus, haar bestuurder, Helisa, [gedaagde sub 3] en/of aan hen gelieerde vennootschappen zijn u ter kennis gebracht of gekomen die tot een vermindering van de waarde van de aandelen hebben geleid? Wat is het effect van die gedragingen op de waarde van de aandelen geweest?
b. Bent u bijvoorbeeld gestuit op situaties vanaf 10 september 2019 waarin [gedaagde sub 2] corporate opportunities zijn ontnomen of anderszins sprake is geweest van winstderving door (rechts)handelingen van of met Helisa, [gedaagde sub 3] of aan hen gelieerde vennootschappen? In hoeverre heeft dit een negatieve impact gehad op de waarde van de aandelen?
c. Bent u bijvoorbeeld van mening dat doordat Mecus haar bestuurstaak heeft neergelegd en doordat medewerkers van [gedaagde sub 2] uit dienst zijn gegaan, dat [gedaagde sub 2] daardoor extra kosten heeft moeten maken om het vertrek van Mecus en de medewerkers in te lopen en dat de waarde van de aandelen in [gedaagde sub 2] daardoor is afgenomen?
4. Zijn er verder nog zaken waarvan de rechtbank volgens u bij de verdere beoordeling kennis moet nemen?
3.2.
benoemt tot deskundige:
drs. J. (Jaap) Bouman RC RV
Wingman Business Valuation B.V.
Stadsring 193
3811 HP Amersfoort
telefoon: [telefoonnummer]
e-mailadres: [e-mailadres] ,
het voorschot
3.3.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 33.880,00 inclusief btw,
3.4.
bepaalt dat Mecus het voorschot moet overmaken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
3.5.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
3.6.
bepaalt dat Mecus haar procesdossier in afschrift aan de deskundige moet doen toekomen,
3.7.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
3.8.
wijst de deskundige er op dat:
- -
de deskundige voor aanvang van het onderzoek moet kennisnemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
- -
de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot moet aanvangen,
- -
de deskundige het onderzoek onmiddellijk moet staken en contact moet opnemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
3.9.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
3.10.
draagt de deskundige op om uiterlijk vier maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
3.11.
wijst de deskundige er op dat:
- -
uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- -
de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
3.12.
bepaalt dat partijen binnen vier weken moeten reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
3.13.
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 4 oktober 2023,
3.14.
draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:
- -
indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of
- -
na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van Mecus op een termijn van vier weken,
3.15.
verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,
in conventie voorts en in reconventie
3.16.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2023.
JE/DB
Uitspraak 14‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Uittredingsvordering (artikel 2:343 BW). Voortduren aandeelhouderschap kan in redelijkheid niet meer van eiser worden gevergd. Gedaagden moeten de aandelen overnemen. Benoeming deskundige ter bepaling van de prijs van de aandelen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/387782 / HA ZA 21-235
Vonnis van 14 september 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MECUS BEHEER B.V.,
gevestigd te Elst, gemeente Overbetuwe,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. B. Verkerk te Rotterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HELISA HOLDING B.V.,
gevestigd te Wijchen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. T. van der Meeren te Heilig Landstichting, gemeente Berg en Dal.
Partijen zullen hierna Mecus en Helisa c.s. (of afzonderlijk: Helisa, [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] ) worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 21 juli 2021
- -
de conclusie van antwoord in reconventie van 15 september 2021
- -
de akte wijziging van eis ex artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van Mecus van 28 oktober 2021
- -
de akte, reactie op wijziging van eis alsmede reactie op producties bij conclusie in reconventie van Helisa c.s. van 3 november 2021
- -
de bij e-mail van 7 februari 2022 nagezonden producties 20-27 van Helisa c.s.- de akte houdende overlegging aanvullende producties van Mecus van 18 februari 2022 met daarbij de producties 51 en 52
- -
de akte in het geding brengen producties van Helisa c.s. van 18 februari 2022 met daarbij de producties 28-52
- -
de akte houdende overlegging aanvullende productie van Mecus van 8 juli 2022 met daarbij productie 53
- -
de akte in het geding brengen producties tevens wijziging van eis in reconventie van Helisa c.s. van 8 juli 2022 met daarbij de producties 53 en 54
- -
het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 8 juli 2022.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Mecus is een projectontwikkelaar. Haar bestuurder is de heer [bestuurder Mecus] (hierna: [bestuurder Mecus] ).
2.2.
[gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] is bestuurder van een aantal ondernemingen in de bouw en vastgoed. De ondernemingen gezamenlijk worden hierna aangeduid als [DOG] (DOG). [AJO] (AJO) en [JOB] (JOB) zijn aannemingsbedrijven binnen DOG. [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] is tevens bestuurder van Helisa.
2.3.
In 2012 (volgens Mecus)/2013 (volgens Helisa c.s.) zijn Mecus/ [bestuurder Mecus] en Helisa/ [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] gaan samenwerken in de nieuwe onderneming [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] binnen DOG. [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] houdt zich bezig met de exploitatie, verhuur, aan- en verkoop van onroerend goed alsmede projectontwikkeling op het gebied van onroerend goed, het geven van bouwadvies, bouwkostenadvies en bouwmanagement. Mecus zou omzet genereren en aandelen verwerven in [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] , terwijl [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] zou profiteren van de kennis binnen DOG. Aanvankelijk zijn geen afspraken gemaakt over de marges.
2.4.
De statuten van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] (productie 2 bij dagvaarding) luiden onder meer als volgt:
“(…)
Artikel 18. Bezoldiging
De bezoldiging en de verdere arbeidsvoorwaarden van iedere bestuurder worden vastgesteld door de algemene vergadering.
(…)
Artikel 29. Andere algemene vergaderingen
Onverminderd het bepaalde in artikel 28.1 worden algemene vergaderingen gehouden zo dikwijls als het bestuur zulks nodig acht.Het bestuur is tot zodanige oproeping verplicht wanneer één of meer aandeelhouders en/of vergadergerechtigden ten minste een honderdste van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigende, zulks schriftelijk, met nauwkeurige opgave van de te behandelen onderwerpen, aan het bestuur verzoeken. (…) Indien het bestuur niet tot oproeping is overgegaan, zodanig dat de vergadering binnen vier weken na het verzoek kan worden gehouden, zijn de verzoekers zelf tot bijeenroeping bevoegd.
(…)”
2.5.
Helisa is statutair bestuurder van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] en houdt 67% van de aandelen in het kapitaal van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] . Mecus was tot 10 september 2019 eveneens statutair bestuurder van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] . Sindsdien is zij nog slechts minderheidsaandeelhouder. Zij houdt de overige 33% van de aandelen.
2.6.
Helisa en Mecus kwamen overeen dat Mecus een managementvergoeding ontving van € 120.000,00 exclusief btw per jaar op basis van een werkweek van ten minste 40 uur. Helisa zou zich blijven richten op de bouw en wat managementtaken verrichten, tegen een jaarlijkse vergoeding van € 30.000,00 exclusief btw.
2.7.
De eerste jaren groeide de omzet van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] , maar in 2018 ging het financieel slechter. Op diverse projecten werd verlies geleden of dreigde verlies. Helisa heeft leningen aan [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] verstrekt om ervoor te zorgen dat [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] aan haar verplichtingen kon blijven voldoen.
2.8.
Op 20 mei 2019 heeft Mecus de managementovereenkomst opgezegd.
2.9.
Op 10 september 2019 heeft Mecus ontslag genomen als statutair bestuurder van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] . Daarbij is afgesproken dat Mecus/ [bestuurder Mecus] enerzijds en Helisa/ [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] anderzijds ieder hun eigen weg zouden gaan. De projecten die [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] op dat moment in portefeuille had, zouden binnen [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] verder worden afgewikkeld en de kosten en opbrengsten van die projecten zouden dus ook in [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] vallen.
2.10.
Mecus gaf te kennen specifieke projecten tegen een uurvergoeding te willen afronden en bleef op die manier nog enige tijd voor [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] werken.
2.11.
Op 28 mei 2020 ontvingen de aandeelhouders van de accountant een concept jaarrekening 2019 (productie 8 bij dagvaarding). De accountant verzocht de aandeelhouders om deze jaarrekening met hem door te spreken.
2.12.
Bij e-mail van 15 juni 2020 (productie 9 bij dagvaarding) heeft [bestuurder Mecus] namens Mecus aan [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] onder meer geschreven een aantal inhoudelijke vragen te hebben over de concept jaarrekening 2019 van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] . De volgende dag is namens [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] /Helisa geantwoord dat zij ook vragen heeft over het concept en dat het concept nader wordt besproken.
2.13.
Op 6 juli 2020 heeft een vergadering plaatsgevonden – boven het verslag (productie 10 bij dagvaarding) staat vermeld dat het om een algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) gaat – waar is gesproken over de concept jaarrekening 2019.
2.14.
Bij e-mail van 7 juli 2020 (productie 12 bij dagvaarding) heeft de accountant naar aanleiding van het in 2.13 genoemde verslag aan [bestuurder Mecus] / [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] laten weten dat meer gegevens moeten worden aangereikt, waarna hij een tweede concept jaarrekening kan opstellen.
2.15.
Bij e-mail van 25 juli 2020 (productie 11 bij dagvaarding) heeft [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] aan de accountant en [bestuurder Mecus] in reactie op het in 2.13 genoemde verslag onder meer geschreven dat die vergadering geen AVA betrof, maar slechts de bespreking van de concept jaarrekening en wijzigingen in onderhanden werk. Verder heeft [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] in deze e-mail onder meer geschreven dat hem een extra managementvergoeding toekomt en dat hij – en niet de AVA – deze in verband met zijn meerderheidsbelang zelf kan vaststellen.
2.16.
Bij brief van 11 september 2020 (productie 20 bij dagvaarding) heeft Mecus haar aandelen in [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] aan Helisa aangeboden tegen een prijs gelijk aan 33% van het eigen vermogen van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] volgens de laatst vastgestelde jaarrekening 2018. Helisa heeft dit aanbod afgewezen.
2.17.
Bij brief van 2 december 2020 (productie 21 bij dagvaarding) heeft Mecus Helisa verzocht om een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders (BAVA) van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] bijeen te roepen met daarbij het verzoek om in ieder geval een aantal door Mecus genoemde onderwerpen – waaronder de jaarrekening 2019 – te agenderen.
2.18.
Op 3 december 2020 is de jaarrekening 2019 van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] vastgesteld en op 18 december 2020 is deze bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd (productie 13 bij dagvaarding).
2.19.
Bij e-mail van 19 december 2020 (productie 22 bij dagvaarding) heeft Helisa laten weten dat zij aan het verzoek van Mecus om een BAVA uit te roepen geen gehoor zal geven.
2.20.
Mecus is daarop op 11 januari 2021 zelf overgegaan tot uitroeping van een (digitale) BAVA, te houden op 20 januari 2021 (productie 23 bij dagvaarding).
2.21.
Bij e-mail van 15 en 19 januari 2021 (productie 24 bij dagvaarding) heeft Helisa zich afgemeld voor de BAVA. Zij is op 20 januari 2021 niet op de BAVA verschenen.
2.22.
Op 6 maart 2021 heeft Mecus van Helisa een “vastgestelde” jaarrekening 2019 ontvangen, alsmede notulen van AVA’s die zouden hebben plaatsgevonden op 12 mei 2020 en 1 december 2020 (productie 14 bij dagvaarding).
2.23.
Bij e-mail van 10 mei 2021 (productie 17 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie) heeft de advocaat van Helisa c.s. de concept jaarrekening 2020 van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] toegestuurd aan de advocaat van Mecus. Volgens deze jaarrekening is sprake van een verlies van € 231.598,00.
2.24.
Ter verzekering van haar vordering heeft Mecus, na daartoe op 5 maart 2021 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ten laste van Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] beslag gelegd onder ING Bank N.V. en ten laste van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] onder Notarissen Elst B.V. en mr. Evert Oldenburger, notaris bij Notarissen Elst B.V.
2.25.
Op 15 juli 2021 is namens [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] aan Mecus een uitnodiging voor een AVA verstuurd, te houden op 30 augustus 2021 (productie 32 bij antwoord in reconventie).
2.26.
Sinds eind juli 2021 heeft Helisa c.s. diverse “eindafrekeningen” aan Mecus verstrekt (producties 35-37 bij antwoord in reconventie). Volgens die afrekeningen zou [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] aan AJO bedragen moeten betalen van respectievelijk (afgerond) € 336.000,00, € 176.000,00 en € 50.000,00.
2.27.
Bij e-mail van 2 augustus 2021 (productie 33 bij antwoord in reconventie) heeft [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] naar aanleiding van de agenda van de AVA aan [bestuurder Mecus] /Mecus onder meer geschreven dat hij ter zake van de financiering een “combi pandakte met volmacht” zal laten opstellen waarbij alle huidige en toekomstige activa van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] worden verpand aan Helisa. Verder vermeldt de e-mail onder meer:
“(…)De werkzaamheden die ik zal verrichten voor [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] (en die geen betrekking hebben op de al gesloten managementovereenkomst) worden door Helisa Holding B.V. (“Helisa”) gefactureerd voor een uurtarief van € 100,00 exclusief BTW per uur. Op de te sluiten overeenkomsten zijn dan ook de DNR 2011 van toepassing alsmede de overige bepalingen die in jouw managementovereenkomst van toepassing zijn.
(…)”
2.28.
Op 30 augustus 2021 heeft de AVA plaatsgevonden. Helisa heeft daar de onder 2.27 genoemde pandakte aan Mecus verstrekt. Uit de conceptnotulen (productie 34 bij antwoord in reconventie) blijkt verder onder meer dat het voorstel om werknemers van gelieerde vennootschappen dezelfde kosten als Mecus bij [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] in rekening te laten brengen bij meerderheid is aangenomen. Mecus heeft tegengestemd.
2.29.
Op 22 september 2021 heeft Mecus, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ten laste van Helisa c.s. bewijsbeslag laten leggen (productie 48 van Mecus).
2.30.
Bij e-mail van 5 oktober 2021 (productie 51 van Mecus) heeft Mecus aan [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] onder meer meegedeeld dat de concept jaarrekening 2020 die zij heeft ontvangen (eveneens productie 51 van Mecus) vragen oproept die zij graag beantwoord wil zien in de AVA die de volgende dag zal plaatsvinden.
2.31.
Bij e-mail van 27 oktober 2021 (productie 44 van Helisa c.s.) heeft de accountant van DOG de definitieve jaarrekening 2020 toegestuurd.
2.32.
Op 8 november 2021, tijdens de hervatting van de AVA van 6 oktober 2021, is de jaarrekening 2020 ongewijzigd vastgesteld op basis van de meerderheidsstem van Helisa c.s. Mecus had tegengestemd (productie 52 van Mecus).
3. Het geschil
in conventie
3.1.
Na wijziging van eis vordert Mecus dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- 1.
Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] hoofdelijk veroordeelt om de door Mecus gehouden aandelen in het kapitaal van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] van Mecus over te nemen, tegen gelijktijdige betaling van een conform het navolgende nader te bepalen prijs;
- 2.
één of meer deskundigen benoemt die over de prijs van de door Mecus gehouden aandelen schriftelijk bericht zullen uitbrengen, mede rekening houdend met gedragingen van Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] waarvan aannemelijk is dat die tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen hebben geleid;
en voorts, nadat de deskundigen hun bericht hebben uitgebracht:
3. de prijs van de aandelen vaststelt, daarbij een billijke verhoging toepast in verband met gedragingen van Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] waarvan aannemlijk is dat die tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen hebben geleid, en de aldus vastgestelde (verhoogde) koopprijs vermeerdert met waardestijgingen in de periode gelegen tussen de gehanteerde peildatum voor de waardering en de datum van vaststelling van de (verhoogde) koopprijs;
4. Helisa, [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] hoofdelijk veroordeelt om Mecus het hiervoor onder 3 omschreven bedrag te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van het vonnis tot de dag van algehele voldoening;
primair:
5. Helisa veroordeelt om binnen zeven dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis afschriften te verstrekken aan Mecus van alle in de akte wijziging eis onder 2.3 genoemde bescheiden die zij in haar bezit heeft, althans op een door de rechtbank te bepalen wijze inzage in (een deel van) deze bescheiden te verschaffen, op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 voor iedere dag dat Helisa niet geheel aan deze vordering voldoet, althans een in goede justitie te bepalen andere dwangsom;
6. [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] veroordeelt om binnen zeven dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis afschriften te verstrekken aan Mecus van alle in de akte wijziging eis onder 2.3 genoemde bescheiden die zij in haar bezit heeft, althans op een door de rechtbank te bepalen wijze inzage in (een deel van) deze bescheiden te verschaffen, op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] niet geheel aan deze vordering voldoet, althans een in goede justitie te bepalen andere dwangsom;
7. [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] veroordeelt om binnen zeven dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis afschriften te verstrekken aan Mecus van alle in de akte wijziging eis onder 2.3 genoemde bescheiden die hij in zijn bezit heeft, althans op een door de rechtbank te bepalen wijze inzage in (een deel van) deze bescheiden te verschaffen, op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] niet geheel aan deze vordering voldoet, althans een in goede justitie te bepalen andere dwangsom;
8. voor recht verklaart dat Mecus is gerechtigd tot inzage en afschrift van alle door gerechtelijk bewaarder DigiJuris B.V. in bewaring genomen bescheiden uit hoofde van het namens Mecus gelegde bewijsbeslag ten laste van Helisa, [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] , althans Mecus op een door de rechtbank te bepalen wijze inzage in (een deel van) deze bescheiden verschaft;
subsidiair:
9. voor recht verklaart dat één of meer door de rechtbank te benoemen deskundige(n) is/zijn gerechtigd tot inzage en afschrift van alle in randnummer 2.3 van de akte wijziging van eis genoemde bescheiden die in bezit zijn van Helisa, [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] , [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] of gerechtelijk bewaarder DigiJuris B.V., teneinde de waarde(daling) van de aandelen van Mecus in [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] vast te stellen, althans op een door de rechtbank te bepalen wijze inzage in (een deel van) deze bescheiden verschaft;
meer subsidiair:
10. een andere voorziening treft die de rechtbank in goede justitie geraden acht;
en tot slot:
11. Helisa, [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente, en met veroordeling van Helisa, [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] in de nakosten.
3.2.
De vorderingen 1-4 van Mecus strekken tot de uittreding van Mecus ex artikel 2:343 van het Burgerlijk Wetboek (BW) uit [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] tegen betaling van een door de rechtbank vast te stellen koopprijs. Mecus legt aan haar vorderingen kort gezegd ten grondslag dat zij zodanig in haar rechten en belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd en dat Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] dus zijn gehouden de aandelen van Mecus over te nemen tegen gelijktijdige betaling van de kooprijs. Bij de bepaling van de koopprijs zal volgens Mecus een billijke verhoging moeten worden toegepast in verband met gedragingen van Helisa c.s. die hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen. [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] kan op grond van artikel 2:8 BW in verbinding met artikel 6:162 BW hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de betalingsverplichtingen van Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] , aldus Mecus.
3.3.
Aan haar vorderingen 5-10 legt Mecus artikel 843a Rv ten grondslag. Volgens Mecus is het verkrijgen van inzage, afschrift of uittreksel van de relevante bescheiden noodzakelijk om haar rechtspositie en bewijspositie te bepalen, in het bijzonder om ervoor te zorgen dat de waarde(daling) van haar aandelen in volle omvang kan worden vastgesteld.
3.4.
Helisa c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Mecus, met veroordeling van Mecus in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente, en in de nakosten, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente.
3.5.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.
in reconventie
3.6.
Na wijziging van eis vordert Helisa c.s. dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- 1.
voor recht verklaart dat Mecus aansprakelijk is voor de schade die Helisa Holding en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] hebben geleden als gevolg van de door Mecus ten laste van hen gelegde beslagen;
- 2.
Mecus veroordeelt om aan Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] te betalen de door hen geleden schade die Mecus met het leggen van de beslagen heeft veroorzaakt, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- 3.
Mecus veroordeelt om binnen 48 uur na het te wijzen vonnis aan ING Bank N.V. schriftelijk te verklaren dat Mecus geen rechten meer zal ontlenen aan de door Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] ten gunste van Mecus gestelde bankgarantie van 9 april 2021, één en ander op straffe van een aan Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] te betalen dwangsom van € 5.000,00 per dag met een maximum van € 314.059,20;
- 4.
Mecus veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
- 5.
Mecus veroordeelt in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.7.
Onder verwijzing naar het verweer in conventie legt Helisa c.s. aan zijn vorderingen in reconventie ten grondslag dat Mecus geen vordering op hem heeft en dat Mecus onrechtmatig jegens Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] heeft gehandeld door ten laste van hen conservatoire beslagen te leggen. Helisa c.s. houdt Mecus aansprakelijk voor de schade die Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] daardoor hebben geleden. Volgens Helisa c.s. zijn door het beslag extra (juridische) kosten gemaakt, heeft [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] woningen niet aan kopers kunnen leveren en hebben Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] een bankgarantie moeten doen stellen. Indien en voor zover Mecus een vordering op Helisa c.s. zou hebben, heeft Mecus volgens Helisa c.s. onrechtmatig gehandeld door misbruik van haar bevoegdheid te maken in de zin van artikel 3:13 BW, doordat zij voor een te hoog bedrag en te veel beslagen heeft laten leggen. Ook op grond daarvan is Mecus aansprakelijk voor de schade, aldus Helisa c.s.
3.8.
Mecus voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Helisa c.s. in de proceskosten in reconventie, alsmede in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.9.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.
4. De beoordeling
in conventie
Uittreding (vorderingen 1-4)
4.1.
De vorderingen 1-4 strekken zoals gezegd tot de uittreding van Mecus ex artikel 2:343 BW uit [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] tegen betaling van een door de rechtbank vast te stellen koopprijs.
Toetsingskader
4.2.
Artikel 2:343 lid 1 BW bepaalt dat de aandeelhouder die door gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, tegen die mede-aandeelhouders een vordering tot uittreding kan instellen, die inhoudt dat zijn aandelen overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van artikel 2:343a BW worden overgenomen. Een vordering tot uittreding kan ook worden ingesteld tegen de vennootschap op grond van gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders of van de vennootschap zelf.
4.3.
De vordering tot uittreding kan worden ingesteld als aan de vereisten van artikel 2:343 lid 1 BW is voldaan en is gebleken dat de gedaagde aandeelhouder niet bereid is vrijwillig de aandelen – voor een reële prijs – over te nemen. Voor toewijzing van een uittredingsvordering moet sprake zijn van een situatie waarin de meerderheid van aandeelhouders de minderheid in een onhoudbare situatie brengt en zonder wettelijke regeling geen uitzicht op een redelijke oplossing zou bestaan (Kamerstukken II 1984/1985,18905, nr. 3, p. 26). Het enkele feit dat een minderheidsaandeelhouder geen invloed kan uitoefenen op de besluitvorming leidt niet tot een succesvolle vordering op grond van dit artikel. Alleen een verstoorde verhouding is in het algemeen eveneens onvoldoende om tot toewijzing van de uittredingsvordering te komen. Allerlei gedragingen van de medeaandeelhouder(s) of de vennootschap kunnen leiden tot toewijzing van de vordering tot uittreding. Het hoeft daarbij niet noodzakelijk om misdragingen van medeaandeelhouders te gaan en evenmin om gedragingen die in de hoedanigheid van aandeelhouder zijn verricht. Iedere gedraging die ervoor zorgt dat de rechten of belangen van de andere aandeelhouder worden geschaad kan in aanmerking worden genomen. De omstandigheden van het geval zijn beslissend.
Voortduren aandeelhouderschap kan in redelijkheid niet meer van Mecus worden gevergd
4.4.
De vraag die voorligt, is of Mecus door gedragingen van Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] zodanig in haar rechten en belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Zij overweegt daartoe het volgende.
4.5.
Nadat Helisa niet was ingegaan op het aanbod van Mecus om haar aandelen over te nemen, heeft Mecus Helisa op 2 december 2020 verzocht om een BAVA bijeen te roepen, met daarbij een opgave van onderwerpen die Mecus op die vergadering geagendeerd wilde zien. Helisa heeft daarop laten weten dat zij aan dat verzoek geen gehoor zou geven (zie 2.17 en 2.19). Op grond van artikel 29 van de statuten van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] is het bestuur echter verplicht tot oproeping als één of meer aandeelhouders daarom schriftelijk, met nauwkeurige opgave van te behandelen onderwerpen, aan het bestuur verzoeken (zie 2.4). De weigering van Helisa om een BAVA bijeen te roepen is daarmee in strijd. Dit weerspreekt Helisa c.s. op zichzelf ook niet. Hij voert echter aan dat een AVA hem “niet (zo) zinvol” leek zonder dat de cijfers over 2020 voorhanden zouden zijn. Zoals Mecus echter terecht aanvoert, is het niet aan Helisa om te besluiten of de uitoefening van aandeelhoudersrechten van Mecus – zoals het doen uitroepen van een BAVA – al dan niet zinvol is. Ook de door Helisa c.s. aangevoerde omstandigheid dat hij door het vertrek van Mecus en een aantal medewerkers van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] af en toe door de bomen het bos niet meer zag, doet niet af aan de verplichting die op grond van artikel 29 van de statuten op Helisa rust. Datzelfde geldt voor de mededeling van Helisa aan Mecus dat zij vanwege de – toen geldende – coronamaatregelen geen afspraken kon plannen met grote groepen. Zoals Mecus terecht aanvoert, is het immers op grond van de Tijdelijke Wet COVID-19 mogelijk om – ook als de statuten daarin niet voorzien – een elektronisch toegankelijke (B)AVA te houden. Gezien het voorgaande staat vast dat Helisa het bijeenroepings- en agenderingsrecht van Mecus heeft geschonden.
4.6.
Daarbij komt de gang van zaken rond het vaststellen van de jaarrekening 2019 (zie 2.11-2.15, 2.17-2.18 en 2.22). Het komt erop neer dat Mecus op 28 mei 2020 een concept jaarrekening heeft ontvangen met het verzoek om die met de accountant door te spreken. In een vergadering van 6 juli 2020 – waarvan tussen partijen in geschil is of dit een AVA was – is over de concept jaarrekening gesproken. Mecus heeft toen vragen gesteld over de concept jaarrekening. Vervolgens heeft de accountant laten weten dat hij meer gegevens nodig had om een tweede concept van de jaarrekening te kunnen opstellen. Mecus voert echter aan – en Helisa c.s. weerspreekt dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd – dat zij nooit een tweede concept van de jaarrekening 2019 heeft ontvangen en dat na de vergadering van 6 juli 2020 nooit een AVA heeft plaatsgevonden waar de jaarrekening 2019 is besproken en vastgesteld. Dit terwijl uit het handelsregister blijkt dat de jaarrekening 2019 op 3 december 2020 is vastgesteld en op 18 december 2020 is gedeponeerd. Dit betekent dat Helisa de jaarrekening heeft laten deponeren als ware het een vastgestelde jaarrekening, terwijl de jaarrekening niet in de AVA is vastgesteld.
4.7.
Bij het voorgaande komt nog dat volgens de stukken die Mecus op 6 maart 2021 van Helisa heeft ontvangen, ook notulen waren gevoegd van AVA’s die op 12 mei 2020 en 1 december 2020 in het bijzijn van Mecus zouden hebben plaatsgevonden. Volgens de op 12 mei 2020 gedateerde “notulen” zou in die vergadering de termijn voor het vaststellen van de jaarrekening zijn verlengd, terwijl volgens de “notulen” van 1 december 2020 vervolgens vaststelling van de jaarrekening zou hebben plaatsgevonden. Mecus voert echter aan dat op geen van deze beide data in haar bijzijn een AVA heeft plaatsgevonden. Bij antwoord heeft Helisa c.s. erkend dat de aandeelhouders niet zijn opgeroepen voor de verlenging van de termijn voor het vaststellen van de jaarrekening. De termijn is dus niet rechtsgeldig verlengd. Helisa c.s. weerspreekt bovendien niet (expliciet) dat op 1 december 2020 geen AVA heeft plaatsgevonden waar de jaarrekening zou zijn vastgesteld. Dat is in strijd met het wettelijk voorschrift dat de jaarrekening wordt vastgesteld door de AVA (artikel 2:210 lid 3 BW).
4.8.
Gelet op bovengenoemde omstandigheden is Mecus mede als gevolg van gedragingen van Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] zodanig in haar belangen geschaad, dat van haar in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij aandeelhouder blijft in [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] . De andere door Mecus aangevoerde omstandigheden kunnen buiten bespreking blijven. De vordering tot uittreding is toewijsbaar. Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] zullen de aandelen van Mecus in [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] moeten overnemen.
Benoeming deskundige ter bepaling van de prijs van de aandelen
4.9.
De vraag is dan tegen welke prijs Helisa en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] de aandelen van Mecus moeten overnemen. Om die prijs te kunnen vaststellen, zal de rechtbank een deskundige benoemen die over de prijs schriftelijk bericht moet uitbrengen (artikel 2:339 lid 1 BW). Als uitgangspunt voor de waardering op grond van artikel 2:343 BW geldt dat de te benoemen deskundige de waarde van de aandelen moet vaststellen op grond van de waarde in het economisch verkeer. In beginsel gaat het daarbij om de waarde op een datum zo dicht mogelijk gelegen bij de datum van overdracht. Dit zal de datum zijn waarop de deskundige de huidige waarde bepaalt, die dan wordt geacht het meest actueel te zijn.
4.10.
Daarnaast moet komen vast te staan of sprake is van een waardedaling van de aandelen sinds het vertrek van Mecus als bestuurder van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] op 10 september 2019. Mecus betoogt namelijk dat Helisa de onderneming en daarmee indirect Mecus heeft benadeeld en dat zij – Mecus – in het kader van de uittreding aanspraak kan maken op compensatie van dat nadeel. Volgens Mecus bestaat haar nadeel uit een door Helisa veroorzaakte daling van de waarde van de aandelen. Mecus maakt daarom aanspraak op een billijke verhoging (artikel 2:343 lid 4 BW). Om te kunnen beoordelen of Mecus in aanmerking komt voor een billijke verhoging, zal eerst moeten vaststaan dat de aandelen in waarde zijn gedaald. De deskundige zal dus ook de waarde van de aandelen moeten vaststellen op een eerdere datum dan die waarop hij de huidige waarde bepaalt. Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat de peildatum die de deskundige daarbij moet hanteren 10 september 2019 is, de datum waarop Mecus is teruggetreden als bestuurder. De eventuele waardedaling is dan het verschil tussen de waarde van de aandelen op 10 september 2019 en de huidige waarde van de aandelen. Pas als vaststaat dat daadwerkelijk sprake is van een waardedaling, komt aan de orde of Mecus recht heeft op een verhoging en wat in dat geval een billijke verhoging is.
4.11.
Partijen zijn het erover eens dat het aan de deskundige is om te bepalen welke waarderingsmethode hij hanteert.
4.12.
Naar het oordeel van de rechtbank moeten aan de deskundige in ieder geval de volgende vragen worden voorgelegd:
- 1.
Wat was de waarde in het economisch verkeer van de aandelen van Mecus in [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] op peildatum 10 september 2019? Kunt u dit motiveren?
- 2.
Wat is de huidige waarde in het economisch verkeer van de aandelen van Mecus in [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] ? Kunt u dit motiveren?
- 3.
Zijn er verder nog zaken waarvan de rechtbank volgens u bij de verdere beoordeling kennis moet nemen?
4.13.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte uitlating door beide partijen gelijktijdig over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen. De rechtbank raadt partijen aan te proberen het samen eens te worden over de persoon van een te benoemen deskundige. Daarbij wijst de rechtbank hen erop dat het niet raadzaam is dat één partij de deskundige benadert; partijen moeten dit samen doen.
4.14.
Aan de hand van de opgave van de deskundige zal het voorschot op zijn loon en kosten, inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting, worden bepaald. Het voorschot moet, gezien artikel 195 Rv, ter griffie worden gedeponeerd door Mecus.
Vordering 4 niet toewijsbaar voor zover ingesteld tegen [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3]
4.15.
Vordering 4 is mede gericht tegen [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] . Mecus stelt zich op het standpunt dat Helisa, als aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] , op grond van artikel 2:8 BW een rechtstreekse verplichting heeft tegenover Mecus om zich te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Helisa heeft die verplichting geschonden en daarmee jegens Mecus onrechtmatig gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW, aldus Mecus. Op die grond is Helisa volgens Mecus zelfs zonder overname van de aandelen van Mecus rechtstreeks aansprakelijk tegenover Mecus. Mecus voert aan dat de aansprakelijkheid van Helisa als bestuurder op grond van artikel 2:11 BW ook rust op [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] als enig bestuurder van Helisa. Artikel 2:11 BW houdt in dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Deze bepaling is van toepassing in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet. Daaronder valt ook de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder die is gebaseerd op artikel 6:162 BW.
4.16.
De rechtbank verwerpt dit standpunt van Mecus. De omstandigheid dat Helisa, zoals in het voorgaande is overwogen, als aandeelhouder in [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] Mecus in haar belangen heeft geschaad, brengt niet zonder meer mee dat Helisa ook als bestuurder van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] onrechtmatig tegenover Mecus heeft gehandeld. Mecus heeft haar stelling dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid van Helisa onvoldoende uitgewerkt, zodat dit niet komt vast te staan. Hieruit volgt dat ook geen sprake is van aansprakelijkheid van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] als bestuurder van Helisa op grond van artikel 2:11 BW. Voor zover vordering 4 is ingesteld tegen [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 3] is zij dus niet toewijsbaar.
Inzage in bescheiden (vorderingen 5-10)
4.17.
De vorderingen 5-10 strekken tot het verkrijgen van inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden die volgens Mecus relevant zijn en die zij nodig heeft om haar rechtspositie en bewijspositie te bepalen, in het bijzonder om ervoor te zorgen dat de waarde(daling) van haar aandelen in volle omvang kan worden vastgesteld. Aangezien het echter in de rede ligt dat de door de rechtbank te benoemen deskundige – die de waarde(daling) van de aandelen moet vaststellen – bij zijn onderzoek onbeperkt toegang krijgt tot de door hem benodigde bescheiden, heeft Mecus bij haar vordering tot inzage in die bescheiden geen belang. De rechtbank zal de vorderingen 5-10 bij eindvonnis dan ook afwijzen.
Overig
4.18.
Mecus betoogt in het lichaam van de dagvaarding dat zij vergoeding wenst van buitengerechtelijke kosten die zij heeft moeten maken en ook van de kosten van het beslag. Zij heeft daaraan echter geen vorderingen verbonden. De rechtbank gaat hieraan dan ook voorbij.
4.19.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.
in reconventie
4.20.
In afwachting van de verdere beoordeling in conventie houdt de rechtbank in reconventie nu iedere verdere beslissing aan.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 oktober 2022 voor het nemen van een akte door beide partijen over hetgeen is vermeld onder 4.13, waarna beide partijen op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kunnen nemen,
in conventie en in reconventie
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2022.
JE/DB