De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.1:6.1 Inleiding: de mogelijkheid tot begunstiging
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.1
6.1 Inleiding: de mogelijkheid tot begunstiging
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232248:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek staat kort gezegd de vraag centraal of de bij dode opgerichte stichting, dat wil zeggen de bij of krachtens uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting, in het maatschappelijk verkeer – waaronder de verhouding tussen de stichting en de oprichter – dezelfde positie inneemt als de bij leven opgerichte stichting. Verder stel ik mij de vraag of de bij dode opgerichte stichting als verkrijger uit de nalatenschap van de erflater/oprichter een andere positie inneemt dan een verkrijger/natuurlijk persoon. De uitgebreide onderzoeksvraag is opgenomen in 1.5.
In dit hoofdstuk staat het beginsel centraal dat het verboden is voor een bij dode opgerichte stichting om een begunstiging door de oprichter/erflater te verwerpen. Dit verbod is niet expliciet in de wet terug te vinden, maar vloeit, zoals hierna zal blijken, voort uit het systeem van het recht. Voordat het verbod tot verwerping nader kan worden onderzocht, is het van belang te onderzoeken welke mogelijkheden bestaan tot begunstiging van een bij dode opgerichte stichting; dit doe ik in 6.2. Door te kijken naar de mogelijkheden tot begunstiging van een bij dode opgerichte stichting, wordt een beter beeld verkregen van de begunstigingen die een stichting eventueel ten deel zouden kunnen vallen en waarom deze begunstigingen niet verworpen mogen worden. Hierbij zal ik niet alleen acht slaan op het Nederlandse recht, maar ook op het Duitse en het Belgische recht op het gebied van verkrijgingen. In plaats van te beginnen met Nederland, zoals eerder, begin ik nu met het Duitse recht omdat daar, zoals zal blijken, de meeste hindernissen bestaan bij de begunstiging van een bij dode opgerichte stichting. Vervolgens komen België en Nederland aan bod waar nauwelijks beperkingen bestaan voor de bij dode opgerichte stichting om voordeel te trekken uit de nalatenschap van de erflater/oprichter. Voor Nederland bespreek ik niet alleen de mogelijkheid tot erfrechtelijke begunstiging, maar ook de begunstiging door middel van een levensverzekering.
Daarnaast bespreek ik, voor het Nederlandse recht, ook kort de mogelijkheid tot benoeming van de bij dode opgerichte stichting als executeur of bewindvoerder. Voor het Duitse en Belgische recht doe ik dat niet, omdat dat zou dwingen tot een nader onderzoek van deze figuren naar Duits en Belgisch recht. Daarmee zou ik te ver verwijderd raken van het onderzoek naar de Nederlandse bij dode opgerichte stichting.
Vervolgens betrek ik in 6.3 de stelling dat een bij dode opgerichte stichting een begunstiging door de erflater/oprichter niet mag verwerpen. Dat dit niet zonder gevolgen blijft, bespreek ik in 6.4. In 6.5 behandel ik de vraag of het verbod tot verwerping ook geldt voor benoemingen, zoals die tot executeur, door de bij dode opgerichte stichting. In 6.6 volgt tot slot een conclusie.