NJB 2017/924:Terrorisme Tamil Tijgers-zaak. Sprake van een internationaal gewapend conflict zodat het internationaal humanitair recht exclusief van toepassing is en het commune strafrecht is uitgeschakeld? In casu kon het hof oordelen dat in de in de tenlastelegging vermelde periode en in ieder geval tot 18 mei 2009 in Sri Lanka sprake was van een gewapend conflict met een niet-internationaal karakter zodat het commune strafrecht van toepassing is. Verder is van belang dat de lokale gevolgen van de zeggenschap die het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE) gedurende een bepaalde tijd in een bepaald deel van Sri Lanka heeft kunnen uitoefenen, niet de gevolgtrekking kan wettigen dat sprake is van een internationaal gewapend conflict waarop het internationale humanitaire recht exclusief van toepassing is. Het gemeenschappelijke art. 3 Verdragen van Genève en toepasselijkheid art. 83a en art. 140a Sr: uit eerstgenoemde bepaling vloeit naar zijn aard niet voort dat anderen dan de niet aan de strijd deelnemende personen geen bescherming toekomt tegen aanslagen op hun leven of tegen lichamelijke geweldpleging. Onjuist is de opvatting dat in het geval van een intern gewapend conflict het internationale humanitaire recht exclusief van toepassing is, zodat de toepasselijkheid van het commune strafrecht is uitgeschakeld. Reeds gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat de LTTE ook personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen als doelwit van aanslagen heeft genomen, kon het Hof oordelen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven en dat hij daarvoor naar commuun Nederlands strafrecht kan worden vervolgd en bestraft. Vormt het internationale beginsel van individuele aansprakelijkheid een beletsel voor vervolging op grond van art. 140 Sr? Nee, want onjuist is de rechtsopvatting dat een veroordeling ter zake van art. 140 Sr naar haar aard niet kan worden aangemerkt als een veroordeling wegens een strafbaar feit op grond van individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid als bedoeld in art. 6 lid 2 aanhef en onder b Tweede Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève. Daarbij telt dat in art. 140 Sr de persoonlijke betrokkenheid van de verdachte bij de organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven is strafbaar gesteld, in welk verband voor de deelneming aan die organisatie vereist is dat de verdachte niet alleen tot die organisatie behoort, maar ook dat hij daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, dan wel heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van die organisatie