Waarde en erfrecht
Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/2:Hoofdstuk 2 Werkwijze
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/2
Hoofdstuk 2 Werkwijze
Documentgegevens:
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS614393:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 1 heb ik in grote lijnen de ontwikkeling geschetst vanaf het ontstaan van de onderwerpkeuze voor mijn promotie-onderzoek, en de nadere concretisering daarvan tot het thans in deze proeve neergelegde resultaat. Een en ander is gelardeerd met resultaten uit empirisch onderzoek onder (agrarische) familiebedrijven in het Midden- en Kleinbedrijf.
De onderneming en haar waarde in het erfrecht zullen in deze proeve centraal staan. In hoofdstuk 3 zal ik op het thema ‘Erfrecht en Bedrijf’ ingaan, met een schets van de daaraan bestede aandacht in de beschikbare – erfrechtelijke – literatuur en de parlementaire geschiedenis van Boek 4 BW. In paragraaf 4 van hoofdstuk 3 zal ik mede aan de hand van deze schets de inkadering en concretisering van het ‘onderzoeksgebied’ voor deze proeve met juridische argumenten onderbouwen.
De hoofdstukken 4 tot en met 9 bevatten het centrale onderdeel van deze proeve, waarin de waarde en de tegenprestatie (prijs) van een onderneming in het erfrecht wordt onderzocht. Daartoe wordt in hoofdstuk 4 geïnventariseerd in welke bepalingen van Boek 4 BW de bedoelde begrippen worden gehanteerd, om vervolgens op de betekenis daarvan in het algemeen in te gaan en deze te onderscheiden van begrippen waarvan het woord waarde deel uitmaakt en van waarderingsmethoden. Het waarde-onderzoek in deze proeve is geen onderzoek naar waardering en/of waarderingsmethoden, maar naar mogelijke waarderingsmaatstaven en relevante waarderingsfactoren voor de waarde van een onderneming in het erfrecht.
In hoofdstuk 4 wordt in de paragrafen 4.1 en 4.2 uiteengezet welke benadering voor het onderzoek naar bedoelde waarde wordt gekozen. Het vertrekpunt voor een nadere concretisering van het waardebegrip aan de hand van waarderingsmaatstaven en -factoren, is de rechtseenheid. Daartoe wordt het waardebegrip, waaronder begrepen de ‘verwante’ begrippen tegenprestatie en prijs, onderzocht in het erfrecht, het huwelijksvermogensrecht en in de successiebelastingen. De convergentie zal worden beproefd. Divergentie zal ik trachten te verklaren. In paragraaf 4.1.2 van hoofdstuk 4 wordt de keuze voor deze rechtsgebieden onderbouwd. Het onderzoek in de verschillende gebieden richt zich op beschikbare parlementaire geschiedenis, doctrine en jurisprudentie. Wat het jurisprudentie-onderzoek betreft, zal dit geschieden aan de hand van de in paragraaf 5 van hoofdstuk 4 beschreven methode van ‘functies/factoren en Fallgruppen’, teneinde eventuele structuren in de rechterlijke beslissingen te ontdekken en daardoor inzicht te verkrijgen in de toegepaste waarderingsmaatstaven en relevante waarderingsfactoren.
Hoofdstuk 4 wordt in paragraaf 6 afgesloten met een korte beschouwing over de mogelijke toepasbaarheid van de Wet waardering onroerende zaken voor de bepaling van een erfrechtelijke waarde.
In hoofdstuk 5 spitst het onderzoek zich toe op de gemelde begrippen in het erfrecht. Vanwege het mogelijke belang daarvan voor het waardebegrip in het huidige erfrecht, wordt allereerst op Boek 4 BW oud ingegaan, gevolgd door de behandeling van de begrippen in de – thans nog uitsluitend voor het oude erfrecht gewezen – jurisprudentie, onderscheiden naar de hiervoor bedoelde Fallgruppen, en afgesloten met een analyse daarvan. Daarna volgt in de paragrafen 5 en volgende de behandeling van het waardebegrip in het huidige erfrecht. Deze behandeling vindt ‘artikelsgewijs’ plaats, waarbij het onderzoek wordt beperkt tot art. 4:6 BW en bepalingen uit de Boek 4 BW-afdelingen betreffende de wettelijke verdeling, de andere wettelijke rechten, de legitieme portie, het zogenoemde quasi-erfrecht en de inbrengregeling. Het onderdeel wordt afgesloten met de waarde bij de ‘vrije’ verdeling van een nalatenschap en – in paragraaf 12 – een inventarisatie van mijn bevindingen en conclusies voor wat betreft de invulling van het waardebegrip in het erfrecht in het algemeen.
Hoofdstuk 6 bevat een overeenkomstige aanpak voor het waardebegrip in het huwelijksvermogensrecht. Na een inventarisatie van de huwelijksvermogensrechtelijke bepalingen waarin de begrippen waarde en tegenprestatie (prijs) voorkomen, volgt een onderzoek van de waardejurisprudentie. Het hoofdstuk wordt afgesloten met bevindingen en conclusies met betrekking tot de invulling van de gemelde begrippen in het huwelijksvermogensrecht.
Hoofdstuk 7 kent een identieke opbouw voor het waardebegrip in de successiebelastingen.
Aan de hand van de hoofdstukken 5, 6 en 7 wordt in hoofdstuk 8 de rechtseenheid met betrekking tot het waardebegrip in het erfrecht, het huwelijksvermogensrecht en de successiebelastingen beproefd. In hoofdstuk 9 wordt het waarde-onderzoek van de onderneming in het erfrecht afgesloten met een inventarisatie van de bevindingen en conclusies uit het voorafgaande.
Hoofdstuk 10 gaat in op het object, waarvan de waarde in het onderhavige onderzoek centraal staat, te weten de onderneming. De begrippen onderneming, beroep en bedrijf worden in algemene zin op hoofdlijnen beschouwd, om een en ander vervolgens toe te spitsen op de erfrechtelijke invulling daarvan, onder meer in specifieke bepalingen uit Boek 4 BW. Een zelfde aanpak geschiedt voor de ‘vereenzelvigde’ onderneming. Het hoofdstuk wordt afgesloten met het onderwerp ‘goodwill’, waarbij de nadruk eveneens op het erfrecht zal liggen.
In hoofdstuk 11 wordt ingegaan op het erfrecht in Duitsland en de aldaar beschikbare erfrechtelijke bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. De onderbouwing van de keuze en de aanpak daarvan, vindt in paragraaf 1 van hoofdstuk 11 plaats. Na een korte uiteenzetting van de Pflichtteil-regeling, is er aandacht voor de waardering in het kader van de berekening van het Pflichtteil, gevolgd door een beschrijving van enkele, eventueel mogelijke ontgaansstrategieën. Daarna komen de Duitse erfrechtelijke bedrijfsopvolgingsfaciliteiten aan de orde, en wordt het hoofdstuk afgesloten met enige – deels rechtsvergelijkende –conclusies.