Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/5.2.2.1
5.2.2.1 De voornaamste redenen tegen de invoering van de trust
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717436:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
E.M. Meijers, ‘De Trustee en het Burgerlijk Recht, WPNR 1927/2998, p. 414; R.P. Cleveringa e.a. (red.), Verzamelde privaatrechtelijke opstellen. Derde Deel, Verbintenissenrecht (Meijers-Bundel), Leiden: Universitaire Pers Leiden 1955, p. 182-187; C.J. van Zeben, J.W. du Pon & M.M. Olthof (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, Deventer: Kluwer 1981, p. 461; Kamerstukken II 1984/85, 17496, nr. 10, p. 36; Kamerstukken II 1992/93, 23027, nr. 3, p. 3-4; D.W. Aertsen, De trust. Beschouwingen over invoering van de trust in het Nederlandse recht (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2004, p. 140-166; Zie hiervoor: T.H.D. Struycken, De numerus clausus in het goederenrecht (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2007, p. 278 e.v. Zie ook: S.C.J.J. Kortmann, ‘Past “de trust” in het Nederlandse recht?’, in: D.J. Hayton e.a. (red.), Vertrouwd met de trust. Trust and trust-like arrangements (serie ondernemingen en recht), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 169-173 en p. 184; R. Wibier, ‘Can a modern legal system do without the trust?’ in: L. Smith (red.), The Worlds of the trust, Cambridge: Cambridge University Press 2013, p. 71-72.
Kamerstukken II 1984/85, 17496, nr. 10, p. 36; Kamerstukken II 1992/93, 23027, nr. 3, p. 3-4; D.W. Aertsen, De trust. Beschouwingen over invoering van de trust in het Nederlandse recht (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2004, p. 165-179. Zie ook: S.C.J.J. Kortmann, ‘Past “de trust” in het Nederlandse recht?’, in: D.J. Hayton e.a. (red.), Vertrouwd met de trust. Trust and trust-like arrangements (serie ondernemingen en recht), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 169-173, p. 178 en p. 183, voetnoot 34.
Kamerstukken II 1992/93, 23027, nr. 3, p. 3; D.W. Aertsen, De trust. Beschouwingen over invoering van de trust in het Nederlandse recht (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2004, p. 165-179; R. Wibier, ‘Can a modern legal system do without the trust?’ in: L. Smith (red.), The Worlds of the trust, Cambridge: Cambridge University Press 2013, p. 72.
Kamerstukken II 1992/93, 23027, nr. 3, p. 3; S.C.J.J. Kortmann, ‘Past “de trust” in het Nederlandse recht?’, in: D.J. Hayton e.a. (red.), Vertrouwd met de trust. Trust and trust-like arrangements (serie ondernemingen en recht), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 173.
Een veelgebruikt argument tegen de invoering van een trust in het Nederlandse recht is dat de trust als Anglo-Amerikaanse rechtsfiguur moeilijk in te passen en te verenigen is met het gesloten stelsel van het Nederlandse goederenrecht.1 In het Nederlandse recht zou de trust door zijn kenmerken – in dat kader wordt gewezen op de bijzondere splitsing van eigendom, het afgescheiden geheel van trustgoederen en de goederenrechtelijke aard van het recht van de begunstigde – de meest fundamentele beginselen van het Nederlandse burgerlijk recht schenden. Men denke hierbij aan onder andere het fiduciaverbod ex art. 3:84 lid 3 BW en het bepaalde in art. 3:276 BW, art. 3:277 BW, art. 20 Fw en art. 21 Fw.
Een ander punt waar in dit kader op wordt gewezen is het feit dat de gevolgen voor de schuldeisers en andere derden niet goed zijn in te schatten bij de invoering van een rechtsfiguur als de trust.2 Door de onduidelijke rechtsgevolgen van de trust kunnen rechten van derden op eenvoudige wijze worden geschonden en is het niet duidelijk welke regels vereist zijn om ervoor te zorgen dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de in het Nederlandse recht verankerde waarborgen.
Verder kan de trust zich, door zijn multifunctionaliteit, makkelijk lenen voor misbruik en heeft hij consequenties voor vrijwel alle gebieden van het vermogensrecht en het fiscale recht.3 Dit impliceert dat de trust als vreemde rechtsfiguur, zeer ingrijpende gevolgen heeft die eerst goed moeten worden doordacht.
Ten slotte wordt als argument aangevoerd dat het Nederlandse recht genoeg andere rechtsfiguren kent die de trust kunnen vervangen.4 Men denke bijvoorbeeld aan de figuren als de eigendom ten titel van beheer, de middellijke vertegenwoordiging, de kwaliteitsrekening, lastgeving en de overdracht onder opschortende of ontbindende voorwaarden.