Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.2.2
15.4.2.2 Navolging in fiscale boetezaken
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498346:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HR 23 juni 1993,BNB 1993/271 (m.nt. Wattel); FED 1993/636 (m.nt. Feteris), inzake de aanvang van de redelijke termijn van berechting. Het aanvangsmoment van de criminal charge is bijvoorbeeld ook van belang voor het moment waarop de belanghebbende op zijn laatst in kennis moet worden gesteld van de gronden van de beschuldiging.
R.o. 3.2. Wanneer het onderzoek wordt ingesteld op grond van een (ernstige) verdenking van een fiscaal delict en dient ter verkrijging van bewijs ter zake van het gepleegd zijn van dat delict, dan is dit mogelijk anders.
HR 23 juni 1993,BNB 1993/271 (m.nt. Wattel), r.o. 3.7; FED 1993/636 (m.nt. Feteris). In gelijke zin HR 13 december 1995,BNB 1996/144 (m.nt. Langereis). Zie ook Vakstudie Alg. Deel, aant. 1.8.1 bij art. 67j AWR (oud).
HR 15 april 2011, BNB 2011/207 (m.nt. Albert).
In hun noot onder EHRM 3 mei 2001 (J.B. t. Zwitserland), AB 2002/343, merken Jansen en Luchtman op dat Wattel de zaak plaatst tussen de criteria van de arrestenBNB 1998/275 enBNB 1995/25 en de HR vasthoudt aan de lijn van het eerstgenoemde arrest.
Dit beeld kleeft ook aan andere hoogste Nederlandse rechters. Maas-Cooymans merkt op dat voor wat betreft het startpunt van de redelijke termijn ex art. 6 EVRM, uit de rechtspraak van de verschillende hoogste bestuursrechters is te herkennen dat er een (hoge) mate van zekerheid moet bestaan dat een boete ook daadwerkelijk zal worden opgelegd (zie haar aant. bij ABRvS 14 december 2011, JIN 2012/70, met verwijzing naar J.C.A. de Poorter en A. Pahladsingh, ‘Rechtsvorming rond de redelijke termijn’, JBplus, 2010, p. 86.
De belastingkamer van de HR heeft in haar rechtspraak meermaals invulling gegeven aan ‘the test whether the situation of the suspect has been substantially affected’; niet alleen in nemo tenetur-zaken, maar vooral ook met betrekking tot andere in art. 6 vastgelegde of belichaamde rechten en vrijheden dan het recht tegen gedwongen zelfbelasting.1 Al snel bleek dat deze invulling bijna woordelijk aansluit op het door de strafkamer geformuleerde verwachtingscriterium.
Op grond van de uitspraak van 23 juni 1993, nr. 28 247 (betreffende de aanvang van de redelijke termijn van berechting ex art. 6 EVRM), doet een criminal charge zich volgens de belastingkamer in fiscale boetezaken voor op het tijdstip waarop vanwege de belastingadministratie een handeling is verricht waaraan de belastingplichtige in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat de inspecteur een bestuurlijke boete zal opleggen.2 Op grond van deze uitspraak heeft als een voor de criminal charge kwalificerende handeling in ieder geval te gelden een door de inspecteur gedane mededeling van de omstandigheden die naar zijn oordeel het opleggen van een navorderingsaanslag, met daarin begrepen een bestuurlijke boete, rechtvaardigen.
Anders dan een boeteaankondiging van de inspecteur, is een min of meer normaal boekenonderzoek op grond van het kort nadien gewezen arrest van 23 november 1993, nr. 29 392, niet een handeling van de inspecteur waaruit een criminal charge kan blijken.3 Dit wordt niet anders wanneer een fiscaal toezichtsonderzoek op een verdenking en uiteindelijk op een ‘charge’ kan uitlopen, naar aanleiding van de feiten die door dat boekenonderzoek worden bevestigd.4
In haar uitspraak van 27 juni 2001, nr. 35 889, oordeelt de belastingkamer dat het tijdens een toezichtsonderzoek op tafel komen van het strafdossier van de verdachte, in de gegeven omstandigheden geen handeling is waaraan in redelijkheid de verwachting kan worden ontleend dat inspecteur een verhoging ofwel boete zal opleggen.5 Op grond van de uitspraak van de belastingkamer van 13 december 1995, nr. 30 058, kan dit laatste ook worden gezegd over de enkele omstandigheid dat de belastingplichtige wordt verhoord door FIOD-ambtenaren.6
In de uitspraak van 6 mei 1998, nr. 33 168 (betreffende de redelijke termijn van berechting), oordeelt de belastingkamer van de HR dat de opening van een gerechtelijk vooronderzoek, weliswaar op verzoek van het OM, maar in samenwerking met de Belastingdienst, wél een criminal charge voor boetedoeleinden kan opleveren.7 Zie ook de uitspraak van 21 maart 2008, nr. 43 050, waaruit kan worden afgeleid dat een vragenbrief waarin aan de verdachte wordt verteld dat uit onderzoek is gebleken dat hij als houder van een niet-gefiscaliseerde rekening is geïdentificeerd, in de opvatting van de belastingkamer waarschijnlijk ook geen een criminal charge oplevert.8
Dit laatste wordt bevestigd in de uitspraak van de belastingkamer van de HR van 15 april 2011, nr. 09/0519.9 De belanghebbende in kwestie meende dat hij op grond van de (vragen)brief van de inspecteur, waarin was vermeld dat uit onderzoek was gebleken dat hij houder was (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen, redelijkerwijs kon verwachten dat hij daarom een boete opgelegd zou krijgen. Reden waarom voor het berekenen van de datum waarop de ‘redelijke termijn’ als bedoeld in art. 6 EVRM is gaan lopen, de dagtekening van de brief als uitgangspunt moet worden genomen. De belastingkamer doet dit in r.o. 4.8 af als onjuist en verwijst daarbij naar haar uitspraak van 5 oktober 2007, nr. 43 447.10
In deze laatste uitspraak oordeelt de HR dat het hof bij zijn oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en bij zijn oordeel over de gevolgen daarvan, is uitgegaan van een onjuist aanvangstijdstip (te weten de laatste mondelinge behandeling van het beroep). Als zodanig tijdstip heeft volgens de raad te gelden het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd.11 In het onderwerpelijke geval is dat de brief waarbij aan belanghebbende is meegedeeld dat hem de (in geschil zijnde) navorderingsaanslag premieheffing volksverzekeringen met een verhoging van 100 procent van de daarin begrepen premies zal worden opgelegd.
Verwachtingscriterium is niet duidelijk qua uitkomst
Dat de vaststelling van het ‘charge’-moment ondanks de objectivering van de verwachting van de verdachte omtrent bestraffing weinig helder is, illustreert de uitspraak van 27 februari 2004, nr. 37 465. Daarin legt de belastingkamer het ‘charge’-moment later in de tijd dan Wattel in zijn conclusie bij die zaak doet.12 Daarin werd de beklaagde door de FIOD in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek als verdachte gehoord in een zaak waarin niet belanghebbendes eigen onderneming, maar een andere criminele organisatie centraal stond waaraan hij zijn diensten had verleend. Terwijl Wattel van oordeel is dat sprake was van een criminal charge op het moment dat betrokkene verdere medewerking weigerde aan het onderzoek door de ambtenaren van de Belastingdienst, is de belastingkamer van oordeel dat de activiteiten van de ambtenaren van de Belastingdienst een regulier onderzoek betroffen, hoewel de onderzoekers het strafdossier van belanghebbende dat de aanleiding was om dat onderzoek te doen, kenden.13
Meer in het algemeen lijkt de belastingkamer van de HR terughoudend bij het aannemen van een criminal charge. Er moet een (hoge) mate van zekerheid bestaan dat een boete daadwerkelijk zal worden opgelegd.14
In het volgende onderdeel zal ik ingaan op de verhouding tussen het verwachtingscriterium en de ‘test whether the situation of the suspect has been substantially affected’.