De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.7.3.3:8.7.3.3 Onmiddellijke voorzieningen
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.7.3.3
8.7.3.3 Onmiddellijke voorzieningen
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369736:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 8.4.
Zie daarover par. 8.4.3.2.
Zie par. 2.2.1, 2.2.4 en 8.4.4 t/m 8.4.5.2.
Zie par. 8.7.3.2 en 12.2.2. Vgl. Nieuwe Weme in zijn noot bij de ABN-AMRO-beschikking (JOR 2007/178) uit die beschikking opmaakt dat een onmiddellijke voorziening in beginsel geen gevolgen voor derden kan hebben. Zie ook de noot van Bartman bij Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2001 (HBG), Ondernemingsrecht 2001, p. 347.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag ten opzichte van welke partijen onmiddellijke voorzieningen rechtsgevolgen kunnen hebben ligt minder eenvoudig. Bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen kan worden afgeweken van de limitatieve lijst van art. 2:356 BW.1 Dat suggereert dat de beperkingen ten aanzien van de personen voor wie onmiddellijke voorzieningen rechtsgevolgen kunnen hebben, niet onderhevig zijn aan de beperkingen die voortvloeien uit de limitatieve lijst van 2:356 BW. Uit de wijze waarop de absolute bevoegdheid van de ondernemingskamer is vormgegeven, volgen echter wel enige beperkingen.
Ten eerste volgen beperkingen uit het connexiteitsvereiste uit de DSM- beschikking.2 Aan dat vereiste zal veelal niet zijn voldaan, indien de onmiddellijke voorzieningen zich richten tot personen die niet bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken. Het komt mij namelijk voor dat dergelijke voorzieningen over het algemeen niet kwalificeren als een maatregel van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon en/of een maatregel ter voorkoming van wanbeleid. In par. 2.5.2 kwam ter sprake van welke personen de handelingen kunnen bijdragen aan wanbeleid. Die personen kunnen met onmiddellijke voorzieningen te maken krijgen. Bestuurders en aandeelhouders kan bijvoorbeeld worden verboden om handelingen te verrichten die zullen bijdragen aan wanbeleid.3 Dit sluit grotendeels aan bij art. 2:276 lid 3 sub g CBW jo. art. 2:7 lid 1 CBW waarin is vastgelegd dat bij wijze van voorlopige voorziening een bevel kan worden gegeven aan de bij de organisatie van de rechtspersoon betrokkenen om bepaalde handelingen te verrichten of na te laten.
Ten tweede volgen beperkingen uit het feit dat de enquêteprocedure niet dient voor de beslechting van puur vermogensrechtelijke geschillen.4 Partijen die slechts in een vermogensrechtelijke verhouding staan tot de rechtspersoon die voorwerp is van de enquête zullen daarom slechts in uitzonderlijke gevallen rechtsgevolgen ondervinden van onmiddellijke voorzieningen. Hun rechtsrelatie valt in beginsel buiten de scope van de enquêteprocedure. Er zijn echter wel gevallen denkbaar waarin dat anders is.
Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien de ondernemingskamer een besluit met (in)direct externe werking schorst, of bij wijze van onmiddellijke voorziening de nakoming van een overeenkomst verbiedt.5 Een dergelijke verbod kan binnen de grenzen vallen van het connexiteitsvereiste uit de DSM- beschikking, respectievelijk het proportionaliteitsvereiste. Verwezen zij naar par. 11.3.3, respectievelijk par. 11.2.2.