Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.1:6.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940488:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.2.2.
Den Boer, Koopman & Wattel 1999, p. 572 en HR 15 juli 1988, BNB 1988/270, r.o. 4.5.
Zie daarover nader paragraaf 9.3.1.
HR 15 juli 1988, BNB 1988/270, r.o. 4.5.
Zie paragraaf 5.1.
Zie ook paragraaf 9.2 en paragraaf 9.3.1.
Zie paragraaf 5.2.2.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om een fiscale bestuurlijke boete te kunnen opleggen, moet er voldoende bewijs zijn dat de boeteling het beboetbare feit daadwerkelijk heeft begaan. Net als in het strafrecht het geval is,1 moeten daartoe alle elementen van het beboetbare feit, zoals dat in de wet is omschreven, worden bewezen. Het gaat dus om de gehele delictsomschrijving.2 De inspecteur draagt hiervan de volledige bewijslast:3 vanwege de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM ‘moet de vervolgende autoriteit bewijzen dat alle bestanddelen van het aan de verdachte ten laste gelegde feit zijn verwezenlijkt’, aldus de Hoge Raad.4
In dit hoofdstuk zet ik op een rij uit welke elementen de delictsomschrijvingen van de fiscale bestuurlijke boetes bestaan. Hierbij komt het onderscheid dat ik in het vorige hoofdstuk heb aangebracht tussen de algemeen geldende fiscale bestuurlijke boetes en de bijzondere fiscale bestuurlijke boetes terug.5 In paragraaf 6.2 behandel ik de algemeen geldende fiscale bestuurlijke boetes uit de AWR en de Inv. en in paragraaf 6.3 komen de bijzondere fiscale bestuurlijke boetes aan de orde.
De te bewijzen elementen vallen uiteen in drie categorieën: het kale beboetbare feit (de feitelijke gedraging, het handelen of nalaten), de schuldgradatie (de mate van verwijtbaarheid) en de kwaliteit (de hoedanigheid van de boeteling). In het vervolg van dit onderzoek duid ik deze elementen van het beboetbare feit (ofwel de bestanddelen van de delictsomschrijving) gezamenlijk aan met de term: ‘centrale stellingen’.6
In paragraaf 6.2 en paragraaf 6.3 sta ik met name stil bij de elementen die het kale beboetbare feit vormen. In paragraaf 6.4 ga ik nader in op de beide schuldgradaties die in de delictsomschrijvingen van fiscale bestuurlijke boetes voorkomen, te weten ‘opzet’ en ‘grove schuld’. Deze schuldgradaties vormen het wezenskenmerk van elke vergrijpboete: opzet of grove schuld is bij dit type boete een vast element in de delictsomschrijving.7 De inhoudelijke betekenis van deze schuldgradaties is steeds hetzelfde, ongeacht of het gaat om een algemeen geldende of om een bijzondere fiscale bestuurlijke boete. Dat geldt ook voor het kwaliteitsvereiste, reden waarom ik ook deze categorie afzonderlijk behandel (in paragraaf 6.5).
Vooraf merk ik nog op, dat ik de begrippen ‘elementen’ en ‘bestanddelen’ door elkaar gebruik. Waar het om gaat, is dat de delictsomschrijving in zijn geheel, dus in al zijn onderdelen, moet worden bewezen. Het bewijsobject (wat moet de inspecteur bewijzen?) wordt dus in eerste instantie gevormd door die onderdelen: de elementen of bestanddelen. Ook als de inspecteur één enkel element of bestanddeel niet kan bewijzen, moet de boete worden vernietigd.