Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/61.3.3
61.3.3 Toekomst: een doorkijkje
mr. J.H.A. van der Grinten, mr. J. Wijmans, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.H.A. van der Grinten, mr. J. Wijmans
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voorstel tot Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en het nieuwe nadeelcompensatierecht. Op het moment van afronding van deze bijdrage is sprake van een nog niet bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakt wetsvoorstel dat op internet ter consultatie is voorgelegd (zie https://www.internetconsultatie.nl/awbomgevingswet).
Zie art. 5:32, eerste lid Awb: het bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen is ook bevoegd tot oplegging van een last onder dwangsom.
Zie bijv. CBb 27 februari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:97.
Hiervoor constateerden wij dat tegen de niet-naleving van de medewerkingsplicht niet op grond van de Awb door middel van een bestuurlijke sanctie kan worden opgetreden. Inmiddels is een wetsvoorstel (hierna: ‘Wijzigingsvoorstel’) op handen dat daarin verandering brengt.1 Het Wijzigingsvoorstel voegt een derde lid toe aan 5:20 Awb waarmee de niet-naleving van de medewerkingsplicht bestuursrechtelijk handhaafbaar wordt: ‘Het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is, is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het eerste lid.’2 Hiermee wordt automatisch ook de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom ter naleving van de medewerkingsplicht geïntroduceerd (5:32 Awb).
Uit jurisprudentie over de al wel bestaande bestuursrechtelijke handhaving van de medewerkingsplicht (op grond van bijzondere wetten) blijkt dat op het bestuursorgaan de verplichting rust om uitdrukkelijk belangen af te wegen. Als eenmaal is vastgesteld dat gegevens in redelijkheid kunnen worden opgevraagd en een bevoegdheid bestaat om tegen niet-verstrekking van die gegevens handhavend op te treden, is het bestuursorgaan er dus nog niet. Een rechtmatige uitoefening van de bevoegdheid vereist dat alle in geding zijnde belangen worden afgewogen voordat van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt.3