Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/4.2.1.2
4.2.1.2 Aanknopingspunt voor belastingplicht
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS400624:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Hand – en Studieboeken nr. 4 Kluwer, 2e druk, 2000, paragraaf 3.2. Dit kan min of meer ook opgemaakt worden uit Kamerstukken II, 1962-1963, 6.000, nr. 9, blz. 6. Daar is het volgende opgemerkt: “Het Nederlandse rechtssysteem laat door zijn lenigheid de ondernemer de mogelijkheid om voor zijn onderneming rechtsvormen te kiezen welke niet zijn die van de NV of van de commanditaire vennootschap op aandelen, doch wel vergelijkbare voordelen bieden. Wil geen lek ontstaan, dan zal de belastingwet eenzelfde lenigheid moeten bezitten, zodat haar werking zich ook uitstrekt tot associaties welke niet precies in rechtsvorm doch wel in economische functie overeenstemmen met die vennootschappen met het oog waarop de belasting in het bijzonder in het leven is geroepen.”
In gelijke zin Geschriften van de Vereniging voor belastingwetenschap, rapport en bespreking van het rapport samenwerkingsverbanden en ondernemingswinst, nr. 223, Kluwer, 2004, paragraaf 2.3.1. en Cursus Belastingrecht 1.0.1.A.b.
Daardoor is bijvoorbeeld onzeker of een trust die is gevestigd in Nederland binnenlands belastingplichtig is. Ook Verburg wijst er op dat het thans mogelijk is dat naar vreemd recht opgerichte lichamen, die – naar de omstandigheden beoordeeld – in Nederland gevestigd zijn, niet in de vennootschapsbelasting kunnen worden betrokken, omdat zij niet gerangschikt kunnen worden onder de in art. 2 Wet VPB 1969 vermelde lichamen. Als voorbeeld noemt hij een niet als rechtspersoon aan te merken trust. J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Handboeken nr. 4, 2000, paragraaf 3.2.
Verburg geeft mijns inziens kernachtig het streven van de fiscale wetgever omtrent de subjectieve belastingplicht weer. Hij merkt op dat voor de vennootschapsbelasting de taak is weggelegd de winst van die ondernemingen in de belastingheffing te betrekken die buiten het bereik van de inkomstenbelasting zijn gebleven.1 Uit de huidige limitatieve opsomming blijkt dat de wetgever daarvoor geen volledige aansluiting heeft gezocht bij het begrip rechtspersonen uit het civiele recht. Ook niet-rechtspersonen, waarvan de participaties vrij verhandelbaar zijn (zoals de open CV en open fonds voor gemene rekening), zijn vennootschapsbelastingplichtig. Er is ook geen volledige aansluiting gezocht bij het criterium vrije verhandelbaarheid van participaties voor de vennootschapsbelastingplicht, want dan zou de BV niet als subjectief vennootschapsbelastingplichtig moeten worden aangemerkt. Uit de opgesomde rechtsvormen kunnen derhalve twee categorieën worden onderscheiden die vennootschapsbelastingplichtig zijn, namelijk
rechtspersonen en
niet rechtspersonen met vrij verhandelbare participaties.2
Vervolgens kan er nog een onderscheid gemaakt worden tussen de onder i. en ii. genoemde rechtsvormen die onbeperkt, respectievelijk beperkt binnenlands belastingplichtig zijn.
In de Wet VPB 1969 (en voorgangers) is geen vangnetbepaling opgenomen; de lijst in art. 2 Wet VPB 1969 is met andere woorden uitputtend.3