Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.1
6.1 Inleiding
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS497046:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Beslagsyllabus, versie augustus 2012, p. 8 (onder B. de behandeling van het beslagrekest).
In geval van een afwijzing kan hoger beroep en eventueel cassatie worden ingesteld (HR 23 december 1977, LJN AC6153, NJ 1978, 296 (Koraal c.s./Smit & Bolnes), impliciet). Wel is appèl mogelijk tegen nevenbeslissingen bij beslagverlof (gerechtshof Amsterdam 10 augustus 2006, LJN AZ8183, «JBPr» 2007/9, m.nt. F.J.H. Hovens). Zie ook HR 25 september 2009, LJN BI8517, NJ 2009, 460 (Hagemeyer/Curatoren): geoordeeld moet worden dat de wetgever geen uitzondering op het rechtsmiddelenverbod van art. 700 lid 2 Rv heeft willen maken voor het geval de schuldenaar ter zake van het verzoek tot het verlenen van beslagverlof als bedoeld in art. 700 lid 1 Rv reeds is gehoord.
Een uitzondering hierop vormt het voorlopig verlof: gerechtshof ’s-Gravenhage, zp. ’s Hertogenbosch, 7 oktober 2010, LJN: BN9816 (Chilean Lumber Company SA/Arkans Ltd). Zie ook: «JBPr» 2010/5, p. 503-504. Zie ook: paragraaf 5.2.3, slot. Daarnaast is er de mogelijkheid tot het instellen van een reconventionele vordering of een voorlopige voorziening ex art. 223 Rv: voorwaarde hiervoor is evenwel dat de hoofdzaak reeds is ingesteld.
Broekveldt 2003, p. 670, noemt het opheffingskortgeding zelfs een soort ‘informeel appèl’ tegen de verlofbeschikking.
Zie ook Broekveldt 2003, p. 666, die in dit kader spreekt van ‘het noodzakelijk evenwicht’ nu de schuldeiser op ruime schaal de mogelijkheid heeft om voor een gepretendeerde vordering conservatoir beslag te leggen en hiervoor slechts hoeft te stellen en eventueel summierlijk aannemelijk te maken dat er een vordering is of verkregen zal worden.
Parlementaire geschiedenis van de invoering van het NBW: Reehuis & Slob 1992, p. 313.
Van Mierlo, 2006.
Meijsen-Tierates 2008, p. 165-170.
Dit gegeven is afkomstig uit de databases Civiel van de rechtbanken die aan de vraaggesprekken meewerkten. Hierbij is het aantal geregistreerde conservatoire verloven afgezet tegen het aantal aangebrachte opheffingskortgedingen. Zie ook paragraaf 6.4.2.
Zie hieromtrent paragraaf 1.6 en paragraaf 2.4.3 inzake methodologie.
Daar waar de advocaat van de (aankomend) beslaglegger gehoord wordt in geval van een voorgenomen afwijzing van een beslagrekest1 en deze voorts bezwaar kan maken tegen een afwijzende beschikking,2 vindt de beslagene een mogelijkheid van verweer tegen een verleend verlof in het opheffingskortgeding van artikel 705 Rv.3 Op grond van artikel 700 lid 2 Rv, laatste zin, is tegen een verleend verlof namelijk geen hogere voorziening toegelaten.4 Het opheffingskortgeding vervult daarom voor de beslagene, als tegenwicht van de summiere beoordeling van het beslagrekest, een belangrijke rol.5
Dat het opheffingskortgeding een waarborgfunctie in zich heeft is ook uit de parlementaire geschiedenis af te leiden.6 Van Mierlo wijst op de beoogde evenwichtige bescherming van de conflicterende belangen van beslaglegger en beslagene, die onder meer bestaat uit de mogelijkheid van de beslagschuldenaar om langs de weg van artikel 705 Rv ‘het op eenzijdige voorlichting verkregen beslagverlof (…) te laten toetsen’.7 Ook uit vraaggesprekken die ik had met voorzieningenrechters over de beoordeling van beslagrekesten, is gebleken dat het opheffingskortgeding in het algemeen wordt beschouwd als vangnet voor mogelijk onterecht verleend verlof en/of vexatoir beslag.8 Voorts zag men in de omstandigheid dat in nog geen vijf procent van de gevallen waarin een verlof tot het leggen van conservatoir beslag werd verleend een opheffingskortgeding wordt geëntameerd9 een aanwijzing dat het aantal onterechte of knellende beslagen beperkt zou zijn.
Een en ander is aanleiding geweest om, bij de opzet van het onderzoek naar conservatoir beslag dat in opdracht van de Raad voor de rechtspraak werd gedaan, bijzondere aandacht aan de functie van het opheffingskortgeding te besteden, met name wat betreft de rol van het opheffingskortgeding binnen het samenhangend geheel van de drie pijlers en de daaraan verbonden compenserende werking.10