Uit de akte cassatie blijkt dat op 29 april 2025 de bijzondere volmacht ter griffie van het gerechtshof is ontvangen. De akte cassatie is opgemaakt op 30 april 2025.
HR, 21-04-2026, nr. 25/01655
ECLI:NL:HR:2026:711
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-04-2026
- Zaaknummer
25/01655
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:711, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑04‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2025:1583
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:159
ECLI:NL:PHR:2026:159, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑02‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:711
Uitspraak 21‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep in woning en loods (art. 3.C jo. 11.2 en 11.5 Opiumwet) en witassen van 2 auto’s (art. 420bis.1.b Sr). 1. Bewijsklacht aanwezig hebben van hennep t.a.v. opzet. Kon hof oordelen dat verdachte wetenschap had van aangetroffen hennep, nu hij toegang had tot loods en benedenwoning, in combinatie met aangetroffen goederen van verdachte en waargenomen geluiden en geuren? 2. Bewijsklacht witwassen t.a.v. “afkomstig uit enig misdrijf”. Kon hof oordelen dat verklaring van verdachte dat auto’s een schenking van zijn oom waren of met geld van die oom zijn betaald, niet aannemelijk is? HR: art. 81.1 RO. Vervolg op HR:2024:1413. Samenhang met 25/01706 P.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01655
Datum 21 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 april 2025, nummer 20-002875-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J.H.L. Antonides en M. Draaijers bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.
Conclusie 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling opzettelijk aanwezig hebben van (een grote hoeveelheid) hennep en witwassen. Falende middelen over de bewijsvoering van 1) het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en 2) witwassen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 lid 1 RO). Samenhang met 25/01706.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01655
Zitting 10 februari 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1413 – bij arrest van 24 april 2025 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (parketnummer 20-002875-24) veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid (feiten 1 en 2, telkens impliciet subsidiair) en voor witwassen (feit 6). Aan de verdachte is opgelegd een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis. Ook heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 25/01706. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 30 april 20251.ingesteld namens de verdachte. J.H.L. Antonides en M. Draaijers, beiden advocaat te Roermond , hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Beide middelen bevatten klachten over de bewijsvoering, waarbij het eerste middel betrekking heeft op het bewezenverklaarde onder 1 en 2 en het tweede middel op het bewezenverklaarde onder 6.
1.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
2. De bewezenverklaring en de bewijsvoering
2.1
Voordat ik overga tot de bespreking van de middelen, geef ik de bewezenverklaring en bewijsvoering weer, als ook overige relevante passages uit het bestreden arrest.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 9 december 2013 in [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [a-straat 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) 14.287 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.
hij op 9 december 2013 in [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [b-straat 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) 604 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
6.
hij op 9 december 2013 in [plaats] een personenauto (Ferrari Spider F335, [kenteken 1] ) en een personenauto (Mercedes-Benz ML 420 Cdi, [kenteken 2] ) voorhanden heeft gehad en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp – middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2013 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
Op 9 december 2013 waren wij verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] doende met een onderzoek naar een mogelijke hennepkwekerij op de [a-straat 1] te [plaats] . Ter plaatse zagen wij, verbalisanten, op genoemd adres een loods.
Wij, verbalisanten, zagen dat de toegangsdeur van genoemde loods was afgesloten. Ik, [verbalisant 1] , heb de meldkamer gevraagd om de slotenmaker in kennis te stellen teneinde toegang te krijgen tot genoemde loods. Hierop is de slotenmaker ter plaatse gekomen teneinde het cilinderslot van het genoemde hekwerk te openen. Hierop zag ik, [verbalisant 4] , een personenauto, merk Mercedes, type 420, kleur Zwart, kenteken [kenteken 2] , komende vanaf de [c-straat] te [geboorteplaats] , welke aanstalten maakte om de [a-straat] in te rijden. Ik, [verbalisant 4] , zag dat de genoemde personenauto vaart minderde en dat de bestuurder het genoemde voertuig tot stilstand bracht. Ik, [verbalisant 4] , zag dat de genoemde auto na ongeveer tien seconden wegreed in de richting van de [d-straat] te [geboorteplaats] . Hierop hebben wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , de achtervolging ingezet op genoemde personenauto teneinde de identiteit van de bestuurder vast te stellen. Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , zagen het genoemde voertuig in de van [e-straat] te [geboorteplaats] staan. Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , hoorden dat de motor van genoemde auto nog in werking was. Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , zagen dat er geen personen in de genoemde auto meer aanwezig waren. De slotenmaker was op dat moment doende met het openen van de toegangsdeur. Ik, [verbalisant 4] , zag dat een manspersoon vanaf de [b-straat] de [a-straat] in kwam gelopen. Ik, [verbalisant 5] , hoorde op dat moment van een buurtbewoner dat de loods van de man was welke aan kwam gelopen. Hierop spraken wij verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] genoemde persoon aan en dit bleek de later te vernoemen [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte) te zijn. Wij hoorden dat [verdachte] zei dat hij de loods huurde van zijn moeder. Wij vroegen of [verdachte] een sleutel had van genoemde loods. Hierop hoorden wij dat [verdachte] zei dat de sleutel in zijn auto lag of in zijn woning. Hierop zijn wij verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] met [verdachte] naar zijn personenauto gereden op de van [e-straat] . Wij zagen dat [verdachte] een keycord met daaraan drie sleutels aan ons overhandigde. Hierop zijn wij met [verdachte] terug gereden naar genoemde loods. Ik, [verbalisant 2] , opende de deur van de loods met de sleutel die [verdachte] ons overhandigd had. Bij het betreden van de genoemde loods zagen wij, verbalisanten, bij binnenkomst diverse personenauto's en een trailer met daarop een boot staan.
Wij, verbalisanten, zagen aan de rechterzijde in de loods een sportauto staan. Wij, verbalisanten, zagen dat het een Ferrari, type Spider F355, kleur Rood, Duits [kenteken 1] , betrof. Wij, verbalisanten, zagen dat er aan de linkerzijde in de genoemde loods een boot, merk BAJA, type onbekend, [registratienummer] stond. Wij zagen aan de rechterzijde van de genoemde loods een andere personenauto. Dit betrof Mercedes, type CLK42 (het hof begrijpt: CLK 240), kleur grijs, Nederlands [kenteken 3] . Wij, verbalisanten, zagen aan de rechterzijde van de genoemde loods nog een personenauto staan, Merk Mercedes, type SLK 230, kleur blauw, Nederlands [kenteken 4] .
Hierop zagen wij, verbalisanten, aan het einde van de genoemde loods een rolpoort. De rolpoort was naar beneden getrokken. Hierop heb ik, [verbalisant 4] , aan de rolpoort gevoeld. Ik, [verbalisant 4] , voelde dat de rolpoort niet afgesloten was en ik heb hierop de rolpoort naar boven geduwd. Wij, verbalisanten, zagen dat er aan de achterzijde van de loods een soort open, niet overkapte buitenruimte was. Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , zagen dat er aan de rechterzijde van genoemde buitenruimte, de achterzijde van een pand gelegen was. De entreedeur van genoemd pand was afgesloten en afgeplakt. Wij hoorden vanuit deze woning een zoemend geluid. Dit geluid herkenden wij als zijnde het geluid van af en aanzuiginstallaties, welke veelal gebruikt worden in hennepkwekerijen. Na onderzoek bleek het te gaan om de achterzijde van het pand gelegen aan de [b-straat 1] te [geboorteplaats] . Tevens zagen wij een ijzeren trap naar een bovenwoning. Dit bleek later de bovenwoning van [verdachte] te zijn, gelegen aan de [b-straat 2] te [geboorteplaats] .
Hierop zijn wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , weer de loods ingelopen. Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , zagen aan de rechterzijde van de genoemde loods een witte partytent staan. Wij zagen dat er een tuinset in de genoemde partytent stond. Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] zagen dat er diverse goederen in deze partytent lagen. Tevens zagen wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , diverse goederen (kentekenpapieren, kluis ed.) in de genoemde partytent liggen. De kentekenpapieren en kluis en diverse andere papieren (aantekeningen) werden in beslag genomen. Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , zagen dat er diverse sleutels in genoemde partytent lagen.
Door [hulpofficier van justitie] werd een machtiging tot binnentreden afgegeven voor de benedenwoning aan de [b-straat 1] te [geboorteplaats] in verband met verdenking van overtreding van de Opiumwet. Hierop heb ik, [verbalisant 4] , de sleutels geprobeerd op de achterzijde van het genoemde pand gelegen in de buitenruimte. Een van de sleutels bleek te passen op de entreedeur van genoemd pand. Hierop heb ik, [verbalisant 4] , de genoemde entreedeur geopend. Ik, [verbalisant 4] , zag dat er een in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig was in genoemd pand. Hierop hebben wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , de overige aanwezige collega's in kennis gesteld van de in werking zijnde hennepkwekerij. Hierop hebben de politiecollega's [verbalisant 1] en [verbalisant 3] verder onderzoek gedaan naar de hennepkwekerij.
Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , liepen weer terug de loods in en zagen twee zogenaamde centrifuge apparaten staan. Ons, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , is ambtshalve bekend dat dergelijke apparaten gebruikt worden voor het vermalen van hennepafval. Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , zijn naar de ingang van de loods gelopen. Hierop heb ik [verbalisant 4] de partytent nabij de ingang van de loods bekeken. Ik, [verbalisant 4] , zag dat er een blauwe regenton in de genoemde partytent stond. Ik, [verbalisant 4] , rook een sterke hennepgeur in de genoemde partytent. Ik, [verbalisant 4] , liep naar de blauwe regenton en rook dat de hennepgeur nabij de genoemde ton sterker werd. Vervolgens heb ik, [verbalisant 4] , de regenton geopend. Ik [verbalisant 4] zag dat er een ruime hoeveelheid hennep in de regenton zat. Ik, [verbalisant 4] , zag dat er tevens een lamineerapparaat, weegschaal en verpakkingsmaterialen in de tent aanwezig waren. In genoemde partytent zag ik nog eenzelfde blauwe regenton en twee kleinere witte tonnen staan. Ik rook eveneens een hennepgeur bij deze tonnen.
Hierop werden genoemde tonnen door ons verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] ter waarheidsvinding in beslag genomen. Hierop troffen wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , tevens gedroogde henneptoppen aan. Na weging aan het politiebureau, bleek er in totaal 14.287 kilo gedroogde henneptoppen in genoemde tonnen te zitten. Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , troffen tevens een blauwe map aan in de genoemde partytent. Wij zagen dat in deze map diverse papieren zaten waarin omschreven staat hoe hennep geteeld dient te worden.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 december 2012 [A-G: ik begrijp 2013] (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] :
Op 9 december 2013 waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , samen met een aantal andere politiecollega's, op het adres [a-straat 1] te [geboorteplaats] , in verband met een onderzoek naar een hennepkwekerij. Op genoemde dag zijn wij, verbalisanten, de benedenwoning zijnde de [b-straat 1] te [geboorteplaats] binnen gegaan, middels de geopende toegangsdeur aan de achterzijde van het pand. De collega's [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben door middel van een sleutel welke in genoemd bedrijfspand werd aangetroffen de toegangsdeur geopend. Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , zagen dat de benedenwoning, zijnde de [b-straat 1] te [geboorteplaats] , bereikbaar was via een binnenplaats welke achter genoemd bedrijfspand was gelegen. Wij zagen dat er een toegangsdeur was, welke afgeplakt was met mogelijk plastic folie. Tevens zagen wij naast deze toegangsdeur een raam, welke eveneens afgeplakt was met mogelijk plastic folie. Tevens zagen wij dat er een ijzeren trap vanuit de binnenplaats naar de bovenwoning van de [b-straat 2] te [geboorteplaats] liep. Wij zagen vanuit de toegangsdeur een ruimte, welke compleet ingericht was als hennepkwekerij. Wij zagen en hoorden dat de hennepkwekerij in werking was. Na telling bleken er in ruimte 1: 302 hennepplanten te staan. Ik, [verbalisant 1] , herkende ambtshalve de specifieke geur en vorm van de plant, als zijnde een hennepplant. Wij zagen dat er door het midden van ruimte 1 een looppad was gemaakt, door middel van houten platen. Wij zijn via dit looppad, verder de ruimte ingelopen. Wij zagen dat er achter de eerste ruimte nog een andere ruimte compleet ingericht was als hennepkwekerij. Wij zagen en hoorden dat in deze ruimte eveneens een inwerking zijnde hennepkwekerij was. Na telling bleken er in ruimte 2: 302 hennepplanten te staan. Wij zagen dat de benedenwoning bijna geheel ingericht was als hennepkwekerij. In de benedenwoning werd geen in gebruik zijnde keuken, bed of iets dergelijks aangetroffen, waar uit afgeleid kon worden dat de benedenwoning als woning in gebruik was. Tevens zagen wij dat achter de voordeur onder de brievenbus van de [b-straat 1] een grote stapel post lag. Hieruit konden wij afleiden dat de toegangsdeur gelegen aan de voorzijde van het pand [b-straat 1] te [geboorteplaats] , al geruime tijd niet geopend was. De hennepkwekerij was daarom alleen toegankelijk via de toegangsdeur aan de achterzijde. Deze toegangsdeur was alleen te bereiken via de loods, danwel via de bovenwoning, welke in gebruik is bij de [verdachte] .
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2024 [A-G: ik begrijp 2014] (…), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
In de loods werd in een partytent een kluis aangetroffen. Hierna zullen de goederen uit de kluis aan de hand van de fotobladen worden beschreven.
Foto 16: Kentekenpapieren, [kenteken 5] ten name van [verdachte] , [b-straat 2] te [geboorteplaats] .Foto 17: Kentekenpapieren, [kenteken 6] , duplicaatcode 1, ten name van [verdachte] , [b-straat 2] te [geboorteplaats] .Foto 18: Kentekenpapieren, [kenteken 6] , ten name van [verdachte] , [b-straat 2] te [geboorteplaats] .Foto 19: Brief op naam van [verdachte] , [b-straat 2] te [geboorteplaats]Foto 22: Begeleidingsbrief bedrijf [A] , [kenteken 2] , datum 21-10-2013.
Foto 23: Begeleidingsbrief bedrijf [A] , [kenteken 2] , datum 25-10-2013.Foto 24: Begeleidingsbrief bedrijf [A] , [kenteken 2] , datum 15-10-2013.Foto 26: Begeleidingsbrief bedrijf [A] , [kenteken 2] , datum 14-10-2013. Tevens werden in genoemde partytent achter in de loods diverse bescheiden en aantekeningen aangetroffen. Hieronder zal per foto beschreven worden, wat er werd aangetroffen.Foto 30: Tas met daarop diverse bonnetjes en kentekenpapieren.Foto 32: Kentekenpapieren op tas. Kenteken betreft [kenteken 4] , ten name van [verdachte] , [b-straat 2] te [geboorteplaats] .Foto 43: Aantekeningen omtrent de kweek van hennep, aangegeven per week. Begin datum 18 sep.Foto 44: Aantekeningen omtrent de kweek van hennep, aangegeven per week. Begin datum 10 dec.Foto 45: Aantekeningen omtrent de kweek van hennep, aangegeven per week. Begin datum 18 sep. Geschreven datum 22 nov. Voorgroei start: 7 sep.Foto 47: Aantekeningen omtrent de kweek van hennep, aangegeven per week. Begin datum: 10 dec. Voorgroei start: 30 nov.
Uit deze aantekeningen, welke aangetroffen werden in de loods, gelegen aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] , kan opgemaakt worden dat ze direct of indirect in verband staan met de aangetroffen hennepkwekerij in het pand [b-straat 1] te [geboorteplaats] .
4. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 4] (…), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik ben de eigenaar van de loods gelegen aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] . In oktober 2013 vroeg [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) aan mij of hij de loods kon gebruiken. Ik heb daarmee ingestemd.
5. Een geschrift, te weten een huurovereenkomst d.d. 10 oktober 2013 (…), voor zover inhoudende:
Heden, tien oktober tweeduizend dertien, verschenen voor mij, mr. [notaris] , notaris te [plaats] :1. [betrokkene 4] , wonende te [postcode 1] [plaats] , [f-straat] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] negentienhonderdzesenveertig , identiteitsbewijs: Nederlands [nummer rijbewijs] , geldig tot tweeëntwintigjuni tweeduizend zestien, thans ongehuwd en niet geregistreerd als partner in de zin van het geregistreerd partnerschap, weduwe van [betrokkene 1] ,hierna te noemen "huurverkoper"; en2. [verdachte] , wonende te [postcode 2] [geboorteplaats] , [b-straat 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] negentienhonderdvijfenzestig , identiteitsbewijs: Duits [nummer paspoort] , geldig tot acht juli tweeduizend negentien, ongehuwd en niet geregistreerd als partner in de zin van het geregistreerd partnerschap,hierna te noemen "huurkoper".A. OMSCHRIJVING VAN HET VERKOCHTE EN LEVERING.Huurverkoper verkoopt in huurkoop aan huurkoper die in huurkoop koopt: de berging/stalling met verdere aanhorigheden, gelegen te [geboorteplaats] , nabij de [a-straat] , groot elf are en tweeënvijftig centiare (11 a 52 ca), kadastraal bekend gemeente [geboorteplaats] in sectie […] onder nummer […] ;
6. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte (…), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
V: vraag verbalisant A: antwoord verdachte
V: In de loods is een blauwe Mercedes Benz SLK 230, voorzien van het [kenteken 4] , aangetroffen. Van wie is deze auto?A: Deze auto is mijn eigendom.
V: In de loods is een grijze Mercedes Benz CLK 240 cabrio, voorzien van het [kenteken 3] , aangetroffen. Van wie is deze auto?A: Deze auto is van mijn vriendin.
V: In de loods is een boot aangetroffen, Merk Baya, type 245. Van wie is deze boot?A: Die is van mij. De trailer waar de boot op stond is van mij.
7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juni 2015 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] :
Door [verdachte] werd bij de belastingdienst aangegeven dat hij in het jaar 2012 een bedrag van € 21.045,00 aan buitenlandse inkomsten heeft genoten uit werkzaamheden bij [B] GmbH. Ondanks dat de herkomst hiervan niet is vast te stellen, worden deze inkomsten aangemerkt als legale inkomsten.
Uit de gevorderde gegevens blijkt dat de legale inkomsten van [verdachte] en [echtgenote verdachte] (en hun minderjarige dochter) over de laatste jaren zeer beperkt zijn geweest. Vermoedelijk zijn deze nog te gering geweest om te voorzien in hun levensonderhoud. Het feit dat er ook vanaf de bankrekeningen nagenoeg geen betalingen ten behoeve van het levensonderhoud zijn te zien en er zelfs contante stortingen op plaats vinden, wijst op een andere, onbekende bron van inkomsten.
Uit het ontvangen antwoord van de Staatsanwaltschaft Oldenburg , d.d. 19 juni 2014 blijkt dat de personenauto, Mercedes type ML 420 Cdi 4Matic door [C] is doorverkocht aan [D] eveneens in [plaats] (D). De hierover gehoorde [betrokkene 2] verklaart zich de verkoop van bedoelde Mercedes goed te herinneren. De koper heeft contact met hem gezocht via het [telefoonnummer] . [betrokkene 2] stelt van deze verkoop bescheiden ter beschikking en verklaart de auto te hebben verkocht aan de persoon, van wie een kopie van het identiteitsbewijs bij de bescheiden is gevoegd. Dit betreft [verdachte] . Deze heeft met hem nog gesproken over andere auto's en foto's laten zien van zijn Ferrari. Het betrof een contante verkoop. Volgens een kopie van de rekening bedroeg de prijs € 24.000.
Uit het ontvangen antwoord van de Staatsanwaltschaft Bonn (D), d.d. 7 augustus 2014 blijkt dat [getuige 2] , als bedrijfsleider van [E] , werd gehoord als getuige. Hij verklaart dat bij genoemd bedrijf een personenauto, merk Ferrari, type Spider in reparatie stond. Hij heeft de auto te koop gezet en met schade aan een Nederlander verkocht voor een bedrag van € 35.000. Een collega heeft bedoelde auto naar Nederland versleept en daar afgeleverd. Van de verkoop heeft hij geen bescheiden meer, ook de naam van de koper kan hij zich niet herinneren. Hij heeft nog wel het Nederlandse telefoonnummer van de koper, dit betreft [telefoonnummer] .
Bij raadpleging in het zogenoemde Basis Voorziening Handhaving (BVH)-systeem is bovengenoemd telefoonnummer op 03-04-2009 gekoppeld aan [verdachte] .
De personenauto, Ferrari, gekentekend [kenteken 1] (D), werd aangetroffen in de loods [a-straat 1] te [geboorteplaats] .
Uit de bankafschriften van [verdachte] bleek dat op 23 en 27 januari 2012 vanaf de Rabobank [rekeningnummer] ten name van [verdachte] een bedrag van respectievelijk € 265; € 100 en € 418,50 wordt betaald, onder vermelding: Ferrari 33 airco condensor; nabetaling airco condensor en 355 spider carbone einsteigleisten.
Bij onderzoek is gebleken dat op de onder [verdachte] aangetroffen en in beslag genomen telefoon, diverse foto's stonden opgeslagen, waarbij te zien is dat zowel [verdachte] als zijn echtgenote [echtgenote verdachte] in 2012 gebruik maken van de Ferrari. De personenauto, Mercedes-Benz ML 420 Cdi, gekentekend [kenteken 2] , werd aangetroffen doordat [verdachte] als bestuurder van dit voertuig kwam aanrijden bij de loods [a-straat 1] te [geboorteplaats] , toen deze loods betreden ging worden. De vorige eigenaar [betrokkene 3] in [plaats] , die verklaart haar auto te hebben verkocht aan [C] GmbH in [plaats] . Door [C] GmbH was de auto verkocht aan [D] . [betrokkene 2] verkocht de auto aan [verdachte] , van wie een kopie van het paspoort is bijgevoegd. Het betrof een contante verkoop. Blijkens de bijgevoegde factuur werd door koper [verdachte] een bedrag van € 24.000 contant voor deze auto gekocht.
Uit de via rechtshulp ontvangen afschriften van de bankrekening van [oom verdachte] blijkt dat vanaf deze bankrekening gelden worden betaald en ontvangen voor zowel de genoemde personenauto Mercedes ML als genoemde Ferrari personenauto. Van deze bankrekening is [verdachte] een tijdlang gemachtigde, terwijl deze bankrekening ook een tijd heeft 'gelopen' via het adres [b-straat 2] te [geboorteplaats] . In de auto werd de rekening van de aankoop van de auto voor een bedrag van € 24.000 dat contant betaald is aangetroffen, alsook een machtiging van het garagebedrijf waarbij [verdachte] namens de garage wordt gemachtigd de zogenaamde 'fahrzeugbrief’ in ontvangst te nemen.”
2.4
Het bestreden arrest bevat over de bewijsvoering onder meer de volgende passages:
“Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, alsmede dat ook verdedigingsrechten zijn geschonden waardoor niet meer kan worden gesproken van een recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De overschrijding van de redelijke termijn is zodanig dat de waarheidsvinding vergaand is bemoeilijkt. Het tijdsverloop heeft onder meer negatieve gevolgen voor (mogelijke) onderzoekswensen van de verdediging waardoor van een gelijk speelveld (equality of arms) inmiddels geen sprake meer is. Verbalisanten kunnen vanwege het tijdsverloop zich zaken niet meer precies herinneren. Voorts blijkt dat getuigen niet zijn gehoord; [getuige 3] kon niet worden getraceerd, door het verstrijken van de tijd kon [oom verdachte] gelet op zijn gezondheidssituatie niet meer als getuige worden gehoord en [getuige 1] is overleden. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. De overschrijding van de redelijke termijn in combinatie met de duur van de schending, de schending van het verdedigingsbelang, het schenden van het ondervragingsrecht, het schenden van equality of arms en het in gedrang komen van de waarheidsvinding leiden tot een behandeling die in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Gelet op de schending(en) van artikel 6 EVRM, alsmede de beginselen van een behoorlijke procesorde dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad stelt het hof het navolgende voorop.
Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. In HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 zijn uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op dit voorschrift en het rechtgevolg dat daaraan dient te worden verbonden. In dat arrest is beslist dat overschrijding van de redelijke termijn nimmer kan leiden tot de niet- ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging of de ontnemingsvordering.
In genoemd arrest is voorts erop gewezen dat ook andere factoren nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van – bijvoorbeeld – getuigen. Genoemd voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling binnen een redelijke termijn heeft evenwel niet het oog op deze factoren en strekt in het bijzonder niet ertoe de verdedigingsrechten van een verdachte te waarborgen, zoals het recht getuigen te ondervragen. De in voormeld arrest geformuleerde uitgangspunten en regels houden alleen verband met het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en gelden dus niet voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten.
Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering valt, komt de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet in aanmerking, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Daarbij verdient opmerking dat het in de eerste plaats moet gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen – in de bewoordingen van het EHRM – dat "the proceedings as a whole were not fair". Uit een en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. Aan de motivering van die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring worden hoge eisen gesteld.
Andere gevolgen dan de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging liggen meer in de rede indien sprake is van een - onherstelbare en niet voor (procedurele) compensatie vatbare - schending van de verdedigingsrechten. (…)
(…)
Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die van dien aard is en zodanig ernstig is dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Van belang daarbij is dat uit de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat als – onevenredig – tijdsverloop een complicatie vormt bij de bewijsgaring of de waardering van het bewijs, de strafrechter daarmee rekening kan houden en, indien de bewijsvoering anders op gespannen voet zou komen te staan met de ‘fairness of the proceedings as a whole’ tot een vrijspraak kan komen.
Gelet op het vorenstaande wordt het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie verworpen.
(…)
Bewijsoverwegingen
(…)
Ten aanzien van feit 1 en feit 2 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – naar voren gebracht dat de verdachte van de onder 1 en onder 2 tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de verdachte geen wetenschap had van de 14.287 gram gedroogde henneptoppen (feit 1). Niet alleen de verdachte had toegang tot de loods en het gedeelte van de loods waar de regenton is aangetroffen. Daarnaast blijkt niet dat de verdachte feitelijke beschikkingsmacht had over de hennep in de regenton. Evenmin wist de verdachte van de hennepkwekerij (feit 2). De verdachte heeft het gedeelte van de loods waarin de regenton is aangetroffen verhuurd aan [getuige 1] , waarbij aanwijzingen dat [getuige 1] verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij ruimschoots uit het dossier blijken, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Gelet op het onder het kopje ‘Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie’ opgenomen beoordelingskader en de inhoud van het dossier, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het impliciet primair tenlastegelegde telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van 14.287 gram hennep (feit 1) en 604 hennepplanten (feit 2). Aan dit oordeel ligt in het bijzonder ten grondslag dat op basis van de inhoud van het dossier betrokkenheid van [getuige 1] bij voornoemde feiten niet kan worden uitgesloten. De verdachte zal dan ook in zoverre worden vrijgesproken van de onder 1 en onder 2 tenlastegelegde feiten. Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 9 december 2013 schuldig heeft gemaakt aan opzettelijk aanwezig hebben van 14.287 gram hennep (feit 1) en 604 hennepplanten (feit 2).
Ten aanzien van het impliciet subsidiair tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van hennep stelt het hof het volgende voorop. Handelen in strijd met artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet levert een misdrijf op wanneer bewezen wordt verklaard dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Het ‘aanwezig hebben’ in de zin van artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet vereist feitelijke macht over de verdovende middelen, waarmee wordt bedoeld dat de verdachte over die middelen kan beschikken. Het is daarvoor niet noodzakelijk dat de verdovende middelen in de directe nabijheid van de verdachte zijn en ook niet dat zij aan de verdachte toebehoren of dat de verdachte beschikkings- of beheersbevoegdheid heeft met betrekking tot de verdovende middelen. Verder vereist opzet wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen, waarbij als ondergrens geldt dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.
Op 9 december 2013 is in de loods gelegen aan de [a-straat 1] in [geboorteplaats] 14.287 gram hennep aangetroffen. [verbalisant 4] heeft hieromtrent gerelateerd dat hij in de partytent die in de loods stond, een sterke hennengeur rook en dat de hennepgeur nabij een blauwe regenton sterker werd. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de sleutel had van de loods. Voorts blijkt daaruit dat er verschillende voertuigen van de verdachte en (kenteken)papieren ten name van de verdachte in de loods zijn aangetroffen, waaronder ook in voornoemde partytent. In de partytent stond bijvoorbeeld een kluis en in die kluis zijn (kenteken)papieren ten name van de verdachte gevonden. Ook werd in de partytent een tas aangetroffen met daarop kentekenpapieren ten name van de verdachte. Gelet hierop stelt het hof vast dat de verdachte toegang had tot de loods en dat hij deze ook gebruikte.
Voorts stelt het hof vast dat in de directe nabijheid van de loods, in de woning gelegen aan de [b-straat 1] te [geboorteplaats] , op 9 december 2013, 604 hennepplanten zijn aangetroffen. In dit verband blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dat aan het einde van de loods een niet overkapte buitenruimte/binnenplaats was, met daaraan gelegen de woning [b-straat 1] . Er was een ijzeren trap naar een bovenwoning, [b-straat 2] , de woning van de verdachte. De verbalisanten hebben gerelateerd dat zij vanuit de benedenwoning een zoemend geluid van een aanzuiginstallatie hoorden. Achter de voordeur van de woning [b-straat 1] werd een stapel post aangetroffen. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof genoegzaam worden vastgesteld dat de voordeur van de [b-straat 1] niet werd gebruikt. Ook zijn er geen aanwijzingen dat er iemand woonde. De enige gebruikte/overgebleven toegang tot de [b-straat 1] was de achterdeur. Deze achterdeur was slechts te bereiken via de buitenruimte/binnenplaats, grenzend aan de loods die door de verdachte werd gebruikt en via de trap van de bovenwoning van de verdachte die weer uitkwam op de betreffende buitenruimte/binnenplaats. Voorts blijkt dat met een in de partytent aangetroffen sleutel de achterdeur van de [b-straat 2] A kon worden geopend.
Gelet op de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij geen wetenschap heeft gehad van de hennepkwekerij en de aangetroffen hennep in de loods niet aannemelijk. De bedrijvigheid die er moet zijn geweest om de hennepkwekerij op te zetten en het geluid van de aanzuiginstallatie kunnen voor de verdachte niet onopgemerkt zijn gebleven. Dat geldt eveneens voor wat betreft de waargenomen hennepgeur in de loods. In dit verband heeft het hof in het bijzonder nog in aanmerking genomen dat de hennepkwekerij en de aangetroffen hennep in de directe nabijheid van elkaar zijn aangetroffen, alsmede dat uit de situatie ter plaatse blijkt dat de drie panden bij elkaar hoorden. Mede gelet daarop en de omstandigheden dat de verdachte de beschikking had over de sleutel van de loods en met een in de loods aangetroffen sleutel ook de deur van de [b-straat 1] kon worden geopend, kon de verdachte ook feitelijke macht uitoefenen over de hennepplanten en de aangetroffen hennep.
Het verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde wordt derhalve verworpen.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog het voorwaardelijk verzoek gedaan om DNA-onderzoek te laten verrichten naar de veiliggestelde DNA-sporen op handschoenen en een mondkapje, indien het hof de verdachte mocht aanmerken als (enige) gebruiker van de [b-straat 1] .
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Nu de voorwaarde die de verdediging aan het verzoek heeft verbonden, niet is vervuld komt het hof aan een verdere beoordeling van het verzoek niet toe.
Ten aanzien van feit 6
De verdediging heeft – op gronden zoals opgenomen in de pleitnota – bepleit dat de verdachte van het 6 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd. De verdachte heeft de auto’s niet gekregen van [oom verdachte] . [oom verdachte] is de eigenaar van de auto’s. Uit de inhoud van het dossier blijkt niet dat verdachtes verklaring niet verifieerbaar of op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Het Openbaar Ministerie heeft onvoldoende inspanningen verricht dan wel onderzoek gedaan om de verklaring van de verdachte te verifiëren. Daarnaast kan de belangrijkste getuige ( [oom verdachte] ) niet meer worden gehoord.
Het hof overweegt als volgt.
In de loods die in gebruik is door verdachte is een Ferrari met [kenteken 1] aangetroffen. De verdachte haalde daarnaast op 9 december 2013 de sleutels van de loods uit de Mercedes met [kenteken 2] . In de loods zijn ook verschillende brieven van het bedrijf ‘ [A] ’ ten aanzien van het [kenteken 2] aangetroffen. Beide auto’s werden in december 2012 gekocht door de verdachte, maar staan op naam van zijn oom. De verdachte heeft bij de politie en de rechter-commissaris niet verklaard over de eigendom van de personenauto’s of de herkomst van de aankoopbedragen. Ter terechtzitting in eerste aanleg is door de verdediging naar voren gebracht dat ‘het verhaal van de verdachte is gebaseerd op de verklaring van [oom verdachte] . Hij is een suikeroom die de verdachte veel sponsort’. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de auto’s heeft betaald met geld van zijn oom.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf', kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Het hof acht de resultaten van het door het Openbaar Ministerie verrichte onderzoek van dien aard dat op basis daarvan geen andere conclusie mogelijk is dan dat de tenlastegelegde personenauto’s eigendom zijn van de verdachte en middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de Mercedes heeft gekocht voor € 24.000,00 in contanten. De verdachte heeft daarbij zijn identiteitsbewijs overgelegd, foto’s van zijn Ferrari laten zien, en gebruikte het [telefoonnummer] . Dit nummer was al in 2009 gekoppeld aan de verdachte. Het [telefoonnummer] is ook opgegeven door de verkoper van de Ferrari als het telefoonnummer van de koper. De verkoper heeft de auto verkocht aan een Nederlander voor een bedrag van € 35.000,00. Het hof acht het niet aannemelijk dat de auto’s een schenking zijn van de oom van de verdachte dan wel met geld van zijn oom zijn betaald. Uit de bankrekeningen van de oom van de verdachte (dossierpagina 793 en verder) blijkt namelijk niet dat hij de financiële middelen had om dergelijke aankopen te doen.
Uit het onderzoek is verder gebleken dat de legale inkomsten van de verdachte en zijn vriendin te gering waren om te voorzien in het levensonderhoud van hun gezin. Er zijn op hun bankrekeningen ook geen betalingen voor levensonderhoud te zien. Wel vinden er in de periode 2010-2012 en in 2013 een aantal contante stortingen plaats.
Het hof constateert dat de Ferrari en de Mercedes op naam van [oom verdachte] staan en dat er vanaf zijn bankrekening wegenbelasting en autoverzekering worden betaald en ontvangen voor de personenauto’s. Op die bankrekening worden steeds met die betalingen corresponderende bedragen gestort. Daarbij komt dat de verdachte de gemachtigde is van de bankrekening van [oom verdachte] en dat de correspondentie loopt via het adres [b-straat 2] te [geboorteplaats] , het woonadres van de verdachte. Het hof is van oordeel dat de verdachte op die manier een rookgordijn heeft opgeworpen omtrent wie de werkelijke rechthebbende was van de Ferrari Spider F335, [kenteken 1] en de Mercedes-Benz ML 420 Cdi, [kenteken 2] .
Het hof acht het onder feit 6 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt verworpen.
3. Het eerste middel
3.1
Het eerste middel is gericht tegen het onder 1 en 2 bewezen verklaarde opzettelijk aanwezig hebben van hennep(planten). Geklaagd wordt dat het oordeel van het hof “dat verdachte wetenschap had van de aangetroffen hennep, omdat hij toegang had tot de loods en (met de sleutel die in de loods lag) ook toegang had tot de benedenwoning, in combinatie met de in de loods aangetroffen goederen van verdachte en de waargenomen geluiden en geuren” uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, “nu het hof niet heeft kunnen uitsluiten dat verdachte een deel van de loods (waarin de henneptoppen zijn aangetroffen) en de benedenwoning had verhuurd en dat een ander verantwoordelijk was voor de aangetroffen hennep”. Bovendien, zo betogen de stellers van het middel in dit verband, “zijn er in de benedenwoning geen indicaties aangetroffen dat verdachte daar kwam en lag de hennep in de loods in afgesloten regentonnen, waarvan niet blijkt dat verdachte wist dat hier hennep lag”. Volgens de stellers van het middel maakt de enkele omstandigheid dat verdachte toegang had tot de loods “nog niet dat hij wist van de aanwezigheid van hennep, noch dat hij hier feitelijke beschikkingsmacht over had, te meer niet nu verdachte het gedeelte van de loods waarin de hennep werd aangetroffen en de benedenwoning had verhuurd”.
3.2
In de toelichting op het middel wordt verder nog aangevoerd dat “art. 6 van het EVRM” is geschonden en dat het hof niet (voldoende) heeft gerespondeerd op ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren. Betoogd wordt dat het hof in het bijzonder niet heeft gemotiveerd “waarom, ondanks de bewezenverklaringen, geen sprake is van een schending van artikel 6 EVRM en bovendien niet [heeft] overwogen dat en waarom verdachte wetenschap en feitelijke macht had van/over de hennep, maar slechts overwogen dat ‘niet aannemelijk’ is dat verdachte geen wetenschap had”. Zodoende is de responsieplicht geschonden, aldus de stellers.
3.3
Bij de bespreking van het middel stel ik in algemene zin voorop dat de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De toets in cassatie is in die zin beperkt dat de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijs slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.2.
3.4
Voor een bewezenverklaring van het ‘opzettelijk aanwezig hebben’ van hennep (feit 1) en hennepplanten (feit 2) – hierna tezamen aangeduid als ‘hennep’ – moet kunnen worden vastgesteld
i. dat de hennep zich in de machtssfeer van de verdachte heeft bevonden3., en
ii. dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid daarvan, althans de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard4..
3.5
Sub i.: de machtssfeer
Niet is vereist dat de hennep aan de verdachte toebehoorde5.en ook hoeft er geen sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid6.. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de eigenaar of huurder van de ruimte waarin hennep wordt aangetroffen daar enige zeggenschap over heeft. Als diegene ook toegang heeft tot die ruimte, ligt het oordeel dat de daar aangetroffen hennep zich in zijn machtssfeer bevond binnen bereik.
Sub ii: de wetenschap
Vaak kan de wetenschap van de aanwezigheid van hennep worden aangenomen als de eigenaar of huurder ook de gebruiker van het pand is en die aanwezigheid hem bij normaal gebruik van het pand – gelet op bijvoorbeeld de omvang van een kwekerij, de locatie daarvan binnen een pand en/of de waargenomen geur – niet kan zijn ontgaan. Wanneer de eigenaar of huurder niet ook de gebruiker van het pand is of van (het gedeelte van) de ruimte waarin de hennep is aangetroffen en er mogelijk ook andere betrokkenen zijn, is het van de omstandigheden van het geval afhankelijk of de voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep vereiste wetenschap kan worden vastgesteld.7.
3.6
In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat het onder 1 en 2 (telkens impliciet subsidiair) ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben van hennep kan worden bewezen. Het hof heeft daarbij het zojuist (onder de randnummers 3.4 en 3.5) beschreven beoordelingskader vooropgesteld en tegen die achtergrond de volgende vaststellingen gedaan:
(i) de verdachte was huurkoper van de loods aan de [a-straat 1] ;
(ii) de verdachte beschikte over de sleutel van die loods;
(iii) via een niet afgesloten roldeur aan de achterzijde van de loods kon toegang worden verkregen tot een binnenplaats;
(iv) via die binnenplaats kon toegang worden verkregen a. tot de achterdeur van een benedenwoning waarvan de voordeur zich bevond aan de [b-straat 1] en b. tot een ijzeren trap die leidde naar een bovenwoning waarvan de voordeur zich bevond aan de [b-straat 2] ;
(v) in de loods en in een daarin opgestelde partytent (waarin onder meer een kluis stond) zijn spullen aangetroffen die aan de verdachte toebehoorden;
(vi) in de partytent werd een sterke hennepgeur geroken;
(vii) in de partytent werd aangetroffen 14.287 gram hennep en een sleutel die paste op de achterdeur van de benedenwoning;
(viii) vanuit de benedenwoning werd een zoemend geluid van een aanzuiginstallatie gehoord;
(ix) in de benedenwoning bevond zich een in werking zijnde hennepkwekerij met 604 hennepplanten;
(x) in de benedenwoning zijn geen aanwijzingen aangetroffen dat daar iemand woonde;
(xi) die benedenwoning kon feitelijk alleen maar worden betreden via de achterdeur, omdat toegang via de voordeur aan de [b-straat 1] werd geblokkeerd door een grote stapel post;
(xii) de achterdeur van de benedenwoning was enkel bereikbaar via de binnenplaats waartoe de verdachte zowel toegang had vanuit de loods (waarvan de ingang is gelegen aan de [a-straat 1] ) als via de ijzeren trap vanuit zijn bovenwoning (waartoe, zo begrijp ik het hof – en zo leid ik met een blik over de papieren muur uit het dossier af – de verdachte (ook) toegang had via een eigen toegangsdeur aan de [b-straat 2] , welke deur zich (toentertijd) bevond direct naast de afzonderlijke toegangsdeur voor [b-straat 1] ).
3.7
Op basis van deze vaststellingen heeft het hof niet alleen geconcludeerd dat de verdachte de loods gebruikte en dat de drie panden bij elkaar hoorden, maar ook dat de in de loods en in de benedenwoning aangetroffen hennep zich in de machtssfeer van de verdachte heeft bevonden en dat het niet anders kan zijn dat de verdachte – mede gelet op onder meer de in de loods waargenomen hennepgeur, het vanuit de benedenwoning gehoorde geluid van de aanzuiginstallatie van de kwekerij en de bedrijvigheid die gepaard moet zijn gegaan met de opbouw van een dergelijke grote kwekerij – van de aanwezigheid van die hennep wetenschap heeft gehad.
3.8
Dit oordeel van het hof, zo betogen de stellers van het middel, zou in de eerste plaats getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk zijn, omdat het hof niet heeft kunnen uitsluiten dat de verdachte het deel van de loods waarin de hennep is aangetroffen, als ook de benedenwoning waarin de kwekerij aanwezig was, had verhuurd en daarmee “een ander verantwoordelijk was voor de aangetroffen hennep”. Uit de toelichting op het middel leid ik af dat daar waar de stellers van het middel spreken over ‘een ander’ wordt bedoeld de getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ). Over die [getuige 1] heeft het hof – in het kader van de motivering van de vrijspraak van het onder 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde opzettelijk telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van hennep – overwogen dat zijn betrokkenheid bij het impliciet primair tenlastegelegde niet kan worden uitgesloten. Het hof heeft zich in het bestreden arrest niet uitgesproken over (de juistheid van) verdachtes verklaring – en, in de woorden van de stellers van het middel, dus ook niet de mogelijkheid uitgesloten – dat de verdachte zowel het gedeelte van de loods waarin de hennep is aangetroffen als ook de benedenwoning waarin de kwekerij is aangetroffen, aan die [getuige 1] had verhuurd. Anders dan de stellers van het middel betogen, staat die laatste omstandigheid er niet aan in de weg dat het hof heeft geoordeeld en ook heeft kunnen oordelen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van hennep. Immers, zoals reeds volgt uit het hiervoor onder randnrs. 3.4 en 3.5 weergegeven juridisch kader is niet vereist dat de hennep aan de verdachte heeft toebehoort. Voldoende is dat de hennep zich in de machtssfeer van de verdachte bevond en de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid daarvan. Dat blijkt genoegzaam uit de bewijsvoering van het hof, zodat het middel in zoverre faalt.
3.9
Voor zover de stellers van het middel met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde nog betogen dat het oordeel van het hof, “inhoudende dat verdachte feitelijke macht over de hennepplanten kon uitoefenen omdat in de loods, waartoe hij toegang had, een sleutel lag waarmee de benedenwoning kon worden geopend” onbegrijpelijk is, merk ik het volgende op. Anders dan de stellers van het middel beweren heeft het hof zijn oordeel dat de genoemde hennepplanten zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden, niet uitsluitend gebaseerd op de omstandigheid dat de verdachte – omdat hij toegang had tot de loods – over een sleutel van de benedenwoning kon beschikken. Bij dat oordeel heeft het hof ook de omstandigheid betrokken dat uit de situatie ter plaatse is gebleken dat de drie panden (te weten: de loods, de benedenwoning en de bovenwoning van de verdachte) bij elkaar hoorden. Uit dit samenstel van omstandigheden heeft het hof mijn inziens begrijpelijk kunnen afleiden dat de verdachte feitelijke macht kon uitoefenen over de in de benedenwoning aangetroffen hennepplanten, zodat het middel in zoverre eveneens faalt.
3.10
Aan de toereikendheid van de bewijsvoering van het onder 2 bewezenverklaarde doet evenmin af dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden niet volgt dat de verdachte in de benedenwoning is geweest. Voor zover de stellers van het middel ervan uitgaan dat voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten is vereist dat wordt vastgesteld dat de verdacht op één of meer momenten in de ruimte waarin de hennepplanten zijn aangetroffen heeft verkeerd, is dat een eis die geen steun vindt in het recht.
3.11
De stellers van het middel klagen verder nog over de overweging van het hof dat de bedrijvigheid die gepaard moet zijn gegaan met het opzetten van de hennepkwekerij en het geluid van de afzuiginstallatie8.de verdachte niet kunnen zijn ontgaan. Deze overweging zou tekortschieten voor het bewijs van de wetenschap van de aanwezigheid van de hennepplanten in de benedenwoning, omdat uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet zou blijken dat de afzuiginstallatie ook vanuit de bovenwoning van verdachte hoorbaar was, noch dat de verdachte vanuit zijn woning (continu) zicht had op wat er in de benedenwoning en de loods gebeurde en evenmin dat de verdachte (vaak) thuis was op momenten dat de bedrijvigheid plaatsvond. Dat moge zo zijn, maar de vraag is niet of het hof nog meer had moeten vaststellen, maar of hetgeen het hof wel heeft vastgesteld en overwogen zijn oordeel dat de verdachte van de aanwezigheid van de hennepplanten in de benedenwoning moet hebben geweten, al dan niet kan dragen. Ik wijs er in dit verband nogmaals op dat het hof heeft vastgesteld dat de drie panden bij elkaar hoorden, dat de benedenwoning feitelijk alleen toegankelijk was via de achterdeur, die op haar beurt enkel bereikbaar was via de (gezamenlijke) binnenplaats waartoe de verdachte toegang had vanuit de loods en vanuit zijn bovenwoning. Mede gelet op die situatie ter plaatse acht ik de feitelijke vaststelling van het hof dat de bedrijvigheid en het waargenomen geluid de verdachte niet kunnen zijn ontgaan, als ook – in onderling verband en samenhang bezien – het daarop gebaseerde oordeel dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van de aanwezigheid van de hennepplanten in de benedenwoning, niet onbegrijpelijk. Het middel faalt in zoverre eveneens.
3.12
Al met al acht ik, gelet op al het voorgaande, het oordeel van het hof dat de verdachte zowel 14.287 gram hennep (feit 1) als 604 hennepplanten (feit 2) opzettelijk aanwezig heeft gehad, in die zin dat die verdovende middelen zich in zijn machtssfeer hebben bevonden en hij van de aanwezigheid daarvan ook wetenschap heeft gehad, niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk. Ook is het hof met de hiervoor onder 2.4 geciteerde bewijsoverwegingen voldoende gemotiveerd afgeweken van het ter zitting door de raadsman van de verdachte ingenomen en uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte geen wetenschap zou hebben gehad van de hennep en deze hennep zich ook niet in zijn machtssfeer zou hebben bevonden. De daarop betrekking hebbende klacht faalt eveneens.
3.13
Voor zover de stellers van het middel zich op het standpunt stellen dat het hof niet heeft overwogen dat en waarom verdachte wetenschap en feitelijke macht had van/over de hennep, maar slechts heeft overwogen “dat ‘niet aannemelijk’ is dat verdachte geen wetenschap had”, merk ik op dat dit standpunt berust op een verkeerde lezing van het arrest. Uit hetgeen hiervoor onder de randnummers 3.6 en 3.7 is besproken, volgt dat het hof in zijn arrest wel degelijk heeft onderbouwd waarom het van oordeel is dat de verdachte feitelijke macht had over en wetenschap had van de hennep in de loods en in de benedenwoning. Dat het hof in dit verband ‘slechts’ zou hebben overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de hennep, berust minst genomen op een verkeerde lezing van het arrest.
3.14
Dan de klacht over de vermeende schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Voor zover de stellers van het middel zich op het standpunt hebben gesteld dat de bewezenverklaring van zowel feit 1 als feit 2 zich – vanwege het niet kunnen horen van de [getuige 1]9.– niet verdraagt met dat in art. 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces, dan wel dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat van een dergelijke schending geen sprake is, faalt het middel.
3.15
Zoals reeds uit het voorgaande blijkt, heeft het hof de verdachte vrijgesproken van – kort gezegd – het opzettelijk telen van hennep, aan welk oordeel het hof in het bijzonder ten grondslag heeft gelegd dat de betrokkenheid van [getuige 1] niet kan worden uitgesloten. De eventuele betrokkenheid van [getuige 1] bij het telen heeft het hof kennelijk – en niet onbegrijpelijk – niet van belang geacht voor de beantwoording van de vraag of het subsidiair ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben van hennep bewezen kan worden verklaard. Voor een veroordeling van dat feit is immers voldoende dat wordt vastgesteld dat de hennep zich in de machtssfeer van de verdachte heeft bevonden en hij ook wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid daarvan. Uit het voorafgaande blijkt dat een en ander genoegzaam uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid. Nu de eventuele betrokkenheid van [getuige 1] er, wat betreft de bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep, niet toe doet, zie ik niet in hoe het niet nogmaals kunnen horen van die [getuige 1] maakt dat sprake zou zijn van schending van het recht op een eerlijk proces. Het kennelijke oordeel van het hof dat van een dergelijke schending geen sprake is geweest, acht ik niet onbegrijpelijk. Evenmin zie ik in waarom het hof dat oordeel verder had moeten motiveren.
3.16
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. Het tweede middel
4.1
Het tweede middel heeft betrekking op het witwasfeit (feit 6). Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte – kort gezegd: dat de in de tenlastelegging genoemde auto’s een schenking zijn van zijn [oom verdachte] dan wel met geld van die oom zijn betaald – niet aannemelijk is, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, “nu het hof eveneens heeft vastgesteld dat – in ieder geval – de Mercedes-Benz contant is aangekocht, zodat de omstandigheid dat [oom verdachte] op zijn bankrekening niet voldoende middelen had om dergelijke aankopen te doen, niet redengevend is voor de beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat hij de voertuigen heeft betaald”.
4.2
4.3
Het hof heeft in zijn bewijsoverweging ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit het beoordelingskader uit HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298, m.nt. N. Rozemond, toegepast. Dat kader ziet op gevallen waarin op grond van de bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband kan worden gelegd met een bepaald misdrijf, maar waarin toch kan worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dat een voorwerp uit misdrijf afkomstig is. Met toepassing van dit kader komt het hof tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde witwassen.
4.4
Door de stellers van het middel wordt niet geklaagd over een onjuiste toepassing van dit beoordelingskader. Het middel behelst – als gezegd – in de eerste plaats uitsluitend de klacht dat het hof aan zijn oordeel dat de verklaring van de verdachte over het geld waarmee de auto’s zijn aangekocht niet aannemelijk is, een niet redengevende omstandigheid ten grondslag heeft gelegd. Mijn inziens faalt deze klacht. Ik licht dat toe.
4.5
Het hof is – op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden – tot het oordeel gekomen dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat de twee in de tenlastelegging genoemde personenauto’s eigendom zijn van de verdachte en dat die voertuigen middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het hof is voorbijgegaan aan de verklaring van de verdachte dat de beide voertuigen betaald zijn met (A-G: ik begrijp: legaal) geld van zijn oom. Die verklaring heeft het hof niet aannemelijk geacht, omdat uit bankgegevens van verdachtes oom blijkt dat hij niet de financiële middelen had om dergelijke voertuigen aan te schaffen. Dat, zoals het hof heeft vastgesteld, één van de voertuigen (te weten: de Mercedes-Benz) met contant geld is betaald, betekent – anders dan de stellers van het middel betogen – niet dat het hof zich bij zijn oordeel over de aannemelijkheid van verdachtes verklaring niet op die bankgegevens heeft kunnen baseren. Die gegevens bieden immers inzicht in de beperkte financiële positie van verdachtes oom. Dat het hof, op grond van die gegevens, tot het oordeel is gekomen dat verdachtes verklaring dat beide voertuigen een schenking zijn van zijn oom dan wel zijn betaald door zijn oom niet aannemelijk is, acht ik niet onbegrijpelijk.
4.6
Door de stellers van het middel wordt verder nog onder de aandacht gebracht dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft betoogd dat doordat het horen van [oom verdachte] niet mogelijk was, “een eventuele bewezenverklaring van het ten laste gelegde witwassen op gespannen voet zou staan met artikel 6 EVRM, maar het hof (…) niettemin – zonder nadere motivering – tot een bewezenverklaring (is) gekomen, waardoor artikel 6 EVRM is geschonden”.
4.7
Uit de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota maak ik op dat de verdediging [oom verdachte] heeft willen horen ter onderbouwing van de stelling dat de in de tenlastelegging omschreven voertuigen zijn eigendom zijn. Het ontbreken van die ondervragingsmogelijkheid zou, zo begrijp ik het in feitelijke aanleg gehouden betoog, ertoe moeten leiden dat de verdachte, “om schending van art. 6 EVRM te voorkomen”, moet worden vrijgesproken van het witwassen, op de grond dat “het scenario van cliënt niet kan worden uitgesloten”.
4.8
Het hof is voorbij gegaan aan dit tot vrijspraak strekkende betoog van de verdediging en heeft, als gezegd, bewezen geacht dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van twee personenauto’s. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat het hof (onder meer) heeft vastgesteld dat i) de verdachte degene was die beide voertuigen op de pleegdatum onder zich had, ii) in zijn loods brieven zijn aangetroffen die betrekking hebben op één van de voertuigen en tot slot iii) de verdachte degene is geweest die beide voertuigen heeft gekocht. Aan die vaststellingen heeft het hof de niet onbegrijpelijke conclusie verbonden dat beide voertuigen verdachtes eigendom waren. Dat het hof tegen die achtergrond kennelijk van oordeel is geweest dat het niet horen van [oom verdachte] niet van enige betekenis is voor de bewijsvoering van het tenlastegelegde witwassen, en dat daarmee dus ook van een schending van art. 6 EVRM geen sprake is, acht ik niet onbegrijpelijk. Evenmin zie ik in waarom het hof dat oordeel verder had moeten motiveren.
4.9
Kortom, het middel faalt eveneens voor zover de stellers daarvan zich op het standpunt hebben gesteld dat de bewezenverklaring zich niet verdraagt met het in art. 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces, dan wel dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat van een dergelijke schending geen sprake is.
5. Slotsom
5.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑02‑2026
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.8.1; HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072, rov. 2.3; HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.3.
15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359.
HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945, NJ 2022/95, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.3.2 en HR 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:225, rov. 2.3.
HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903, NJ 1985/822, m.nt. Th. W. van Veen, rov. 6.2.
HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985, NJ 1981/15, rov. 5.
N. Seijlhouwer-de Visser, ‘De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand’, NTS 2020/109, nr. 5, p. 354 - 355.
In de cassatieschriftuur wordt consequent gesproken over afzuiginstallatie. Het hof spreekt steeds over aanzuiginstallatie. Kennelijk doelen zij op hetzelfde. In het onder 1. voor het bewijs gebruikte proces-verbaal van de politie wordt gesproken over “af en aanzuiginstallaties”.
Een blik over de papieren muur leert dat – anders dan de stellers van het middel doen voorkomen – [getuige 1] wel degelijk, te weten op 17 januari 2019 door de rechter-commissaris, als getuige is gehoord. De voormalig raadsman van de verdachte was bij dat verhoor aanwezig en is toen in de gelegenheid gesteld vragen te stellen. Tot het nogmaals als getuige horen van die [getuige 1] door de raadsheer-commissaris (waartoe het hof niet op verzoek van de verdediging, maar ambtshalve had besloten op de terechtzitting in hoger beroep van 16 september 2022) is het niet gekomen omdat [getuige 1] bleek te zijn overleden.