De geschillenregeling ten gronde
Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.5.4:IV.5.4 (G)een uitspraak
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.5.4
IV.5.4 (G)een uitspraak
Documentgegevens:
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS373755:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam 9 juli 2008, JOR 2008/296 (Darenales/Millennium). Over het vervolg van de procedure is niets bekend.
De rechtbank overweegt in ro. 4.4 dat: `(...) onvoldoende aannemelijk is geworden dat Millennium haar stemrecht zal op een zodanige wijze dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat zij dat blijft doen'.
Zie ook Bulten (2005), p. 45.
Zie over ark 2:339 lid 2 BW en de verhouding met art. 223 Rv uitgebreid § VI.3.6.d.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ingevolge art. 2:342 lid 2 jo. 2:339 lid 2 BW kunnen de eisende aandeelhouders vorderen dat het stemrecht van de gedaagde pandhouder of vruchtgebruiker wordt geschorst. De rechter wijst deze vordering pas toe bij het vonnis waarbij de hoofdvordering wordt toegewezen. Vanaf de dagvaarding tot de uitspraak behoudt de stemgerechtigde pandhouder of vruchtgebruiker dus het stemrecht en kan hij het belang van de vennootschap blijven schaden. Om hem de pas af te snijden, is een incidentele provisionele vordering ex art. 223 Rv een alternatief. Eenmaal is geprobeerd in een vroeg stadium van de procedure zo alvast de schorsing van het stemrecht te bewerkstelligen.1
Het betrof in de zaak Darenales/Millennium een stemgerechtigde pandhouder. De grootaandeelhouder van Larmag Holding BV (Darenales) kreeg een lening van Millennium. Tot zekerheid bedong Millennium een pandrecht op 80% van de aandelen. Darenales betaalde de lening niet (op tijd) terug, met het gevolg dat pandhouder Millennium het stemrecht op de aandelen verkreeg (zie art. 2:198 lid 3 BW). Millennium was van plan het pandrecht uit te winnen en de aandelen van de hand te doen, maar had hiervoor conform de statutaire blokkeringsregeling de goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering nodig. Door het verkregen stemrecht was deze vereiste goedkeuring een formaliteit. Darenales vorderde in de hoofdzaak ex art. 2:342 BW de gedwongen overgang van stemrecht, omdat de vennootschap Larmag met het uitwinnen van het pandrecht in moeilijkheden zou geraken. Bij een verkoop van de aandelen zou de bank onmiddellijk de aan de (klein)dochters van Larmag verstrekte lening opeisen en was een faillissement waarschijnlijk het resultaat. Om de plannen van Millennium alvast te dwarsbomen, stelde Darenales eveneens een incidentele provisionele vordering ex art. 223 Rv in. Zij vorderde de schorsing van het stemrecht, ten einde de vereiste goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering te blokkeren. Het moment van art. 2:342 lid 2 jo. 2:339 lid 2 BW wilde Darenales niet afwachten.
De rechtbank wees de vordering in het incident af. De pandhouder had een gerechtvaardigd belang om tot uitwinning van het pandrecht over te gaan. Daarbij was onzeker of de door de eisende aandeelhouder geschetste omstandigheden zich ook daadwerkelijk zouden voordoen.2 Tot een uitspraak op grond van art. 2:342 BW kwam het niet. In zoverre is er dus nog steeds sprake van een 'dode letter'.3
Deze zaak illustreert dat het ongelukkig is dat de geschillenregeling eerst in zo'n laat stadium voorziet in de schorsing van het stemrecht. De stemgerechtigde pandhouder met een stemmeerderheid in de aandeelhoudersvergadering kan tot aan het moment van de uitspraak gewoon zijn gang gaan. De aldus tot stand gekomen besluiten kunnen worden vernietigd met behulp van art. 2:15 BW, maar dit kan leiden tot een hausse aan procedures waar niemand op zit te wachten. Een provisionele vordering ex art. 223 Rv is een mogelijkheid om een tijdelijke doch snelle oplossing te verkrijgen.4