Bundeling van omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/4.5.2.2:4.5.2.2 Verdedigbaarheid wetssystematische tekorten
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/4.5.2.2
4.5.2.2 Verdedigbaarheid wetssystematische tekorten
Documentgegevens:
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS358578:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Michiels c.s. merken ook op dat de Wabo voortdurend in samenhang met andere omgevingsrechtelijke wetten en de Awb moet worden gelezen waardoor de te boeken dereguleringswinst in dat opzicht gering is (Michiels/Nijmeijer & Van der Velden, Het wetsvoorstel Wabo2007, p. 141).
Drupsteen, Interview 2012, bijl. 5.8, par. 3.4.
Rademaker, Interview 2011, bijl. 5.2, par. 5.1.
Rademaker, Interview 2011, bijl. 5.2, par. 5.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Toch acht ik de gesignaleerde interne en externe wetssystematische tekorten op zichzelf wel verdedigbaar. Mij dunkt dat de uniformiteit van het bestuursrecht is gediend met het opnemen van uniforme regels inzake voorbereidingsprocedures in de Awb. Voorts hoeft de gebruiker van de Wabo niet zelf uit te zoeken in hoeverre bij de reguliere en de uitgebreide voorbereidingsprocedure sprake is van gelijke regels.
De gesignaleerde wetssystematische tekorten betekenen echter een aanzienlijk verlies aan kenbaarheid.1 Dat is het gevolg van het feit, dat van de gebruiker van het recht een specialistische juridische voorkennis wordt vereist, aangezien hij door de bepalingen in de paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 Wabo niet attent wordt gemaakt op het drievoudig gebruik van het typisch juridisch ordeningscriterium algemeen-bijzonder. Wie de algemene bepalingen in paragraaf 3.1 Wabo leest, wordt door de wetgever niet op het spoor gezet van de bijzondere bepalingen in de paragrafen 3.2 en 3.3 Wabo; en vice versa. Wie de ten opzichte van de Awb bijzondere bepalingen in paragraaf 3.2 Wabo leest, wordt door de wetgever niet op het spoor gezet van de algemene bepalingen in hoofdstuk 4 Awb; en vice versa.
De wetgever zou de kenbaarheid van de regels inzake de totstandkoming van een beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning aanzienlijk kunnen verbeteren door in de Wabo een leeswijzer op te nemen waarmee de gebruiker wel op het spoor wordt gezet van de geldende algemene en bijzondere bepalingen. Zo'n leeswijzer zou er als volgt uit kunnen zien.
Artikel x. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning zijn de volgende bepalingen van toepassing: a. de algemene bepalingen over besluiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Awb;
b. de bijzondere bepalingen over beschikkingen als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Awb;
c. de algemene bepalingen over de totstandkoming van de beschikking op aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in paragraaf 3.1 van de Wabo;
d. de bijzondere bepalingen over de totstandkoming van de beschikking op aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Wabo als de beschikking moet worden voorbereid volgens de reguliere procedure dan wel paragraaf 3.3 van de Wabo als de beschikking moet worden voorbereid volgens de uitgebreide procedure.
Ten slotte merk ik nog op dat de hiervoor geschetste wetssystematische tekorten het gevolg zijn van het feit dat de wetgever twee voorbereidingsprocedures in het leven heeft geroepen en de regels daarvoor heeft verdeeld over nog meer wetssystemen. De vraag is of het noodzakelijk is voor de omgevingsvergunning twee voorbereidingsprocedures te hebben en zo ja, of die dan moeten worden geregeld in meer wetssystemen. Drupsteen merkt in verband met de twee voorbereidingsprocedures op: "Daaraan zijn we gewend en we ervaren dat ook niet als gek. Het is echter wel gek dat een omgevingsvergunning voor activiteiten de ene keer de ene en de andere keer de andere procedure moet volgen. Daar zou de wetgever een keus moeten maken."2 Ook Rademaker stelt zich de vraag of twee voorbereidingsprocedures wel noodzakelijk zijn.3 Mij lijkt dat de hiervoor besproken wetssystematische tekorten niet zouden bestaan als de wetgever voor de omgevingsvergunning kiest voor één voorbereidingsprocedure en die geheel regelt in het wetssysteem van de Awb. Met Rademaker ben ik het eens dat de wetgever daarover bij de Omgevingswet nog maar eens goed moet nadenken.4 Overigens wil ik daarbij niet op de uitkomst vooruitlopen. Er kunnen immers goede redenen zijn om, afhankelijk van de gevolgen van een project voor de fysieke leefomgeving, een lichtere of een zwaardere procedure te gebruiken. Daarbij kan ook een rol spelen of die gevolgen relatief veel personen kunnen raken, dan wel betrekking hebben op één of een beperkt aantal personen.