Deze zaak hangt samen met nr. 14/05995 ([medeverdachte]) waarin ik ook vandaag concludeer.
HR, 03-11-2015, nr. 15/01324
ECLI:NL:HR:2015:3202
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-11-2015
- Zaaknummer
15/01324
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:3202, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑11‑2015; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2124, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2014:3759, Niet ontvankelijk
ECLI:NL:PHR:2015:2124, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑09‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3202, Gevolgd
- Wetingang
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2015-0487
NbSr 2015/272
Uitspraak 03‑11‑2015
Inhoudsindicatie
n-o beroep. Geen schriftuur.
Partij(en)
3 november 2015
Strafkamer
nr. S 15/01324
EC/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 25 november 2014, nummer 22/002593-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2015.
Conclusie 08‑09‑2015
Inhoudsindicatie
n-o beroep. Geen schriftuur.
Nr. 15/01324
Mr. Machielse
Zitting 8 september 2015
Conclusie inzake:
[verdachte] 1.
1.Op 25 november 2014 heeft het Gerechtshof Den Haag verdachte voor 4: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen. Op 13 april 2015 heeft aanzegging als bedoeld in artikel 435 lid 1 Sv plaatsgevonden. Tot op heden is geen schriftuur, houdende middelen van cassatie, door een advocaat ingediend.
3. Nu niet is voldaan aan het vereiste van het tweede lid van artikel 437 Sv kan het cassatieberoep niet worden ontvangen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑09‑2015