Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/9.2.3
9.2.3 Het definiëren van rechtsobjecten
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301684:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Nederlandse juristen zullen vaak het woord ‘goed’ gebruiken om het rechtsobject aan te duiden. Dat is correct, maar ook verwarrend; een goed kan namelijk niet alleen een rechtsobject zijn, maar ook het recht dat ‘op’ dat rechtsobject rust. Zie paragraaf 1.5.4 en meer uitgebreid randnummer 409. Soortgelijke problemen bestaan bij het gebruik van het woord ‘zaak’ bij fysieke rechtsobjecten; zie paragraaf 1.5.5.
Zie bijvoorbeeld Wichers 2002, p. 68; de Jong 2006, p. 111.
Tweehuysen 2016, p. 23–24 (voetnoten uit het origineel verwijderd). Het citaat van Ploeger is te vinden in Ploeger 1997, para. 10. Andere auteurs die betogen dat rechtsobjecten en de rechten daarop juridische constructies zijn, zijn onder meer Rank-Berenschot 1992, p. 310; Fesevur 2005, p. 5; Biemans 2007, p. 273; Apers 2016, p. 3.
Een uitzondering vormt Vonck 2016, die in het kader van het vestigen van erfpacht- en opstalrechten bespreekt dat het recht het nut die in rechtsobjecten besloten ligt moet beschermen door ze in courante eenheden in te delen. Aansluiting zou ook kunnen worden gezocht bij het leerstuk van de deelbare en ondeelbare zaken, dat onder het oude recht onderscheid maakte tussen zaken die al dan niet zonder significante waardevermindering konden worden opgesplitst; zie Asser/Scholten 1945, p. 29.
Van der Steur 2003, p. 142. Bij de uitwerking van het begrip individualiteit lijkt zij in een cirkelredenering terecht te komen; een object heeft volgens haar voldoende individualiteit indien het eigenschappen heeft die we aan een (individueel) rechtsobject toekennen: de vatbaarheid voor exclusieve heerschappij en revindicatie.
381. In zowel de opvatting dat een goederenrechtelijk recht als een recht ‘op’ een rechtsobject moet worden gezien, als de opvatting dat een goederenrechtelijk recht een verzameling van juridische posities ten aanzien van een rechtsobject is, is het nodig om het begrip ‘rechtsobject’ te definiëren.1 Vanwege het feit dat in de Nederlandse rechtsliteratuur een goederenrechtelijk recht van oudsher als de band tussen een persoon en een rechtsobject wordt opgevat, is over het rechtsobject veel geschreven. Een parallel die getrokken kan worden met de (Anglo-) Amerikaanse literatuur is dat wordt ingezien dat het nodig is om éérst een rechtsobject te definiëren, alvorens kan worden bepaald welk subjectief recht op dat rechtsobject ziet.2 In ieder geval één notie lijkt in de Nederlandse literatuur beter ontwikkeld te zijn dan in de (Anglo-) Amerikaanse literatuur: het feit dat een rechtsobject als zodanig niet in de natuur bestaat, maar een juridische constructie is die de mens helpt om de hem beschikbare schaarse middelen toe te delen (zie randnummer 180). Tweehuysen zegt daarover:
“Rechten hebben geen bestaan buiten onszelf, buiten de mens. Hun ‘objecten’ daarom ook niet. Zoals de goederenrechtelijke rechten slechts een juridisch construct zijn, zijn hun objecten dat ook. Zelfs een zaak, een stoffelijk voorwerp, is geen rechtsobject totdat de mens het tot object maakt. Zoals Ploeger het omschrijft: “Zonder mens bestaan er geen zaken, slechts materie. Het is de menselijke geest die deze materie onderscheidt in zaken.” Ook de eigendomsrechten op zaken bestaan slechts bij de gratie van de mens. Bij onroerende zaken blijkt dit duidelijk: pas als we een stuk van het aardoppervlak aanwijzen en er een eigendomsrecht aan toekennen wordt dat deel van de aarde een rechtsobject. Tot die tijd was er geen object binnen het aardoppervlak aan te wijzen. Bij roerende zaken is dat in wezen niet anders: door regels van bestanddeelvorming, natrekking, vermenging en zaaksvorming wordt duidelijk wat het juridisch relevante object is. Het object is ‘datgene waar het vermogensrecht de rechthebbende recht op geeft’ en het spreken van een recht ‘op’ een object slechts een handige abstractie om de juridische verhoudingen mee samen te vatten.”3
382. Bij het definiëren of aanvullen van het object van een goederenrechtelijk recht staan de Nederlandse jurist dus meerdere rechtsfiguren ter hand die kunnen worden ingezet om tot een optimale(re) bundeling van schaarse middelen te komen. Ik bespreek dit verder in deel II van het boek, meer specifiek in hoofdstuk 11. Voor nu merk ik alvast op dat het bestaan van deze verschillende instrumenten er niet of nauwelijks toe heeft geleid dat er ook is geprobeerd aan theorievorming te doen over wat de optimale ‘omvang’ van een rechtsobject is.4 Theoretisch gezien is de denkrichting die het dichtst bij de in de voorgaande hoofdstukken uiteengezette opvattingen in de buurt komt, de opvatting dat een rechtsobject bestaat uit de schaarse middelen die samen voldoende ‘individualiteit’ hebben, zodat het mogelijk is voor buitenstaanders om het rechtsobject als zodanig te kunnen herkennen en zich te onthouden van inbreuk.5 Daarmee wordt aangesloten bij de transactiekosten die het rechtsobject aan derden oplegt; het bevorderen van maatschappelijke welvaart komt niet aan de orde (zie daarover in algemene zin paragraaf 4.3).