HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083 en HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526
Rb. Den Haag, 13-11-2025, nr. AWB - 24 , 2770
ECLI:NL:RBDHA:2025:22439
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
13-11-2025
- Zaaknummer
AWB - 24 _ 2770
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2025:22439, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 13‑11‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026022308
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/213
NLF 2026/0382
FutD 2026-0359
Uitspraak 13‑11‑2025
Inhoudsindicatie
IB/PVV - Nu de rechtbank aannemelijk acht dat, anders dan eiser(es) stelt, de rc-vordering van de Holding BV op eiser heeft bestaan tot het moment van kwijtschelding, heeft eiser(es) een regulier voordeel genoten en is vermogen van Holding BV op eiser(es) overgegaan ter grootte van de kwijtgescholden rc-schuld. Verweerder heeft terecht de helft hiervan in box 2 als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang bij eiser(es) in aanmerking genomen bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV.
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/2770
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser(gemachtigde: mr. R.J. de Jong),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,
en
de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 30 januari 2024 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) verhoogd met een vergrijpboete en in rekening gebrachte belastingrente.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en diens kantoorgenoten mr. M.N.H. Hintzen en [naam 1], alsmede door zijn zuster [naam 2] en door zijn broer [naam 3]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1], [medewerker belastingdienst 2] LLM MSc en [medewerker belastingdienst 3] MSc.
De zaak van eiser is gelijktijdig behandeld met de zaken van zijn echtgenote [naam 4] (SGR 24/2788), van zijn zuster [naam 2] (SGR 24/2794) en haar echtgenoot [naam 5] (SGR 24/2755), van zijn broer [naam 3] (SGR 24/2776) en diens echtgenote [naam 6] (SGR 24/2780), van wijlen zijn vader [naam 7] (SGR 24/2783), en van zijn moeder [naam 8] (SGR 24/2766).
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep ongegrond;
- -
vermindert de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 15.706;
- -
vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;
- -
veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 341,87;
- -
veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 33,13;
- -
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 115,36;
- -
veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 115,36;
- -
draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 25,50 aan hem te vergoeden;
- -
draagt de Staat op het door eiser betaalde griffierecht van € 25,50 aan hem
te vergoeden.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1972 en is sinds [datum] 1997 gehuwd met mevrouw [naam 4].
2. Sinds 31 maart 2008 hield eiser 100 % van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] BV (Holding BV). Holding BV hield 4% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. Eiser hield daarnaast vanaf 19 november 2002 20% van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V., die op haar beurt 80% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. in bezit had. Eisers broer ([naam 3]) en zus hielden in dezelfde mate als eiser via persoonlijke houdstervennootschappen en via rechtstreekse belangen in [bedrijfsnaam 3] B.V., middellijk aandelenbelangen in [bedrijfsnaam 2] B.V. In [bedrijfsnaam 2] B.V. werd een rijschool gedreven, naar de rechtbank begrijpt door wijlen eisers vader en wijlen broer [naam 9].
3. In de aangiften vennootschapsbelasting (VPB) van Holding BV voor de jaren 2010 tot en met 2014 zijn onder de post “649 Vorderingen” onder “Vorderingen particip./mijen waarin deelgenomen” bedragen vermeld van respectievelijk € 130.553, € 168.623, € 228.965, € 259.452, € 276.691 en € 288.256. Partijen verstaan deze bedragen als een op de balans van Holding BV geboekte rekening-courant vordering (rc-vordering) op eiser.
4. In de aangiften IB/PVV voor de jaren 2013 en 2014, heeft eiser onder de post “30 schulden” voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen, een rekening-courantschuld (rc-schuld) aan Holding BV aangegeven van respectievelijk € 259.452 en € 276.691 met daarbij als saldo vermeld € 288.256.
5. Tot 30 november 2015 was eiser enig bestuurder van Holding BV. Op die datum is hij afgetreden als bestuurder en is Stichting [stichting 1] aangetreden als bestuurder. Gelijktijdig met deze bestuurswisseling is de leiding van Holding BV verplaatst naar [adres 1] te [plaats 1].
6. Op 25 mei 2016 is eiser met Holding BV een vaststellingsovereenkomst overgekomen waarin voor zover van belang, het volgende is vermeld:
“** na de bestuurswisseling en adreswisseling de nieuwe bestuurder de ontvangen administratie heeft gecontroleerd.
** na voornoemde controle nader uitvoerig onderzoek noodzakelijk bleek op het punt van de Rekening-Courant schuld van de vorige bestuurder in privé, welke als zodanig op de balans van de BV staat vermeld.
** bij het nadere onderzoek naar deze Rekening-Courant schuld in privé aan de BV ongegrond is gebleken en aldus niet bestaat.
** de administratie van de [bedrijfsnaam 1] BV aangepast dient te worden.
(…)
Komen overeen dat;
1. de Rekening-Courant schuld welke thans op de balans van [bedrijfsnaam 1] BV als een vordering op de heer [naam 10] in privé staat, na nader onderzoek vanwege de huidige bestuurder, als niet correct dient te worden aangemerkt.
2. de vordering groot € 314.136,58 bestempeld als privé schuld van de heer [naam 10] aan zijn voormalige holding per heden als foutief aangemerkt moet worden.
3. de Rekening-Courant schuld, onder 2 hierboven vermeld, van de heer [naam 10] in zijn geheel, vanwege de reden beschreven onder 1 hierboven, wordt kwijtgescholden.
4. de balans van de [bedrijfsnaam 1] BV zal worden aangepast.
5. beide partijen over en weer thans niets meer van elkaar te vorderen hebben.”
7. Per 30 augustus 2016 is de leiding van Holding BV verplaatst naar [adres 2], [plaats 2] te [land].
8. Op 21 oktober 2016 heeft wederom een bestuurswisseling bij Holding BV plaatsgevonden, waarbij Stichting [stichting 1] is afgetreden als bestuurder en Stichting [stichting 2] is aangetreden als nieuwe bestuurder.
9. Holding BV is ontbonden op 21 december 2016.
10. Op 29 september 2017 heeft eiser een aangifte IB/PVV 2016 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 77.404, bestaande uit:
Loon [bedrijfsnaam 4] BV € 107.482
Inkomsten uit eigen woning € -28.990
Aftrek giften € - 1.088
Totaal € 77.404
De rechtbank verstaat dat de rijschool van [bedrijfsnaam 2] B.V. op enig moment is voortgezet in [bedrijfsnaam 4] B.V.
11. Naar aanleiding van de ingediende aangifte IB/PVV 2016 heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rekening-courantverhouding tussen eiser en Holding BV.
12. Bij brief van 11 augustus 2020 is een voornemen tot afwijken van de ingediende aangifte IB/PVV 2016 en een kennisgeving van de vergrijpboete verzonden naar eiser.
13. Op 7 oktober 2020 heeft een gesprek tussen verweerder en eiser plaatsgevonden waarvan een verslag is opgemaakt.
14. Met dagtekening 6 november 2020 is de definitieve aanslag IB/PVV 2016 vastgesteld naar een verzamelinkomen tot € 234.472, waarbij als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang de helft, te weten € 157.068, van de kwijtgescholden rc-schuld in aanmerking is genomen (de andere helft is bij de fiscale partner van eiser (zaaknummer SGR 24/2788) in aanmerking genomen). Daarnaast is een vergrijpboete van 50%, zijnde € 19.633 opgelegd en is € 5.053 aan belastingrente in rekening gebracht.
15. Nadat eiser op 4 augustus 2023 verweerder heeft laten weten af te zien van het recht om te worden gehoord, heeft verweerder op 30 januari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan waarbij de aanslag IB/PVV 2016 en de vergrijpboete zijn gehandhaafd.
16. In geschil is de hoogte van de aanslag. Meer in het bijzonder is in geschil of door de kwijtschelding van de rc-schuld, eiser een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Tevens is de vergrijpboete in geschil.
17. Eiser heeft gesteld dat de rc-vordering zoals ook is vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst, nooit heeft bestaan, zodat er geen regulier voordeel kan zijn genoten uit aanmerkelijk belang. Immers, zo stelt eiser, heeft hij nooit geld opgenomen van de vennootschap. Eiser wijst daartoe op de aan verweerder overlegde bankafschriften. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel en geen oog heeft gehad voor de menselijke maat. Voorts acht eiser deze heffing over fictief inkomen in strijd met het ongestoorde recht op eigendom, en vormt deze voor hem een individuele en buitensporige last.
Dit heeft ook als gevolg dat er geen enkele grond is om een boete op te leggen. Degenen die eiser gevraagd hadden om met een persoonlijke houdstervennootschap deel te nemen in de autorijschool en daartoe alle administratie bijhield, waren eisers vader en zijn broer [naam 9], die beiden zijn overleden. Eiser is zelf nooit betrokken geweest bij de administratie van de rijschool en van Holding BV. Omdat [bedrijfsnaam 2] in de loop der tijd een slechte reputatie had opgebouwd, was een nieuwe (door)start van de rijschool nodig. Vanwege die doorstart waren volgens eiser ook de bestuurswisselingen van Holding BV nodig. De persoon van de nieuwe bestuurder, [naam 11], heeft eiser nooit ontmoet.
18. Verweerder betwist de stelling van eiser dat er nooit een rc-vordering op eiser heeft bestaan, aangezien in de ingediende aangiften VPB voor de jaren 2010 tot en met 2014 een rc-vordering is opgenomen van Holding BV op eiser. Deze vordering loopt in de loop der jaren enkel op; er is niet gebleken van rentebetalingen of aflossingen. Er is daarom gedurende alle jaren geen sprake van een sluimerende post die jaren achtereen lukraak werd opgevoerd; integendeel, de balanspost muteerde jaarlijks. Daarbij blijkt tevens van een corresponderende schuld in eisers aangiften IB/PVV 2013 en 2014. Aangezien het niet bestaan van de rc-schuld slechts berust op een blote stelling van eiser, is de kwijtschelding daarvan volgens verweerder onzakelijk en is deze terecht (voor de helft) als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang bij eiser in aanmerking genomen. Gegeven de omvang van de correctie stelt verweerder dat de vereiste aangifte niet is gedaan.
Daarnaast is volgens verweerder terecht op basis van artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een vergrijpboete van 50% opgelegd aangezien er sprake is van (voorwaardelijk) opzet. De volgorde en samenhang van gebeurtenissen zoals hierboven omschreven tonen overtuigend aan dat eiser zich bewust was van het feit dat hij bevoordeeld werd door het kwijtschelden van de rc-schuld.
Vereiste aangifte
19. Voor de heffing van IB/PVV (hierna: belasting) geldt dat bijvoorbeeld bij het niet aangeven van een bepaald genoten voordeel, slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven.1.
Regulier voordeel uit aanmerkelijk belang
20. Op verweerder rust de bewijslast van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De correctie wordt gevormd door de bijtelling van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang die zijn oorzaak vindt in de kwijtschelding van de rc-schuld van eiser aan Holding BV. Voor die kwijtschelding zijn volgens verweerder geen zakelijke redenen, immers voor Holding BV verdwijnt met de kwijtschelding het belangrijkste activum dat stond tegenover een in omvang vergelijkbare schuld van Holding BV aan groepsvennootschappen. Door deze kwijtschelding is vermogen van Holding BV overgegaan op eiser die zonder daar iets tegenover te stellen werd bevrijd van zijn rc-schuld. De kwijtschelding heeft daarom geleid tot een voordeel voor eiser, in zijn hoedanigheid van aandeelhouder opgekomen als vermomd of verkapt dividend. Voor zijn stelling dat de rc-vordering tot het moment van kwijtschelding jarenlang heeft bestaan, heeft verweerder gewezen op de aangiften VPB van Holding BV voor de jaren 2010 tot en met 2014, op de aangiften IB/PVV ten name van eiser voor de jaren 2013 en 2014, alsmede op de vaststellingsovereenkomst (zie onder 6). Ook heeft verweerder in dit verband erop gewezen dat de aangiften VPB namens eiser steeds door een professioneel accountantskantoor en later administratie/belastingadvieskantoor werden opgesteld en ingediend; gesteld noch gebleken is dat door deze kantoren ooit vraagtekens zijn geplaatst bij de rc-vordering. Ook uit de vaststellingsovereenkomst leidt verweerder af dat de rc-vordering wel degelijk heeft bestaan, aangezien daarin is vermeld dat de schuld uit de vordering wordt kwijtgescholden.
Dat eiser de aangifte IB/PVV 2016 heeft ingediend, door of namens hem de voormelde aangiften VPB zijn ingediend, door hem de vaststellingsovereenkomst is getekend, en hij alle aandelen hield in Holding BV, maakt dat hij zich bewust was van deze bevoordeling.
21. Tegen hetgeen verweerder heeft gesteld en aangevoerd, heeft eiser ingebracht dat nooit sprake is geweest van een rc-schuld aan Holding BV. Dat deze vordering wel meerdere jaren op de balans van Holding BV heeft gestaan en ook was opgenomen als corresponderende schuld in box 3, berust volgens eiser op onjuiste, foute boekingen. Eiser wijst er in eerste instantie op dat wijlen zijn vader en broer [naam 9], verantwoordelijk waren voor de administratie, en eiser daar niets mee te maken had. Ook met de latere gang van zaken zoals de bestuurswisseling, was eiser niet betrokken. Dat sprake was van foute boekingen is vastgesteld door een accountant die was ingeschakeld door [naam 11] namens Stichting [stichting 1], die daarover een rapport had opgemaakt. Eiser heeft er nog op gewezen nooit voordelen uit Holding BV te hebben genoten, hij genoot slechts een loon uit [bedrijfsnaam 2] B.V.
22. Met hetgeen verweerder heeft gesteld en aangevoerd, acht de rechtbank aannemelijk dat de rc-vordering van Holding BV op eiser heeft bestaan tot het moment van kwijtschelding. Tevens acht de rechtbank aannemelijk gemaakt dat vanwege deze kwijtschelding eiser een regulier voordeel heeft genoten en vermogen van Holding BV op eiser is overgegaan ter grootte van de kwijtgescholden rc-schuld. Eiser is daardoor van zijn – na jaren hoog opgelopen – rc-schuld aan Holding BV bevrijd. Aangezien voor de kwijtschelding er geen zakelijke redenen waren, is dat voordeel tot eiser gekomen als een verkapte uitdeling2.. Dat eiser, zijnde 100% aandeelhouder en voormalig bestuurder, zich hiervan bewust was, acht de rechtbank aannemelijk met hetgeen verweerder overigens in dit verband heeft aangevoerd.
Hetgeen eiser daar tegenin heeft gebracht, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser als directeur-aandeelhouder een eigen verantwoordelijkheid had voor de fiscale verplichtingen van Holding BV en die van hemzelf. Dat hij de administratie geheel aan anderen overliet, en deze administratie in 2015 bij de bestuurswisseling geheel uit handen is gegeven aan de nieuwe bestuurder en daarvan niets is terug te vinden, dient voor rekening en risico van eiser te blijven. Dat geldt ook – althans zo begrijpt de rechtbank de verklaring ter zitting van eiser – voor het feit dat [naam 11] en de heer [naam 12], administrateur van de rijschool, niet hebben willen of kunnen verklaren over het vermeende onderzoek naar de rc-vordering of over andere zaken die mogelijk licht zouden kunnen werpen op het ontstaan van de rc-vordering. De rechtbank overweegt voorts dat eiser weliswaar heeft gewezen op door een accountant verricht onderzoek naar de rc-vordering die daarvan een rapport had vervaardigd, maar eiser tevens verklaart de naam van deze accountant, die volgens eiser inmiddels is overleden, niet te kennen en het rapport zelf nooit te hebben gezien. Aangezien ook overigens niets is gebleken omtrent het bestaan van dit onderzoek en rapport, moet de rechtbank constateren dat het – zoals ook verweerder heeft vastgesteld – blijft bij blote stellingen van eiser.
Weliswaar heeft eiser nog aangegeven dat het opzetten van Holding BV ertoe diende dat vader en broer [naam 9] hem deelgenoot wilden maken van de rijschool, maar hoe dat in zijn werk is gegaan, ook daarover heeft eiser niets kunnen mededelen.
De rechtbank overweegt nog dat anders dan eiser lijkt te stellen, voor het aannemen van een verkapt dividend, niet behoeft te worden bewezen dat eiser daadwerkelijk geld heeft opgenomen van rekeningen op naam van Holding BV, nog afgezien van het feit dat verweerder een dergelijke opname niet heeft gesteld en door hem onweersproken is geconstateerd dat er veel hiaten zijn in de overgelegde bankafschriften.
Omkering en verzwaring bewijslast
23. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat verweerder de door hem aangebrachte correctie voor het volledige bedrag aannemelijk heeft gemaakt. Gegeven de omvang van de correctie, in dit geval € 157.068, heeft het niet aangeven van het regulier voordeel uit aanmerkelijk belang ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eiser had zich hier bewust van moeten zijn, in die zin dat hij had behoren te weten dat door het voordeel niet in zijn aangifte op te nemen, een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dit betekent dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan met als gevolg dat de in artikel 27e, eerste lid, AWR voorziene sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast wordt toegepast, inhoudende dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De rechtbank overweegt dat eiser met al hetgeen hij heeft gesteld en aangevoerd niet overtuigend heeft aangetoond dat de uitspraak op bezwaar, onjuist is. Aangezien verweerder voor de correctie is aangesloten bij (de helft) van het bedrag van de kwijtschelding, is geen sprake van een onredelijke of willekeurige bijtelling. Verweerder heeft derhalve terecht de helft van de kwijtgescholden vordering als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in box 2 in aanmerking genomen.
Vergrijpboete
24. Op grond van artikel 67d AWR kan – voor zover hier van belang – een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan opzet van een belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet, hetgeen eiser wordt verweten. Om te kunnen oordelen dat eiser met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld, moet vaststaan (i) dat hij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).3.Voorwaardelijk opzet kan, als bestanddeel van een beboetbaar feit, alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering ‘doen blijken’, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.3
25. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft doen blijken dat er sprake is van voorwaardelijk opzet, aangezien eiser door het niet aangeven van de uitdeling als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, willens en wetens de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat hierdoor te weinig belasting zou worden geheven. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser zelf heeft getekend voor de kwijtschelding ondanks het feit dat uit de evenzeer door hem ingediende aangiften VPB, viel op te maken dat hij daarmee Holding BV zou benadelen door deze vennootschap haar belangrijkste en meest waardevolle activum te ontnemen waardoor Holding BV werd verarmd en eiser werd verrijkt; de activa van Holding BV bestonden in alle jaren uit nauwelijks meer dan de rc-vordering op eiser en daarnaast een deelneming. Dat het bij de rc-vordering inmiddels ging om een na jaren hoogopgelopen bedrag, kon eiser niet zijn ontgaan, aangezien dat bedrag was vermeld in de door hem getekende vaststellingsovereenkomst. Deze feiten en omstandigheden staan naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast. Eiser heeft hier ook niets anders tegen ingebracht dan zijn stelling dat de rc-vordering nooit bestaan zou hebben.
De rechtbank acht de boete – mede in aanmerking genomen dat weliswaar sprake is van het niet doen van de vereiste aangifte, maar de grondslag ook zonder omkering en verzwaring van de bewijslast is komen vast te staan – passend en geboden.
Redelijke termijn
26. Dat een vergrijpboete zou worden opgelegd is eiser voor het eerst meegedeeld op 11 augustus 2020. Bij het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn dan overschreden met 3 jaar en 3 maanden4.. De boete beloopt € 19.633. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank vindt hierin aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn gevolgen te verbinden, en zal de boete verminderen met 20 procent tot € 15.706.5.De vermindering van de boete leidt niet tot een gegrond beroep omdat sprake is van een door de rechtbank ambtshalve bijgebrachte grond.
Evenredigheidsbeginsel/menselijke maat
27. Anders dan eiser stelt, is niet gebleken dat verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld en geen oog zou hebben gehad voor de menselijke maat. De rechtbank overweegt in dit verband dat gesteld zou kunnen worden dat geen sprake is van een evenredige heffing in geval deze niet zou berusten op een bewezen rc-schuld die is kwijtgescholden door Holding BV. In dat geval ook zou met het handhaven van de aanslag de menselijke maat uit het oog verloren kunnen worden.
Aangezien de rechtbank echter het bestaan van de rc-schuld wel bewezen acht, ontvalt daarmee de grond voor deze standpunten van eiser. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat aan eiser in de bezwaarfase mogelijkheden zijn geboden, en benut, om met verweerder meermaals in contact te treden, niet alleen om bezwaren in te kunnen brengen tegen de navorderingsaanslag, maar ook om de mogelijkheid van een compromis te beproeven. Ook heeft verweerder gepoogd de zaak in der minne te schikken.
Eigendomsrecht en individuele en buitensporige last
28. Eiser heeft aangevoerd dat het betalen van de aanslag mogelijk leidt tot het moeten interen op vermogen. Verweerder heeft in dit verband opgemerkt dat met de ontvanger afspraken zijn te maken omtrent betalingsregelingen.
De rechtbank acht hetgeen eiser dit verband heeft aangevoerd onvoldoende om aannemelijk te achten dat hij zal moeten interen op vermogen. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser geen enkel inzicht heeft verschaft in zijn huidige inkomen en vermogen. De rechtbank concludeert daarom dat niet aannemelijk is dat de aanslag leidt tot een individuele en buitensporige last en mitsdien geen sprake is van strijd met het eigendomsrecht.
In het voorgaande is reeds geoordeeld dat eiser vanwege de kwijtschelding van de rc-schuld aan Holding BV een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Het standpunt van eiser dat het in de belastingheffing betrekken van dit voordeel in strijd is met het eigendomsrecht van artikel 1 EP bij het EVRM, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
29. Aangezien verweerder de belastingrente op grond van artikel 30fc AWR heeft berekend over het positieve bedrag van de belastingaanslag over de door hem aangegeven periode, is niet gebleken dat de belastingrente niet tot de juiste hoogte is vastgesteld.
30 Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
Verzoek om een immateriële schadevergoeding
31. Eiser heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding aangezien eiser door overschrijding van de redelijke termijn immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Eiser heeft bij brief van 7 december 2020 bezwaar gemaakt, de uitspraak op bezwaar is van 30 januari 2024 en de rechtbank doet uitspraak op 13 november 2025, zodat hiermee de redelijke termijn van twee jaar met afgerond 34 maanden is overschreden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die een verlenging van de redelijke termijn zouden rechtvaardigen.
De rechtbank stelt de immateriële schadevergoeding vast op € 3.000 (€ 500 per half jaar) en bepaalt dat deze vergoeding voor een bedrag van € 2.735 (31/34*€ 3000) dient te worden toegerekend aan de bezwaarfase zodat verweerder veroordeeld wordt tot vergoeding van dit bedrag aan eiser en de overige vergoeding € 265 (3/34*€ 3.000) dient te worden toegerekend aan de beroepsfase, zodat de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag. In de omstandigheid dat de zaak van eiser gezamenlijk is behandeld met de zaken van zeven andere familieleden die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, vindt de rechtbank aanleiding om het bedrag van de immateriëleschadevergoeding te matigen6.. Aan eiser wordt derhalve een vergoeding toegekend van in totaal € 375 (€ [2.735+265]*1/8).
32. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beginsel vast op € 1.845,75 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907, met een factor 1,5 wegens samenhang en een wegingsfactor 0,5). In de omstandigheid dat verweerder slechts wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser wegens een vergoeding voor immateriële schade, vindt de rechtbank aanleiding om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak te hanteren van 0,5 (licht). Tevens moet hierbij in aanmerking worden genomen dat de zaken die gelijktijdig met deze zaak op zitting zijn behandeld met elkaar samenhangen als bedoeld in artikel 3 van het Besluit7.. Daarmee komt de proceskostenvergoeding voor de onderhavige zaak op € 230,72 (€ 1.845,75/8). Verweerder en de Staat nemen hierbij ieder de helft voor hun rekening.
33. Eiser heeft in zijn aanvullend beroepschrift van 30 mei 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, die op 18 januari 2023 was overschreden, zodat eiseres recht heeft op vergoeding van het betaalde griffierecht.8.Verweerder en de Staat nemen hierbij ieder de helft voor hun rekening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Heel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑11‑2025
HR juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193 en HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411.
HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5989, r.o. 3.6.2, en HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:124, r.o. 2.4.1.
HR 22 april 2005, nr. 37 984, BNB 2005/337
Vgl Hof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298
vgl. HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2875, r.o. 3.2.4.
vgl. HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1382
HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1-7.1.2.