Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.5:2.5 Afronding
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.5
2.5 Afronding
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946077:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Smidt & Smidt 1901 (Deel V), p. 293.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk staat de vraag centraal op welke wijze klachtdelicten onderdeel zijn gaan uitmaken van de Nederlandse rechtspleging en hoe de wettelijke regeling van klachtdelicten zich sindsdien heeft ontwikkeld. Met de beantwoording van die vraag is beoogd meer inzicht te krijgen in de ideeën die ten grondslag liggen aan de Nederlandse regeling van het klachtdelict en de wijze waarop daaraan in wetgeving invulling is gegeven.
De idee dat bepaalde delicten slechts kunnen worden vervolgd ingeval de benadeelde dat wenst, is terug te voeren op de Duitse Constitutio Criminalis Carolina uit 1532. Dat deze rechtsfiguur al eeuwenlang bestond bij onze oosterburen laat onverlet dat de eerste klachtdelicten pas in 1811 via de Code Pénal in Nederland hun intrede hebben gedaan. In de negentiende eeuw is het bestaansrecht van klachtdelicten op grond van verschillende beginselen bepleit en bestreden. Het karakter van het klachtdelict was indertijd diffuus. Dit heeft ertoe geleid dat bij de jaarvergadering van de Nederlandsche Juristen-Vereeniging in 1877 de vraag centraal stond van welke beginselen de wetgever zou moeten uitgaan bij de aanwijzing van klachtdelicten. De NJV nam aan dat de vervolging bij sommige misdrijven inderdaad afhankelijk behoort te worden gesteld van een private klacht en aanvaardde daarbij slechts één grondbeginsel als redengevend voor de toevoeging van een klachtvereiste aan strafbepalingen. Het betreft die misdrijven waarbij het bijzonder belang groter nadeel kan lijden door het instellen van vervolging, dan het openbaar belang zou lijden onder het achterwege blijven van vervolging. Dit is ook het enige beginsel dat in het Wetboek van Strafrecht van 1886 redengevend is geacht voor het toevoegen van een klachtvereiste aan een misdrijf. In dit Wetboek van Strafrecht is ambtshalve vervolging regel en de gevallen waarin de vervolging afhankelijk is gemaakt van de wil van het slachtoffer hebben te gelden als zeldzame uitzondering. Het Wetboek van Strafrecht van 1886 betreft het fundament voor de regeling van de klacht zoals wij die heden ten dage kennen in de Nederlandse strafrechtspleging.
Het beginsel dat ten grondslag ligt aan klachtdelicten is nadien meermaals onderschreven in de wetgevingsgeschiedenis, onder meer in 1982 toen de minister van justitie besloot art. 272 lid 2 Sr ongewijzigd te handhaven. Hoewel formeel slechts één grondbeginsel redengevend is voor het toevoegen van het klachtvereiste aan misdrijven, maakt de wetsgeschiedenis duidelijk dat niet steeds oog heeft bestaan voor dit grondbeginsel. Meermaals hebben andere afwegingen (veelal van pragmatische aard) een rol gespeeld, en de boventoon gevoerd, bij het verbinden van een klachtvereiste aan misdrijven. Dit gebeurde reeds in 1886 toen het klachtvereiste op andere gronden werd toegevoegd aan de drukpersdelicten en aan de strafbaarstelling van geslachtsgemeenschap met een persoon tussen 12 en 16 jaren oud. Ook nadien heeft bij wetswijzigingen en wetsvoorstellen die raken aan het klachtvereiste niet steeds voldoende oog bestaan voor de ratio die ten grondslag ligt aan de regeling van klachtdelicten. Zo is de idee achter en het nut van de klacht uit beeld geraakt bij de aanpassing van de zedelijkheidswetgeving in 1991, omdat met name oog bestond voor doelmatige overwegingen in het kader van de bescherming van minderjarigen tegen seksueel misbruik. Het klachtvereiste inzake meineed ten overstaan van een internationaal gerecht is door minister van Justitie Korthals zelfs geduid als oneigenlijk klachtdelict dat is ontstaan vanuit de wens te voorkomen dat de nationale autoriteiten in strijd zouden handelen met het oordeel van het internationale gerecht. Het klachtvereiste is desondanks tot op heden gehandhaafd bij art. 207b Sr.
Uit de wetsgeschiedenis volgt tevens dat men moeite heeft gehad de rechtsfiguur van het klachtdelict te duiden. Er is veel gediscussieerd over de wijze waarop en de plaats waar (onderdelen van) de regeling van de klacht in de wet dienen te worden verankerd. Zo is geworsteld met de vraag of en in hoeverre de rechtsfiguur van het klachtdelict materieelrechtelijk dan wel formeelrechtelijk moet zijn geregeld. In de negentiende eeuw kende het klachtvereiste inzake schaking geruime tijd uitsluitend een strafrechtelijke grondslag, terwijl het klachtvereiste inzake hoon, laster en schennis van vrijwillige bewaargeving uitsluitend in een strafvorderlijke bepaling was neergelegd. In 1886 volgt een driedeling van de regeling van de klacht. Algemene bepalingen aangaande het indienen en intrekken van de klacht vinden hun plaats in boek I van het Wetboek van Strafrecht, in boek II van het Wetboek van Strafrecht worden de onderscheiden klachtdelicten aangewezen en de vorm van de klacht is nader geregeld in het Wetboek van Strafvordering.
Het onderscheid dat toentertijd is gemaakt tussen het formele deel van de regeling van de klacht en de materieelrechtelijke bepalingen aangaande klachtdelicten is tot op heden gehandhaafd. Het is opvallend dat deze verdeling van de regeling van de klacht in formele en materiële wetsbepalingen nadien nooit meer ten gronde ter discussie is gesteld in de wetsgeschiedenis. Deze verdeling is immers op een wankel fundament gestoeld. De Raad van State toonde zich van meet af aan kritisch ten aanzien van het voorstel om een titel aangaande de klacht te plaatsen in het algemeen deel van het Wetboek van Strafrecht en de verdediging van die keuze door minister van justitie Modderman had weinig om het lijf. De stelligheid waarmee Modderman het strafprocessuele karakter van de betreffende wetsbepalingen afwees, is bovendien opvallend omdat Modderman deel uitmaakte van de Staatscommissie die deze bepalingen in een eerder ontwerp een procesrechtelijk karakter toedichtte. Ter illustratie van de moeite die men had om (delen van) de rechtsfiguur van de klacht te duiden en in de wet te plaatsen, kan er ook op worden gewezen dat de klachttermijn in het ontwerp van de Staatscommissie deel uitmaakte van de titel inzake het verval van het recht tot strafvordering, waarna deze bepaling bij de voorbereiding van het Wetboek van Strafrecht van 1886 is verplaatst en is herschreven om te benadrukken dat het (toch) geen verjaringsvoorschrift betrof. Tot slot verdient opmerking dat in het Wetboek van Strafvordering van 1926 invulling is gegeven aan het begrip klacht. Dit verhoudt zich ongelukkig tot de memorie van toelichting bij het Wetboek van Strafrecht uit 1886 waarin is vermeld:
‘dat de rechter den eisch van klacht, tot dusver in het Wetboek van Strafvordering gesteld […] niet als eene processueele bepaling maar als een voorschrift van materieel strafrecht te beschouwen heeft’.1
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de achtergrond, redengeving en wettelijke systematiek van het klachtdelict op het eerste oog eenvoudig en eenduidig is. Er is sprake van één grondbeginsel dat toevoeging van het klachtvereiste aan misdrijven kan legitimeren en de regeling van de klacht is met een driedeling over formele en materiële strafwetgeving verspreid. Nadere bestudering van de wetsgeschiedenis leert daarentegen dat de plaatsbepaling en invulling van de rechtsfiguur van de klacht in de praktijk niet zo rechtlijnig is en dat pragmatische overwegingen opgeld hebben gedaan zowel bij het aanwijzen van klachtdelicten als bij de wetssystematische duiding van de regeling van de klacht.