NJB 2025/13:Uitgangspunt bij voordeelsontneming: bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in art. 36e Sr, moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. In bepaalde gevallen kan na een veroordeling wegens witwassen ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel plaatsvinden op grond van art. 36e Sr: herhaling en toepassing van HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077. Deze rechtspraak is ook van toepassing bij het omzetten van een uit misdrijf afkomstig voorwerp in relatie tot (de waarde van) het voorwerp waarin dat wordt omgezet. Uit de enkele omstandigheid dat geldbedragen zijn omgezet, volgt immers nog niet dat, en in welke mate, de betrokkene daardoor ook over meer vermogen is komen te beschikken dan de al verworven uit misdrijf afkomstige geldbedragen, of dat de betrokkene anderszins op geld waardeerbaar voordeel heeft gehad als gevolg van die omzetting. In casu heeft het hof dit miskend. Situatie waarin onopgehelderd blijft of onduidelijk is wie het gronddelict heeft begaan: dat sluit niet uit dat ten aanzien van de persoon die is veroordeeld voor witwassen een ontnemingsvordering wordt ingesteld die is gebaseerd op art. 36e lid 3 Sr. Op die grond kan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel plaatsvinden als – kort gezegd – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.