Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/8.2.5
8.2.5 De Wilg in relatie tot de Wro
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS446202:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005-2006, 30509, nr. 3, p. 12-13.
Kamerstukken II 2005-2006, 30509, nr. 3, p. 23-24.
Zie art. 3, lid 1 jo. art. 4, lid 1 Wilg en art. 2.2 en 2.3 Wro.
Kamerstukken II 2005-2006, 30509, nr. 4, p. 5-6.
Art. 3.1 Wro.
Kamerstukken II 2005-2006, 30509, nr. 4, p. 5-6.
Kamerstukken II 2005-2006, 30509, nr. 3, p. 23-24.
Art. 4.3, lid 1 jo. art. 4.1, lid 1 Wro.
De aanwijzingsbevoegdheid is te vinden in artt. 4.4, lid 1 Wro (Rijk) en 4.2, lid 1 Wro (provincie). De bevoegdheden om een inpassingsplan vast te stellen zijn te vinden in artikel 3.28 Wro (Rijk) en art. 3.26 Wro (provincie).
De voorgaande paragrafen bevatten een analyse van belangrijkste uitvoerende instrumenten van de Wilg: te weten het Ilg, de bestuursovereenkomst en het inrichtingsplan. Het is niet mogelijk om op basis van de Wilg de uitvoering van een bestuursovereenkomst en/of een inrichtingsplan af te dwingen. In de praktijk is de realisering van het gebiedsgerichte beleid afhankelijk van instrumenten in andere sectorale wet- en regelgeving. In de memorie van toelichting bij de Wilg stelt de wetgever dat de inrichting en het beheer van het landelijke gebied dienen plaats te vinden binnen de kaders van de Wro.1 De Wilg is complementair ten opzichte van de Wro. De ruimtelijke kaders die nodig zijn voor de realisering van het gebiedsgerichte beleid worden uitgezet met behulp van deze wet. De Wilg bevordert op haar beurt maatregelen voor de inrichting en het beheer van het landelijke gebied.2 De kaderstellende functie van de Wro komt onder meer tot uitdrukking bij de programmering van het gebiedsgerichte beleid. Bij het vaststellen van het RMJP en de PMJP’s is het verplicht om structuurvisies in acht te nemen.3 Structuurvisies bevatten op hoofdlijnen een omschrijving van het (gewenste) ruimtelijke beleid en kunnen fungeren als onderbouwing van een inpassingsplan of een aanwijzing. De inhoud van een structuurvisie kan via provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen doorwerken in de ruimtelijke ordening op decentraal niveau. De mogelijkheden om een inrichtingsplan vast te stellen zijn (mede) afhankelijk van de inhoud van structuurvisies en de uitwerking van deze visies in juridisch bindende instrumenten zoals het bestemmingsplan. In de praktijk is de inhoud van het vigerende bestemmingsplan bepalend voor de gebruiksmogelijkheden van gronden en bouwwerken.4 De beheersverordening kan op een vergelijkbare manier worden ingezet.
In de Wilg ontbreekt een koppeling tussen het inrichtingsplan en het bestemmingsplan. Als gevolg daarvan bestaat de mogelijkheid dat een inrichtingsplan wordt vastgesteld dat in strijd is met het planologische regime.5 De uitvoering van het gebiedsgerichte beleid is (mede) afhankelijk van een tijdige ‘verwerking’ van het inrichtingsplan in het bestemmingsplan. In dat geval is het noodzakelijk om het bestemmingsplan of het inrichtingsplan aan te passen. Ook is in dat geval medewerking van de bevoegde gemeenteraad nodig.6 De Wilg bevat geen instrument om weigerachtige gemeenten tot medewerking te dwingen. De Raad van State heeft in zijn advies bij de totstandkoming van de Wilg expliciet op deze omissie gewezen.7 De wetgever verwacht dat gemeenten in de regel op vrijwillige basis aan de uitvoering van het gebiedsgerichte beleid zullen meewerken.8 Dit hoeft niet altijd het geval te zijn aangezien de doelstellingen van het gebiedsgerichte beleid kunnen afwijken of conflicteren met belangen van betrokken gemeenten. Dit probleem kan worden voorkomen met behulp van algemene regels in het Barro en/of provinciale ruimtelijke verordeningen. Dit is alleen toegestaan met het oog op een goede ruimtelijke ordening en voor zover sprake is van nationale, respectievelijk provinciale belangen.9 Indien de gemeenten desondanks medewerking weigeren, is het mogelijk om een aanwijzing uit te vaardigen of een inpassingsplan vast te stellen.10