Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/9.3.3
9.3.3 Het ‘toebehoren’ van subjectieve rechten
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS296780:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit is de reden dat ik het woord ‘rechtsobject’ gebruik in plaats van het woord ‘zaak’; zie in dezelfde zin van Oven 1955, p. 370.
Zie de Jong 2006, p. 37; Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 1. De vereenzelviging van eigendomsrecht en zaak geeft zelfs aanleiding voor de opvatting dat de zaak als zodanig ook als vermogensrecht kwalificeert; zie in deze zin Wibier 2017, p. 166.
Deze verschillende visies worden samengevat in Verstijlen 2006; Neppelenbroek 2016; Mollema 2013b; Mollema 2013a, p. 95-126.
Van der Steur 2003, p. 6 e.v.
Tweehuysen 2016, p. 22; Mollema 2013a, p. 162. Mollema maakt daarbij een onderscheid tussen ‘zaken’ en ‘andere rechten’. Tweehuysen maakt dit onderscheid niet en spreekt slechts over ‘rechten’.
De Jong 2006, p. 179–180; Struycken 2007, p. 105. Het lijkt erop dat Snijders 2006, p. 832 zich aansluit bij de opvatting van Struycken.
Zie daarvoor de literatuur genoemd in voetnoot 75 van dit hoofdstuk.
Om het spraakgebruik te vergemakkelijken kan men zeggen – zoals ik dat op meerdere plaatsen doe – dat de gerechtigde bepaalde juridische posities ‘heeft’. Daarmee wordt echter niet geïmpliceerd dat tussen de gerechtigde en de juridische positie een laag van toebehoren bestaat.
In de opvatting van van der Steur is zelfs sprake van een dubbele band: één aan de zijde van de gerechtigde (het toebehoren) en één aan de zijde van het voorwerp van zijn recht (bijvoorbeeld een eigendomsrecht of beperkt recht); zie Neppelenbroek 2016, p. 197.
Zie in deze zin ook Verstijlen 2006, p. 274; Nieuwenhuis 2007, p. 47-48.
Ik sluit me dan ook niet aan bij de opvatting van Swinnen 2014, p. 376–377 die stelt dat accessoire rechten het voorwerp zijn van een zelfstandig eigendomsrecht. Ook als men de vertaalslag naar het Nederlandse recht maakt door te accepteren dat eigendom van ‘onlichamelijke goederen’ mogelijk is, dan is deze extra laag van toebehoren overbodig.
409. Een discussie waar in randnummer 406 al naar vooruit werd verwezen, betreft die over het ‘toebehoren’ van subjectieve rechten. Deze discussie is (deels) het gevolg van het feit dat de basisbegrippen waarmee het goederenrecht is opgebouwd eigenlijk niet goed bij elkaar passen. Zo worden in het Burgerlijk Wetboek (en in het spraakgebruik) de eigendom van zaken en de zaken waarop het eigendomsrecht betrekking heeft, vaak vereenzelvigd (zie randnummer 56).1 Eenzelfde begrippenpaar bestaat voor de andere vermogensrechten niet; een vermogensrecht heeft men niet in eigendom, het behoort simpelweg aan de gerechtigde toe. Naar de omschrijving die de wet geeft, zou men echter het eigendomsrecht zelf ook als vermogensrecht kunnen beschouwen.2 Daaruit zou de conclusie kunnen worden getrokken dat ook het eigendomsrecht ‘toebehoort’ aan de gerechtigde. De verhouding tussen de gerechtigde tot een subjectief recht, dat subjectieve recht zelf en het rechtsobject van dat subjectieve recht, is daardoor lastig te duiden.
410. In de Nederlandse rechtsliteratuur zijn op dit punt verschillende visies verdedigd, al dan niet met gebruikmaking van een speciale laag voor het ‘toebehoren’ van het goederenrechtelijke recht aan de gerechtigde.3 De visie die is geïntroduceerd door van der Steur bouwt de meeste ‘lagen’ in het systeem in; zij plaatst boven elk subjectief recht een laag van toebehoren en onderscheidt daarnaast bij goederenrechtelijke rechten tussen dat recht en het object van dat recht.4 De eigenaar van een auto heeft daarom, volledig uitgeschreven, ‘het toebehoren van een eigendomsrecht op een auto’. Mollema en Tweehuysen zijn het meest bondig: bij hen bestaat ieder recht slechts uit één laag.5 Zo ‘heeft’ in de visie van Mollema iemand simpelweg een auto, in de visie van Tweehuysen heeft die persoon simpelweg een eigendomsrecht. Tussenposities worden ingenomen door Struycken en de Jong, die de meeste van de subjectieve rechten uit twee lagen laten bestaan.6 In hun beider opvatting bestaat de eigendom van een auto uit twee lagen: het eigendomsrecht en de auto waar dit eigendomsrecht op rust.
411. Ik werk de verschillende genoemde opvattingen hier niet verder uit.7 Dat is namelijk niet nodig om te kunnen laten zien hoe deze opvattingen zich verhouden tot hetgeen ik in de voorgaande hoofdstukken heb uiteengezet. Daar stelde ik dat subjectieve rechten gezien kunnen worden als verzamelingen van juridische posities die de gerechtigde inneemt in relatie tot anderen (zie bijvoorbeeld randnummer 100). Termen als ‘het eigendomsrecht op een zaak’ fungeren dan slechts als een samenvatting om aan te geven dat iemand een bepaalde verzameling van juridische posities inneemt jegens anderen (zie randnummer 101). Men moet deze versimpeling niet te ver doorvoeren door aan deze verkorte spreekwijze dogmatische consequenties te verbinden. In plaats daarvan moet worden gekeken naar de juridische posities die de gerechtigde inneemt jegens anderen. In zo’n relationele benadering van subjectieve rechten heeft een extra laag van toebehoren geen meerwaarde.8 Het toebehoren wordt namelijk gebruikt om de band aan te geven tussen een rechtssubject en hetgeen waartoe het objectieve recht hem gerechtigd maakt.9 Deze band is echter al inherent aanwezig in de juridische posities die de gerechtigde in relatie tot anderen inneemt.10 Een gerechtigde kan bijvoorbeeld een juridische positie veranderen die hij jegens een ander inneemt (hij kan een ‘power’ uitoefenen), of mag een bepaalde gedraging verrichten jegens een ander (er is sprake van een ‘liberty’). Subjectieve rechten zijn in deze opvatting geen aan de mens externe grootheden die binnen zijn bereik moeten worden gebracht, maar bestaan direct in de verhouding tussen personen. Het is daarom niet nodig om een laag van toebehoren in te bouwen tussen de gerechtigde en het recht dat hem toekomt (zoals van der Steur doet).11 Daarnaast is het ook niet nodig om een aparte laag in te bouwen voor het voorwerp van het recht (zoals Struycken en de Jong doen); uiteindelijk blijven alle juridische posities – of er in hun omschrijving wordt verwezen naar bepaalde rechtsobjecten of niet – gelden tussen personen. Er is dus sprake van maar één ‘laag’, die bestaat uit (verzamelingen van) juridische posities.